Partijen zijn in 1968 gehuwd en in 1990 gescheiden. Tijdens het huwelijk bouwde de man pensioenaanspraken op bij het ABP. In 2005 spraken partijen over de verdeling van dit pensioen, waarna de man vanaf eind 2005 maandelijks een bedrag aan de vrouw betaalde. In 2019 stopte de man de betaling en ontstond een geschil over de voortzetting hiervan.
De vrouw vorderde betaling van het pensioenbedrag met indexatie vanaf augustus 2019. De rechtbank veroordeelde de man daartoe, en het hof bevestigde dit vonnis in hoger beroep. De man stelde dat de pensioenafspraak een opzegbare duurovereenkomst voor onbepaalde tijd was en dat wijziging of ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden, misbruik van omstandigheden en dwaling gerechtvaardigd was.
Het hof oordeelde dat de pensioenafspraak een duurovereenkomst voor bepaalde tijd betreft, namelijk tot het overlijden van een van partijen, zonder opzeggingsmogelijkheid. De man had onvoldoende onderbouwd dat onvoorziene omstandigheden zich voordeden die wijziging of ontbinding rechtvaardigen. Ook het beroep op misbruik van omstandigheden en dwaling faalde wegens gebrek aan bewijs. De vrouw had recht op de pensioenbetalingen met jaarlijkse indexatie volgens de ABP-regels. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en compenseerde de proceskosten.