Conclusie
1.Inleiding en samenvatting van het cassatieberoep
f31,5 miljoen niet zou zijn doorgegaan? Het verwijzingshof heeft tot uitgangspunt genomen dat het hypothetische scenario moet worden vastgesteld aan de hand van een
ex anteanalyse op basis van de informatie waarover de betrokkenen destijds beschikten en de toekomstverwachtingen die zij destijds hadden. Ontwikkelingen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden nadat Fa-med in 2001 was verkocht (en later voor een veel hogere prijs is doorverkocht) acht het hof daarbij niet bepalend. Op basis van deze benadering heeft het hof aangenomen dat in het hypothetische scenario dat de verkoop van Fa-med op 19 oktober 2001 geen doorgang had gevonden, Fa-med medio 2002 zou zijn verkocht. Volgens het hof was IGVO al in 2001 bereid Fa-med te verkopen, als de prijs hoog genoeg was. Ook zouden er kopers zijn die interesse hadden in Fa-med, nu Fa-med gelet op haar sterke winstontwikkeling een aantrekkelijke overnamekandidaat was.
f41,827 miljoen. Volgens het hof zou IGVO met die hypothetische verkoopprijs hebben ingestemd en zou er ook een koper bereid zijn geweest die prijs voor Fa-med te betalen. De schade die IGVO heeft geleden is dan volgens het hof 45% [3] van het verschil tussen de feitelijke verkooprijs van Fa-med (
f31,5 miljoen) en de hypothetische verkoopprijs van
f41,827 miljoen.
distressterecht zou zijn gekomen als gevolg van de steeds verder verslechterde verhoudingen tussen IGVO (althans [betrokkene 1] ) en Wolsden c.s. (althans [erflater] ).
2.Feiten
Voor de goede orde vermeld ik daarom met dezelfde nummering de feiten die het verwijzingshof onder het kopje “2. Feitelijke achtergrond” heeft opgenomen.
Naar aanleiding van eerdere gedachtenspinselen daaromtrent, wordt gesproken over de toekomst van Famed. De directie heeft een memorandum inzake de marktpositie in relatie tot een mogelijke overname van Famed door een verzekeraar of financiële dienstverlener opgesteld. In het memorandum staan een aantal (toekomst)opties voor Famed uitgewerkt. Aandeelhouders zijn unaniem van oordeel dat het wenselijk is dat ook een (onafhankelijke) derde zich uitlaat c.q. een oordeel vormt over Famed.
Aandeelhouders stellen vast dat [betrokkene 3] van [A] daartoe zou moeten worden ingeschakeld. De opdracht aan [betrokkene 3] zou grosso modo als volgt moeten luiden:
quick scanrapport uitgebracht. In dit rapport bespreekt [betrokkene 3] verschillende toekomstscenario’s voor Fa-med:
1.
stand alonebij ongewijzigd beleid, 2.
stand alonebij ongewijzigd beleid, met overname Kesteren, 3.
stand alonemet strategische heroriëntatie, 4. overname door zorgverzekeraar (
potential preferred buyeraanwezig: Achmea), 5. overname door niet-zorgverzekeraar.
In de conclusie van het rapport staat onder meer het volgende:
• Scenario 4 verdient (duidelijk) de voorkeur,
mitsde verkoopprijs op min. 30-35 mln. DFL uitkomt.
• Second best is scenario 3, mede ter realisatie op termijn van scenario 5. Scenario 5 is momenteel geen reële optie (geen potential preferred buyer voorhanden).
• Scenario 1 en 2 zijn de minst aantrekkelijke opties (m.b.t. scenario 2 is dit oordeel voorlopig).”
fair pricevan Fa-med volgens [betrokkene 3] in een range vanƒ 18 miljoen - ƒ 45 miljoen. [betrokkene 3] begroot de
fair priceop ca. ƒ 31 miljoen. Bij het bepalen van de waarde van Fa-med heeft [betrokkene 3] gebruikgemaakt van de
Discounted Cash Flow-methode (hierna: DCF-methode). Bij de DCF-methode worden de verwachte toekomstige vrije kasstromen van een onderneming met behulp van een disconteringsvoet herleid tot een contante waarde van de onderneming en vervolgens, door aftrek van het vreemde vermogen, tot de marktwaarde van de onderneming. De disconteringsvoet is een gewogen gemiddelde van de kosten van financiering van de onderneming, op basis van een bepaalde verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemde vermogen.
due diligencerapport, gedateerd 26 september 2000, heeft laten opmaken.
due diligenceonderzoek uitgevoerd, waarvan zij op 5 september 2001 een definitief rapport aan USG heeft uitgebracht.
1. Op basis van onze aandeelhoudersovereenkomst zijn we elkaars gevangene, d.w.z. jij hebt
mijn instemming nodig en ik die van jou.
5. Ik stel voor dat we, ter vermijding van een impasse, parallel aan het in gang te zetten due diligence-onderzoek door overnamekandidaat aan onze kant een verantwoorde objectieve waardebepaling zal worden gemaakt.
Langs deze weg kan ons gevoel, zie bovenstaande, wat geobjectiveerd worden en krijgen we handen en voeten voor verantwoorde besluitvorming.”
Mijn instemming onder bovenstaande voorwaarden geldt uiteraard alleen als ik de overnamecorrespondentie en contracten ter inzage krijg (zie aandeelhoudersovereenkomst) en de stukken geen verrassingen bevatten (...)”
(…)
ƒ 31,5 miljoen per 1 januari 2001, inclusief het nettoresultaat over de periode 1 januari 2001 tot 19 oktober 2001 van ƒ 4 miljoen. Bij notariële akte van dezelfde datum zijn de aandelen geleverd. HIN Beheer (toen nog voor 10% aandeelhouder in Frelan) heeft met de verkoop ingestemd.
- het vonnis van de rechtbank Utrecht van 18 mei 2011 vernietigd;
- Wolsden c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan IGVO van een bedrag van
€ 2.108.886,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 30 juni 2002, en tot betaling van een bedrag van € 7.251,07, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf 28 juli 2020;
- de vorderingen voor het overige afgewezen;
- bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, alsmede de helft van de kosten van de aangestelde deskundigen;
- het arrest, voor zover het betreft de betaling van een geldsom, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Wolsden c.s. hebben bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het principale cassatieberoep en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld.
IGVO en Wolsden c.s. hebben een schriftelijke toelichting ingediend, waarna zij hebben gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is een inleiding en bevat geen klachten.
Eisvermeerderingen
Het hof stelt vast dat IGVO het misgelopen dividend niet heeft opgenomen in haar vordering; zij vordert (na vermindering van eis) 45% van het verschil tussen de in 2001 betaalde koopprijs van ƒ 31,5 miljoen en de waarde van de aandelen in Fa-med, uitgaande van de prijs die Waterland in 2004 voor Fa-med heeft betaald. Dividend maakt van dat verschil geen deel uit. Daarbij komt dat IGVO er in haar cassatiemiddel uitsluitend over heeft geklaagd dat het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn berekening van de schade geen rekening heeft gehouden met (als dividend uit te keren) winst over de periode 1 januari 2001 - 19 oktober 2001. IGVO is er in cassatie niet tegen opgekomen dat het hof Arnhem-Leeuwarden in de toegekende schadevergoeding geen misgelopen dividend over 2002, 2003 en het eerste kwartaal van 2004 heeft opgenomen. Voor zover de memorie na verwijzing van IGVO zo moet worden gelezen dat IGVO als onderdeel van de gevorderde schadevergoeding misgelopen dividend over die jaren vordert, is voor die uitbreiding van de vordering na verwijzing in ieder geval geen ruimte meer.”
Volgens
subonderdeel 2.3is, verkort weergegeven, het oordeel van het hof in de slotzin van r.o. 5.1.10 gelet op wat er in de voorgaande subonderdelen is opgemerkt, evenmin begrijpelijk.
althans tot vergoeding van een bedrag gelijk aan 45% van het verschil tussen de betaalde koopprijs en de waarde van de aandelen, althans tot vergoeding van een bedrag in goede justitie door het Gerechtshof te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW hierover vanaf 21 januari 2002, althans vanaf de datum waarop bij een waardebepaling tegen een latere datum redelijkerwijs de koopsom aan de aandeelhouders van Frelan zou zijn uitgekeerd.”
50% dan wel 45%(onderstreping A-G) van het verschil tussen de betaalde koopprijs en de waarde van de aandelen. De aanpassing is onder het kopje “Wijziging van eis” in de toelichting op grief VI opgenomen.
Grief VI
Bij herhaling is het argument gehanteerd dat er door Frelan c.q. Igvo geen schade is geleden, nu niet gebleken is dat in dezelfde periode andere partijen bereid waren gebleken, een hoger bedrag te betalen.
(€ 30 miljoen + 5,8 miljoen - 14.294.076 =) € 21.505.924. Het gedeelte van deze schade waarvan Igvo vergoeding toekomt, behelst dan respectievelijk € 10.752.962 en € 9.677.665,80.” [16]
Zoals het subonderdeel terecht aanvoert, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden al in het tussenarrest van 12 november 2013 de vordering tot misgelopen dividenduitkering begrensd tot 19 oktober 2001, waarop het hof in r.o. 2.8 van het eindarrest van 12 december 2017 heeft voortgebouwd. Tegen deze begrenzing in het tussenarrest en het dividendoordeel in het eindarrest is IGVO in haar eerste principale cassatieberoep, in onderdelen 1 en 3, opgekomen. De klachten in het eerste cassatieberoep volstonden.
Omvang rechtsstrijd bij het verwijzingshof: opnieuw de schade begroten
Deze rechtsoverweging is in cassatie niet bestreden.
ex anteanalyse, op basis van de informatie waarover de betrokkenen destijds beschikten en de toekomstverwachtingen die zij destijds hadden en dat de ontwikkelingen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden nadat Fa-med in handen is gekomen van USG dus niet bepalend zijn voor ‘de uitkomst van het hypothetische scenario’. Onderdeel 3 komt in de kern op tegen deze (uitwerking van de) maatstaf voor het hypothetische scenario.
Hoofdlijnen schadebegroting
werkelijkesituatie, omdat de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis (nu eenmaal) de realiteit is. [26] Het is steeds een resultaat van inschattingen van onzekerheden, zij het dat de inschatting zo concreet mogelijk wordt ingekleurd, [27] reëel denkbaar [28] en in overeenstemming met de wet [29] moet zijn. Een hypothetisch scenario laat zich dan ook niet als zodanig bewijzen maar is wel gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich laten bewijzen. [30] Tjong Tjin Tai omschrijft hypothetisch scenario in dit verband treffend:
Een echt wetenschappelijke benadering van schadebegroting is dan ook meestal een fictie. Men kan niet meer doen dan een deel van de elementen waarop de schadebegroting berust beter te funderen door bijvoorbeeld het uitvoeren van grondig empirisch onderzoek. Een mogelijkheid is dat het nadeel wordt gerelateerd aan statistisch materiaal. Wat men dan echter doet is niet de werkelijke schade begroten alswel de schade te stellen op een fictieve norm die aan de statistiek is ontleend: men veronderstelt dan omwille van de billijkheid, hanteerbaarheid of om andere reden dat de hypothetische situatie overeenkomst met de statistisch bepaalde situatie. Praktisch gezien is dit een zinvolle aanpak, er vindt hier echter een versimpeling plaats van de theoretische eis van volledige schadevergoeding.
In de rechtspraak wordt steeds gesproken over ‘de’ hypothetische situatie. Dit veronderstelt dat er één hypothetische situatie is die in aanmerking komt. Dit lijkt voorbij te gaan aan de mogelijkheid dat er verschillende hypothetische situaties zijn die enigszins plausibel zijn. Men kan spreken van ‘scenarios’. Wat deze norm uitdrukt is echter dat de rechter verplicht is om het meest waarschijnlijke scenario te volgen. [32] Dit is alleen anders als er twee radicaal tegenstrijdige scenario’s zijn waar de relatieve waarschijnlijkheid elkaar niet te zeer ontloopt. Dan kan men werken met de leer van verlies van een kans (zie § 3.6) [33] .’ [34]
De tweede is dat de rechter in een concreet geval vaak inschattingen zal moeten maken ten aanzien van verschillende onzekere factoren. Het onderhavige geval is daar een voorbeeld van. Het verwijzingshof diende ten aanzien van drie met elkaar samenhangende bouwstenen voor het hypothetische scenario een inschatting te maken: (1) wanneer zou IGVO bereid zijn geweest Fa-med te verkopen? (2) wanneer zouden er kopers bereid zijn geweest om voor Fa-med een bepaalde prijs te betalen? en in het verlengde daarvan (3) wat zou de verkoopprijs van Fa-med op dat moment zijn geweest? Tegen de achtergrond van deze inleiding bespreek ik onderdeel 3.
ex anteanalyse, op basis van de informatie waarover de betrokkenen destijds beschikten en de toekomstverwachtingen die zij destijds hadden. De ontwikkelingen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden nadat Fa-med in handen is gekomen van USG zijn dus niet bepalend voor de uitkomst van het hypothetische scenario. Bij deze
ex anteanalyse zal het hof noodgedwongen met waarschijnlijkheden en inschattingen moeten werken.
opbrengst verkoop deelneming” een bedrag van ƒ 68,921 miljoen (€ 31,275 miljoen) wordt vermeld. Uit het feit dat in het jaarverslag geen melding wordt gemaakt van andere deelnemingen die in dat jaar door USG zijn verkocht, valt af te leiden dat het hier om Fa-med gaat. Sman onderbouwt deze aanname ook met andere gegevens ontleend aan de cijfers van Fa-med en USG. Wolsden c.s. betwisten dat Fa-med voor ƒ 68,921 miljoen aan Waterland is verkocht, maar motiveren deze betwisting niet tegenover de analyse van Sman, zodat het hof aan deze betwisting voorbijgaat.) Het bod van Rabo/Synergia en de verkoopprijs van Fa-med zijn een bevestiging van de sterk stijgende lijn in de waardeontwikkeling van Fa-med. Gelet op die sterk stijgende lijn, die zich in 2001 en 2002 al duidelijk aftekende, is het naar het oordeel van het hof aannemelijk dat er in het hypothetische scenario medio 2002 een koper zou zijn geweest die bereid was ƒ 41,827 miljoen voor Fa-med te betalen.”
subonderdeel 3.1wordt, samengevat, geklaagd dat het hof in r.o. 5.3.1 [35] bij de invulling van het hypothetische scenario van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door aan de hand van een
ex anteanalyse en dus met voorbijgaan aan de werkelijke ontwikkeling van Fa-med na oktober 2001, de op 19 oktober 2001
verwachtevrije kasstromen (blijkens het rapport Joling II) contant te maken naar medio 2002 (het door het hof vastgestelde hypothetische verkoopmoment). [36] Daarmee miskent het hof volgens het subonderdeel het uitgangspunt bij schadeberekening dat de benadeelde zoveel als mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven, althans heeft het aan die regel een verkeerde toepassing gegeven. Het betekent dat het hof had moeten uitgaan van de ontwikkelingen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden na de schadeveroorzakende gebeurtenis, in het bijzonder de werkelijke omzet en resultaten van Fa-med tussen 19 oktober 2001 en medio 2002, die sterker zijn gegroeid dan waarvan de prognoses van Joling II per 19 oktober 2001 uitgingen. Als aannemelijk is, aldus het subonderdeel, dat deze werkelijke omzet- en resultaatontwikkeling zich óók in het hypothetische scenario zo zou hebben voorgedaan – zoals IGVO heeft betoogd [37] –, zou IGVO in dit scenario hebben verkeerd in de positie dat zij had geprofiteerd van een verkoopprijs op basis van (niet de contant gemaakte prognoses, maar) de werkelijke omzet en resultaten van Fa-med tot medio 2002.
dezeontwikkelingen daadwerkelijk zouden hebben voorgedaan. Daarbij is relevant dat IGVO en Wolsden c.s. nogal uiteenlopende hypothetische scenario’s hebben geschetst. Volgens IGVO zou Fa-med (pas) in 2004 zijn verkocht, mede omdat voor die tijd geen koper bereid zou zijn geweest om voor Fa-med een, op de sterke doorgroei gebaseerde, acceptabele prijs te betalen, [38] en bovendien zou die sterke groei van Fa-med volgens IGVO zich ook hebben voorgedaan zonder (de verkoop aan) USG. [39] Wolsden c.s. hebben daartegen aangevoerd dat de “één-op-één vergelijking” van IGVO (de fictie dat Fa-med in handen van Frelan dezelfde verdiencapaciteit zou hebben gehad als Fa-med in handen van USG) om meerdere redenen niet opgaat [40] en dat zonder verkoop aan USG de onderneming zelfs in een
distressterecht zou zijn gekomen. [41] Nu er in dit geval, zoals vrijwel steeds, verschillende uiteenlopende scenario’s denkbaar zijn, door partijen daadwerkelijk verschillende scenario’s zijn geschetst en het uiteindelijk gaat om een
hypothetischscenario, moest het hof wel tot inschattingen komen.
distress-scenario van Wolsden c.s. Het hof heeft gekozen voor een wat objectievere aanpak door de informatie waarover partijen destijds, dat wil zeggen na de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis, beschikten en de toekomstverwachtingen de zij destijds hadden als
vertrekpuntte nemen. Het hof heeft daartoe aansluiting gezocht bij de rapporten van Joling I en II, omdat die rapporten naar het oordeel van het hof “
op zorgvuldige wijze tot stand [zijn] gekomen, met gebruikmaking van de beschikbare informatie en met toepassing van hoor en wederhoor, en […] de conclusies van de rapporten begrijpelijk en goed gemotiveerd [zijn]” en daarbij komt dat “
De door Joling c.s. toegepaste DCF-methode een algemeen bekende en aanvaarde methode [is] voor de ex ante waardering van ondernemingen op basis van prognoses ten aanzien van te verwachten kasstromen” (r.o. 5.3.6). Niet alleen stond het het hof vrij om, gelet op art. 6:97 BW Pro, voor de invulling van het hypothetische scenario uit te gaan van deze aanpak (zie 3.28, voorlaatste alinea), uit het voorgaande blijkt ook dat het hof die aanpak voldoende heeft gemotiveerd.
f41,827 miljoen te kopen. Daarmee heeft het hof ook geen onjuiste toepassing gegeven aan de tot uitgangspunt gekozen maatstaf: het hof heeft terecht geoordeeld dat de feitelijke waardeontwikkeling niet bepalend (in de zin van beslissend) was, maar het heeft die ontwikkeling wel als relevant (voor een inschatting van de destijds voor de betrokkenen beschikbare informatie) in zijn oordeel betrokken.
Subonderdeel 3.3veronderstelt dat het hof heeft gemeend gebonden te zijn aan het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn tussenarrest van 12 oktober 2013, r.o. 4.16 en 4.17, dat de argumenten van IGVO voor de waardebepaling van Fa-med buiten beschouwing moeten worden gelaten voor zover deze zijn gebaseerd op de resultaten van Fa-med na 19 oktober 2001.
de ex anteanalyse en het voorbijgaan aan de werkelijke ontwikkeling en resultaten van Fa-med na 19 oktober 2001 niet in stand kunnen blijven. Volgens deze klacht geldt dat in ieder geval voor r.o. 5.3.6 t/m 5.3.12, 5.3.18, 5.3.21 en 5.3.22).
stand alonebasis of aansluiting zoeken bij een verzekeraar/bank/concurrent. De conclusie van dat onderzoek, de
quick scanvan [betrokkene 3] , was dat overname door een zorgverzekeraar duidelijk de voorkeur verdiende. Verder heeft ( [betrokkene 1] van) IGVO bij het aanstellen van [betrokkene 5] als haar vertegenwoordiger met [betrokkene 5] afgesproken dat hij een percentage van de opbrengst zou ontvangen in geval van een verkoop van Fa-med. Daaruit blijkt dat IGVO rekening hield met een verkoop van Fa-med binnen afzienbare termijn. De faxbrief van 6 augustus 2001 van ( [betrokkene 1] van) IGVO hinkt op twee gedachten. Enerzijds stelt [betrokkene 1] dat het hem te vroeg lijkt om Fa-med direct te verkopen. Anderzijds lijkt het voor [betrokkene 1] een kwestie van prijs te zijn. Hij noemt immers een vraagprijs van minimaal ƒ 35 miljoen, zegt dat ƒ 40 miljoen tot ƒ 50 miljoen er toch zeker in moet zitten en dat het beter is een paar jaar te wachten in plaats van
overhaastebeslissingen (onderstreping toegevoegd door het hof) te nemen. Dat alles suggereert dat [betrokkene 1] wel bereid zou zijn geweest om direct te verkopen als de prijs maar hoog genoeg was. Daarop wijst ook de faxbrief van ( [betrokkene 1] van) IGVO van 19 september 2001, waarin [betrokkene 1] , na te hebben gememoreerd dat [erflater] het gevoel heeft dat ƒ31,5 miljoen een acceptabele verkoopprijs is en hij het gevoel heeft dat de verkoopprijs minimaal ƒ 35 miljoen zou moeten zijn, opmerkt dat het voor hem onverantwoord zou zijn om dwars te gaan liggen en voor [erflater] onverantwoord zou zijn om een bod van ƒ31,5 miljoen zonder meer te accepteren. Het voorstel dat ( [betrokkene 1] van) IGVO op 9 oktober 2001 aan ( [erflater] van) Wolsden heeft gedaan, wijst er ook op dat IGVO bereid was om te verkopen voor een hogere prijs. Dat voorstel hield in dat Fa-med op of na 2 januari 2002 zou worden verkocht voor ƒ 31,5 miljoen, nadat IGVO ƒ 1 miljoen dividend zou hebben ontvangen (en [erflater] afstand zou doen van zijn belang in Wolga voor ƒ 1; die laatste voorwaarde had echter geen materiële betekenis omdat partijen het er over eens zijn dat (het belang van [erflater] in) Wolga geen significante waarde vertegenwoordigde; het illustreert wel dat [betrokkene 1] op alle fronten afscheid van zijn samenwerking met [erflater] wilde nemen). IGVO zou dan in totaal ƒ 15.175.000,- voor haar belang in Fa-med ontvangen. Dit voorstel is herhaald door de advocaat van IGVO bij faxbrieven van 16 oktober 2001 en 1 november 2001.
quick scanvan [betrokkene 3] uit augustus 2000. Die
quick scanwas volgens IGVO gebaseerd op uitgangspunten die medio 2001 ernstig waren achterhaald. Zo had [betrokkene 3] aangenomen dat Fa-med in 2001 een omzet zou verwerken van ƒ 450 miljoen, terwijl de directie van Fa-med al een verwerkte omzet voor 2001 had gebudgetteerd van ƒ 490 miljoen, en Fa-med uiteindelijk in 2001 een omzet heeft verwerkt van ƒ 502 miljoen. Volgens IGVO was de
quick scanvan [betrokkene 3] echter destijds de enige waardebepaling waarover zij kon beschikken.
f15.175.000,- genoemd in de brief van IGVO van 9 oktober 2001.
Daarbij merk ik allereerst op dat een motivering van dit standpunt van IGVO niet te vinden is in alle processtukken waarnaar zij in dit subonderdeel verwijst. Dat standpunt is niet te vinden in: de antwoordakte van 5 juli 2006, onder 15, de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, onder 38, noch in de repliek (schriftelijk pleidooi) van 11 december 2012, onder 15. Een onderbouwing van dit standpunt is wèl te vinden in de inleidende dagvaarding van IGVO, onder 22 en 23 waarin zij onder meer verwijst naar een vonnis van de rechtbank, in een procedure tussen haar en [betrokkene 5] . Verder heeft IGVO bij haar inleidende dagvaarding een brief van Arbor Activities ( [betrokkene 5] ) van 18 juni 2001 overgelegd waarin de provisieafspraak is bevestigd. IGVO heeft in dat verband aangevoerd dat zij de inhoud van deze brief telefonisch heeft weerlegd.
in kracht van gewijsde geganebeschikking van de Ondernemingskamer van 13 december 2001 op een enquêteverzoek van IGVO. Daarin heeft de Ondernemingskamer onder verwijzing naar onder meer de bevestiging van de provisieafspraak in de genoemde brief van Arbor Activities van 18 juni 2001 ( [betrokkene 5] ) overwogen dat het aannemelijk is dat [betrokkene 5] als vertegenwoordiger van IGVO was aangewezen mede met het met het oog op de verkoop.
alles overwegende”, wat (taalkundig) erop duidt dat dat voorstel weloverwogen was gedaan, dus zonder invloed van een dreiging van de kant van [betrokkene 5] . Dit voorstel is, zoals IGVO ook aanvoert, zelfs herhaald op 16 oktober 2001, via haar advocaat. Nu IGVO in deze passage verder niets heeft opgemerkt over een toen nog aanwezige dreiging van [betrokkene 5] , is dat ook een aanwijzing dat IGVO zich toen niet (meer) heeft laten leiden door de gestelde dreiging van [betrokkene 5] .
subonderdeel 4.3klaagt IGVO dat het hof art. 24 Rv Pro, althans de tweeconclusieregel heeft geschonden en/of de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing heeft overtreden door zijn oordeel dat IGVO in 2001 wel bereid zou zijn geweest om Fa-med te verkopen voor een hogere prijs dan
f31,5 miljoen, te baseren op de faxbrieven van IGVO van 19 september, 9 en 15 oktober 2001. Wolsden c.s. hebben deze brieven niet (tijdig) aan hun verweer tegen de gevorderde schadevergoeding ten grondslag gelegd, zoals het hof Arnhem-Leeuwarden dit in r.o. 2.7 van het eindarrest van 12 december 2017 heeft vastgesteld. In onderdeel 1, onder 1, van haar eerste procesinleiding heeft IGVO dezelfde klacht aangevoerd, aldus het subonderdeel.
Voordat ik deze klacht bespreek, stel ik het volgende voorop over art. 24 Rv Pro in relatie tot de invulling van het hypothetische scenario door de rechter.
alle beschikbare gegevens. Daarbij gaat de rechter zelfstandig te werk en is hij niet gebonden aan het partijdebat; hij mag het hypothetische scenario ook baseren op vaststaande feiten en omstandigheden die partijen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag hebben gelegd. In zoverre geldt het verbod op aanvulling van de feitelijke grondslag hier niet. Dit volgt uitdrukkelijk uit een uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 1958:
nietsubiet tot Wolsden/Frelan gemeld met de mededeling dat zij absoluut
niet in zou stemmenmet een verkoop. Integendeel, bij monde van haar vertegenwoordiger [betrokkene 5] werkte IGVO juist volledig mee met een dergelijke verkoop en stemde zij ook uitdrukkelijk in met de verkoopprijs.”
IGVO zou altijd tegen verkoop geweest zijn
Dat de genoemde faxbrieven van 15 oktober 2001, 16 oktober 2001 en 1 november 2001 door Wolsden c.s. voor het eerst bij akte van 2 oktober 2017 waren overgelegd, lijkt het hof Arnhem-Leeuwarden ook in zijn eindarrest van 12 december 2017 te onderkennen. In r.o. 2.7 heeft het hof het volgende opgemerkt: “
(…) dat Igvo bij faxbrieven van 9 en 15 oktober 2001 en bij advocatenbrieven van 16 oktober 2001 en 1 november 2001 (zie, deels opnieuw, de producties 3 - 6 bij hun akte van 2 oktober 2017) lagere verkoopbedragen heeft genoemd (…)”.Dat “
deels opnieuw” betekent dat een of meer van de producties 3 t/m 6 eerder is of zijn overgelegd. Dat is de faxbrief van 9 oktober 2001 die door IGVO bij haar inleidende dagvaarding was overgelegd.
nieuw verweervan Wolsden c.s. en een in
dat verband gedaan beroepop de faxcorrespondentie na 6 augustus 2001 als tardief gepasseerd. Het hof heeft daarbij niet overwogen dat de bij akte van 2 oktober 2017 overgelegde faxbrieven van 15 oktober 2001, 16 oktober 2001 en 1 november 2001 niet geaccepteerd worden:
f31.500.000 voor Fa-med én ƒ 1.000.000 dividend voor Igvo én ƒ 1 voor Wolga Publishers B.V.).
Maar gesteld noch gebleken is dat Wolsden bereid zou zijn geweest om tevens aan de eisen van dividend en aandelenoverdracht van Wolga Publishers B.V. (voor ƒ 1) te voldoen. En
bovendien hebben Wolsden c.s. zich niet eerder op de van na 6 augustus 2001 daterende correspondentie beroepen (essentieel:) in het kader van de bestrijding van de omvang van de schade. Hun nieuwe verweer komt derhalve tevens in strijd met de zogenaamde twee conclusie regel.”
De conclusie die het hof daaruit heeft getrokken is bovendien onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Daartoe verwijst IGVO naar haar stelling dat zij veel van Wolga verwachtte en haar daarom in handen wilde krijgen [66] en naar de inhoud van de overige correspondentie, zoals die van 15 oktober 2001 waaruit volgt dat [betrokkene 1] steeds heeft gesteld dat het [erflater] is die Fa-med wilde verkopen en dat Fa-med gezien haar toekomstperspectief [betrokkene 1] niet in de weg zat. [67]
f31,5 miljoen) te verkopen (een scenario dat gebaseerd is op een uitleg van de faxcorrespondentie van IGVO in de r.o. 5.3.2. t/m 5.3.4).
f31,5 miljoen (die USG heeft betaald). Daarover heeft het hof in de r.o. 5.3.5 en 5.3.6 als volgt geoordeeld:
private equityspelers zoals Rabo/Synergia en Waterland zouden zich wellicht eerder hebben gemeld, als de verkoop aan USG in oktober 2001 geen doorgang had gevonden. Gezien de sterke historische winstontwikkeling van Fa-med, de groei van de markt waarin Fa-med opereerde en de marktpositie van Fa-med (Fa-med was marktleider in de extramurale factoringmarkt, met een duidelijke voorsprong op de nummer twee; zie het financieringsmemorandum van Rabo/Synergia overgelegd door IGVO als productie 11 bij memorie van grieven) was Fa-med een aantrekkelijke overnamekandidaat, die waarschijnlijk op de nodige belangstelling in de markt zou hebben kunnen rekenen.
5.2klagen, naar de kern, dat het hof in deze overwegingen – en des te meer in het in r.o. 5.3.5 door het hof zelf bijgebrachte scenario [68] – art. 24 Rv Pro (en art. 149 lid 1 Rv Pro) heeft geschonden. Volgens IGVO hebben Wolsden c.s. niets gesteld over het scenario dat als de verkoop van Fa-med in oktober 2001 geen doorgang zou hebben gevonden, Fa-med alsnog zou zijn verkocht aan een koper die tussen oktober 2001 en april 2004 interesse zou hebben getoond. Wolsden c.s. hebben evenmin gesteld dat Fa-med binnen een jaar zou worden verkocht en voor een hogere prijs dan
f31,5 miljoen dan waarvoor zij in 2001 is verkocht, maar fors lager dan Rabo/Synergia eind 2003 bood of Waterland in 2004 heeft betaald. Wolsden c.s. hebben juist aangevoerd dat het Fa-med juist slecht zou zijn vergaan als zij in oktober 2001 niet was verkocht, omdat er geen andere partij in de markt was die Fa-med voor een hoger bedrag wilde kopen. [69] Daarnaast hebben Wolsden c.s. in verwijzing aangevoerd dat Fa-med zonder de transactie met USG in
distressterecht zou zijn gekomen, vanwege de verslechterde verhouding tussen [erflater] en [betrokkene 1] , waardoor Fa-meds waarde alleen maar zou zijn gedaald. [70] Subonderdeel 5.3bouwt voort op de subonderdelen 5.1 en 5.2. In het bijzonder klaagt IGVO dat het hof ook in r.o. 5.3.17 art. 24 Rv Pro heeft geschonden, omdat Wolsden c.s. niet hebben gesteld dat medio 2002 kopers bereid zouden zijn geweest acht- of negenmaal de nettowinst van Fa-med over 2001 te betalen.
f31,5 miljoen te kopen, gebonden was aan art. 24 Rv Pro en aan art. 149 lid 1 Rv Pro. Zoals hiervoor uiteen is gezet, dient de rechter het hypothetische scenario in te vullen aan te hand van alle beschikbare gegevens en is hij daarbij niet gebonden aan art. 24 Rv Pro. Wel dient de rechter zich ervan te vergewissen dat het beginsel van hoor en wederhoor niet in gedrang komt (zie hiervoor in 3.48-3.49).
bij een inschatting ex tunc” in 2001 geen andere geïnteresseerden waren voor Fa-med vanwege de ongunstige marktomstandigheden [72] en (2) dat USG om eigen strategische redenen Fa-med heel graag wilde overnemen. [73] IGVO heeft, onder verwijzing naar de jaarstukken, steeds gewezen op de sterke groei en winst die Fa-med vanaf 2001 t/m april 2004 heeft doorgemaakt en behaald, in welk verband zij heeft betoogd dat nergens uit blijkt dat kopers bereid waren om voor Fa-med na oktober 2001 een acceptabele prijs te betalen die gebaseerd is op die sterke groei. [74] Gelet op dit partijdebat en de grote mate van vrijheid die het hof bij toepassing van art. 6:97 BW Pro heeft, stond het het hof vrij om op grond van de sterke groei van Fa-med de inschatting te maken dat Fa-med een aantrekkelijke overnamekandidaat was die “
waarschijnlijk” op de nodige belangstelling in de markt zou hebben kunnen rekenen (r.o. 5.3.5, waarop de r.o. 5.3.16 en 5.3.17 voortbouwen). Ook hierop stuiten de subonderdelen af.
f41,827 miljoen had ingestemd, omdat dit bedrag in de “
range van f. 40 – 50 miljoen genoemd in het faxbericht van [betrokkene 1] van 6 augustus 2001 [ligt]”,aldus het hof
.IGVO voert, verkort weergegeven, aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is gelet op de volgende stellingen van IGVO:
(i) [betrokkene 1] schreef zijn faxbericht van 6 augustus 2001 uitgaande van het zogenoemde
Quick Scanrapport van [betrokkene 3] dat, naar [betrokkene 1] in 2006 is gebleken, was gebaseerd op de memo van [betrokkene 2] van april 2000 waarin hij van veel te lage prognoses is uitgegaan; [75] (ii) IGVO had medio 2002 een prijs voor Fa-med willen ontvangen die recht deed aan de werkelijke cijfers van Fa-med op dat moment, hetgeen volgt uit haar stellingen in dit geding [76] en uit de faxberichten van [betrokkene 1] van 19 september, 9 en 15 oktober 2001. [77] Daaruit blijkt dat [betrokkene 1] zwaar tilde aan een waardebepaling en aan het verkrijgen van alle stukken die geen verrassingen mochten bevatten.
f41,827 miljoen (in r.o. 5.3.16) ook overeind kan blijven. Daarmee faalt ook onderdeel 6.
Volledigheidshalve merk ik ten aanzien van de stelling (i) op dat deze uitgaat van ‘wijsheid achteraf’. Zoals hiervoor onder 3.31 e.v. is toegelicht, heeft het hof bij het invullen van het hypothetische scenario informatie waarover partijen destijds (naar inschatting van het hof) konden beschikken bepalend geacht en (dus) uitdrukkelijk niet een verandering van inzicht van [betrokkene 1] in 2006 met betrekking tot de prognoses. Het hof heeft immers aan zijn oordeel over de hypothetische bereidheid van IGVO de inhoud van de faxbrieven van [betrokkene 1] (en diens advocaat) van 6 augustus 2001 t/m 1 november 2001 ten grondslag gelegd. Hierin ligt een verwerping van stelling (i) door het hof besloten. Hetzelfde geldt voor stelling (ii) waarin IGVO aanvoert dat [betrokkene 1] steeds een prijs voor Fa-med heeft willen hebben die recht deed aan de ‘werkelijke waarde’. In het hypothetische scenario van het hof (maar ook in een hypothetische scenario in het algemeen) is er geen werkelijke waarde, maar zijn er alleen inschattingen.
f41,827 miljoen te betalen. Daartoe heeft het hof de sterke groei die Fa-med in werkelijkheid in 2002 heeft doorgemaakt en het aanbod van Rabo/Synergia in 2003 (€ 30 miljoen) en dat van Waterland in april 2004 (
f68,921 miljoen), bepalend geacht. Volgens IGVO getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze waarop een hypothetisch scenario moet worden vastgesteld, althans is dit oordeel onbegrijpelijk (inconsistent). Ter toelichting voert IGVO aan dat het hof miskent dat een hypothetisch scenario consistent moet worden ingevuld. Het hof mocht niet enerzijds de werkelijke ontwikkelingen en resultaten van Fa-med aan zijn oordeel over de interesse van de kopers medio 2002 ten grondslag leggen maar anderzijds deze niet bepalend achten voor het hypothetische scenario.
Zoals blijkt uit de bestreden rechtsoverwegingen is het hof daarbij steeds (terecht) uitgegaan van inschattingen die het mede heeft gebaseerd op aannemelijke ontwikkeling in kennis van betrokkenen, waarbij het hof feitelijke ontwikkelingen heeft betrokken. Het hof heeft daarbij elementen van de ontwikkeling van Fa-med in de situatie met de normschending wel relevant, maar niet zonder meer beslissend (‘bepalend’) [78] geacht. Dat kan ik, gelet op het feit dat het hof een inschatting moest maken van de hypothetische ontwikkeling van de gebeurtenissen zonder de normschending, goed volgen. Ik verwijs verder naar mijn toelichting in 3.32 t/m 3.34.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Onderdeel 1is gericht tegen r.o. 5.3.15 [79] -5.3.18 waarin het hof is uitgegaan van een hypothetische verkoopprijs van
f41,827 miljoen.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof in r.o. 5.3.1[4] is uitgegaan van een kennelijke fout, omdat het hof, onder verwijzing naar de tabel in par. 7.4.6 van het BFI-rapport, is uitgegaan van een marktwaarde van Fa-med van
f44,572 miljoen per 31 december 2002. In par. 7.4.6 van het BFI-rapport wordt evenwel uitgegaan van een marktwaarde van Fa-med per 31 december 2002 van
f44,527 miljoen.
Subonderdelen 1.2, 1.3en
1.4voeren, kort gezegd, aan dat in het verlengde van het gestelde in subonderdeel 1.1, de r.o. 5.3.16 t/m 5.3.18 eveneens berusten op een kennelijke fout.
Subonderdeel 1.5is voorgesteld voor zover de voorgaande subonderdelen niet zouden slagen (en van kennelijke fout geen sprake is). Wolsden c.s. klagen dat het oordeel van het hof in de r.o. 5.3.14 t/m 5.3.18 onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd) is. Wolsden c.s. werken deze klacht uit onder a. t/m d.
Subonderdeel 1.6is een voortbouwklacht en heeft in zoverre geen zelfstandige betekenis.
f44,5
72 miljoen. In dat BFI-rapport is namelijk een marktwaarde van
f44,5
27 miljoen vermeld. Het hof heeft de cijfers “27” omgedraaid en dat duidt op een kennelijke vergissing. Daarmee komt, zoals Wolsden c.s. terecht opmerken, de verkoopprijs voor Fa-med (die volgens het hof in het midden ligt van de door BFI berekende marktwaarde per 31 december 2001 (
f44,527 miljoen) en die per 31 december 2002 (
f39,083 miljoen) (r.o. 5.3.14, laatste volzin, en r.o. 5.3.16) op
f41,805 miljoen. Daarmee komt de schade van IGVO op
f4.637.250,-- in plaats van de door het hof berekende
f4.647.375,--, wat neerkomt op € 2.104.292,31. [80]
distress” terecht zou zijn gekomen als gevolg van de voorziene (verdere) escalatie in de aandeelhoudersrelatie tussen IGVO en Wolsden (door BFI aangeduid als de Nadelige Situatie”). Uit de correspondentie tussen partijen in de desbetreffende periode blijkt dat het verschil van inzicht tussen ( [betrokkene 1] van) IGVO en ( [erflater] van) Wolsden met name betrekking had op de waarde van Fa-med bij een verkoop. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat [betrokkene 1] en [erflater] ook van mening verschilden ten aanzien van het dagelijks beleid van Fa-med. Zij waren daar geen van beiden direct bij betrokken ( [betrokkene 2] had immers de feitelijke leiding over Fa-med), en [betrokkene 1] stond helemaal op afstand. Bovendien zou Fa-med in het hypothetische scenario dat het hof aanhoudt reeds medio 2002 zijn verkocht. Als de verslechterde relatie tussen [betrokkene 1] en [erflater] al een negatief effect zou hebben gehad op de bedrijfsvoering van Fa-med, dan was daar in het hypothetische scenario dat het hof aanhoudt weinig ruimte voor.”
subonderdeel 2.1klagen Wolsden c.s., verkort weergegeven, dat het hof met dit oordeel onvoldoende heeft gerespondeerd op de stellingen van Wolsden c.s., opgesomd onder a. t/m m. [81] Volgens Wolsden c.s. kunnen die stellingen immers tot de conclusie leiden dat als Fa-med niet op 19 oktober 2001 zou zijn verkocht, de onderneming in een
distress-scenario terecht zou zijn gekocht met als gevolg dat (aannemelijk is dat) Fa-med (medio 2002) voor een (veel) lagere prijs zou zijn verkocht.
In
subonderdeel 2.2voeren Wolsden c.s. aan dat voor zover het hof de stellingen die in subonderdeel 2.1 onder a. t/m m. zijn opgesomd, heeft verworpen, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
Subonderdelen 2.3t/m
2.7zijn specifiek gericht tegen de drie argumenten [82] die het hof in r.o. 5.3.19 heeft gegeven voor de verwerping van het
distress-scenario verweer van Wolsden c.s.
Subonderdeel 2.3is gericht tegen het (eerste) argument dat het verschil van inzicht tussen ( [betrokkene 1] van) IGVO en ( [erflater] van) Wolsden c.s. met name betrekking had op de waarde van Fa-med bij een verkoop en dat dat volgt uit de correspondentie tussen partijen.
Subonderdelen 2.4en
2.5zien op het (tweede) argument dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat [betrokkene 1] en [erflater] ook van mening verschilden ten aanzien van het dagelijks beleid van Fa-med, omdat geen van beiden direct daarbij betrokken waren, en [betrokkene 1] helemaal op afstand stond.
Subonderdelen 2.6en
2.7gaan over het (derde) argument dat Fa-med in het hypothetische scenario dat het hof aanhoudt reeds medio 2002 zou zijn verkocht, en dat als de verslechterde relatie tussen [betrokkene 1] en [erflater] al een negatief effect zou hebben gehad op de bedrijfsvoering van Fa-med, daar in dat hypothetische scenario van het hof weinig ruimte voor was.
Subonderdeel 2.8is een voortbouwklacht en heeft in zoverre geen zelfstandige betekenis.
distress-scenario zou zijn terechtgekomen.
distress-scenario valt. Wolsden c.s. verwijzen ten aanzien van deze stellingen (o.m.) naar verschillende passages uit Hoofdstuk 6 van hun memorie van antwoord in verwijzing, dat over het hypothetische scenario gaat. Daarbij merk ik op dat stellingen c., e. en f. betrekking hebben op de feitelijke verstoorde verhoudingen tussen Wolsden c.s. en IGVO vóór 2001, en stellingen g. t/m l. op de hypothetische verdere verslechtering van die verstoorde verhoudingen na 19 oktober 2001 (als verkoop niet door zou zijn gegaan). [84] Het betoog van Wolsden c.s. was inderdaad dat al ruim vóór een (mogelijke) verkoop in 2001 tussen IGVO en Wolsden c.s. sprake was geweest van verstoorde verhoudingen (mede als gevolg van de weigering van IGVO om in Fa-med te investeren) en dat die verstoorde verhoudingen nog verder zouden zijn verslechterd als de verkoop op 19 oktober 2001 niet zou zijn doorgegaan. Wolsden c.s. noemen dit
distress-scenario, onder verwijzing naar het BFI-rapport [85] , ook wel de “nadelige situatie” die immers een “direct negatief effect op de marktwaarde van de aandelen van Fa-med” zou hebben gehad.
distress-scenario. Het hof heeft gekozen voor een eigen aanpak voor de invulling (inschatting) van (de drie bouwstenen voor) het hypothetische scenario en heeft zich daartoe aangesloten bij de hogere groeiprognose van Joling II (gelet op de sterke groei van Fa-med in werkelijkheid, r.o. 5.3.13). Dat is, gelet op art. 6:97 BW Pro, dé taak van de rechter. Die aanpak heeft het hof in r.o. 5.3.1 vooropgesteld en in r.o. 5.3.5 gemotiveerd. Daarmee heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Dit geldt ook voor de verwerping van het
distress-scenario in r.o. 5.3.19. Daar komt bij dat de motivering van het hof in de laatste volzin van r.o. 5.3.16 die verwerping zelfstandig draagt. Daarin brengt het hof, verkort weergegeven, in herinnering dat “
in het hypothetische scenario dat het hof aanhoudt weinig ruimte” is voor het
distress-scenario, dus ook als dat inderdaad een negatief effect zou hebben gehad op de waarde van Fa-med.