Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen twee voormalige samenwonenden die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning en een verhuurd bedrijfspand op grond van een samenlevingsovereenkomst. Beide partijen vorderden toedeling van deze panden aan de man, terwijl de vrouw tevens betaling van haar aandeel in de huuropbrengsten van het bedrijfspand eiste.
De rechtbank wees de vorderingen tot toedeling af vanwege onduidelijkheid over de financiële draagkracht van de man, maar kende de vrouw een bedrag aan huuropbrengsten toe vanaf 1 november 2015 tot de datum van levering van haar aandeel. Het hof vernietigde dit vonnis deels en stelde de verdeling van de panden vast, maar bekrachtigde de beslissing over de huuropbrengsten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de betalingsverplichting van de man heeft bekrachtigd tot de datum van levering en niet tot het moment van verdeling van het bedrijfspand. Op grond van artikel 3:172 BW Pro delen de partijen de huuropbrengsten zolang het pand in gemeenschappelijk eigendom is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de betalingsverplichting betreft en bepaalt dat de man de helft van de netto huuropbrengsten dient te betalen tot het moment van verdeling.
De Hoge Raad draagt de zaak niet opnieuw voor, maar wijzigt het dictum van het arrest van het hof zelf. De proceskosten in cassatie worden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De man moet de helft van de netto huuropbrengsten betalen tot het moment van verdeling van het bedrijfspand.