ECLI:NL:PHR:2024:1313

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
22/03024
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 359a SvArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens oplichting door misleiding en samenweefsel van verdichtsels

De zaak betreft een verdachte die tussen 2014 en 2018 herhaaldelijk geld heeft ontvangen van het slachtoffer onder valse voorwendselen, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen. Hij wekte de indruk betrokken te zijn in procedures tegen Defensie en beloofde terugbetaling, terwijl hij het geld deels aan gokken besteedde.

De verdediging voerde aan dat het slachtoffer de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien, mede door waarschuwingen van familie en politie, en dat er onvoldoende bewijs was voor oplichting in de eerste periode. Ook werden vormverzuimen in het opsporingsonderzoek aangevoerd, waaronder onzorgvuldig onderzoek bij Defensie, onrechtmatige opsporingsmethoden en beïnvloeding van getuigen.

De advocaat-generaal concludeerde dat het samenweefsel van verdichtsels en de valse hoedanigheid van de verdachte bewezen zijn, en dat het slachtoffer door de concrete leugens en druk tot betaling is bewogen. Vormverzuimen zijn niet onherstelbaar gebleken en leiden niet tot niet-ontvankelijkheid. Het hof heeft het onderzoek heropend voor nader verhoor van getuigen en slachtoffer.

De verdediging betoogde dat het bewijs onvoldoende is en dat het slachtoffer bewust bleef lenen ondanks twijfels, waardoor geen sprake is van oplichting. De advocaat-generaal wees dit af en benadrukte de specifieke en ernstige vorm van bedrieglijk handelen. Het hof heeft het onderzoek geschorst en zal het nader behandelen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor oplichting met vermindering van de strafduur en het aantal gijzeldagen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03024
Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte
1. De verdachte is bij arrest van 2 augustus 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens ‘oplichting, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. [1] Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Barensen, advocaat in Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Voordat ik de middelen bespreek geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsvoering en een deel van het gevoerde pleidooi weer.
Bewezenverklaring, bewijsvoering, pleidooi
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot 16 juli 2018 op diverse locaties in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] meermalen heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid telkens
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij verwikkeld is in procedures tegen Defensie/de Staat der Nederlanden en haar gevraagd geldbedragen te verschaffen om de noodzakelijke proces- en advocaatkosten te kunnen betalen, en
- meerdere overeenkomsten van lening opgemaakt inhoudende dat hij, verdachte, de geldbedragen op afgesproken data aan die [slachtoffer] zal terugbetalen, en
- door zijn houding en wijze van optreden bij die [slachtoffer] het vertrouwen en de indruk gewekt dat de geldbedragen terugbetaald zouden worden, en
- die [slachtoffer] , na het verstrijken van de termijn voor terugbetaling, (telkens) uiteenlopende leugens en uitvluchten verteld aangaande een lopende procedure en (valse) beloften/toezeggingen gedaan aangaande de terugbetalingen van de uitgeleende gelden, inclusief rente of giften, en
- gezegd dat zijn claim tegen de Staat erkend is en dat het geld klaar ligt en binnenkort uitgekeerd zal worden, maar dat hij - onder meer ten behoeve van de afwikkeling van de zaak en om verdere vertraging te voorkomen - nieuwe geldleningen nodig heeft (terwijl hij de door [slachtoffer] verstrekte geldbedragen vervolgens onder meer heeft uitgegeven in het casino),
waardoor die [slachtoffer] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.’
5. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen (met overneming van voetnoten):

Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling heeft ontbroken en dat [slachtoffer] had moeten onderkennen dat er een kans bestond dat zij het door haar uitgeleende geld niet terug zou krijgen. In dat verband heeft hij gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer] sinds 2016 meermalen is gewaarschuwd door familie, vrienden en de politie om geen geld meer uit te lenen aan de verdachte en hier desondanks mee door is gegaan. Ook wist [slachtoffer] dat de verdachte het geld niet alleen gebruikte voor juridische kosten, maar ook om te voorzien in zijn levensonderhoud. De verdachte heeft altijd de intentie gehad om het geleende geld weer terug te betalen en heeft daarbij hoop blijven houden op een positieve uitkomst van de juridische procedures die hij voerde tegen Defensie. Los daarvan is er voor de periode tot 1 januari 2017 onvoldoende bewijs van de ten laste gelegde oplichting.
De advocaat-generaal heeft gesteld dat de ten laste gelegde oplichting bewezen kan worden. De oplichtingsmiddelen bestonden uit een samenweefsel van verdichtsels en uit het aannemen van een valse hoedanigheid. De verdachte heeft [slachtoffer] op meerdere momenten onwaarheden over de lopende procedures verteld en deed loze toezeggingen over de terugbetaling van de lening. De verdachte heeft van meet af aan onder valse voorwendselen geld afhandig gemaakt van [slachtoffer] . De geldleningen zouden noodzakelijk zijn voor de bekostiging van de procedure tegen Defensie, maar de verdachte wist dat hij deze leningen niet conform afspraak zou kunnen terugbetalen. Hij wendde de gelden grotendeels aan voor andere dan de aan [slachtoffer] opgegeven doeleinden, zoals gokken. De gedachtestreepjes 1 tot en met 3 in de tenlastelegging betreffen weliswaar mededelingen die waar zijn, maar door de (half-)ware mededelingen te mengen met onwaarheden heeft de verdachte een schijn van waarheid gecreëerd en [slachtoffer] bewogen tot afgifte van de gelden. Dat alles maakt onderdeel uit van het samenweefsel van verdichtsels en de valse hoedanigheid die de verdachte aannam.
Algemene overweging
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van oplichting vereist is dat een verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels als oplichtingsmiddel gaat het in de kern om uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van belang daarbij is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer is bewogen is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
De verdachte en [slachtoffer] zijn in het voorjaar van 2014 met elkaar in contact gekomen. [2] Voor de eerste door [slachtoffer] uitgeleende gelden heeft de verdachte leningovereenkomsten opgesteld. Deze overeenkomsten bestrijken de periode vanaf 22 mei 2014 tot en met eind 2016. In deze overeenkomsten staan telkens het geleende bedrag en de uiterlijke termijn voor terugbetaling genoemd. Als omschrijving is opgenomen dat de lening ‘
noodzakelijk is als gevolg van het conflict van [verdachte] tegen de Staat der Nederlanden’. Voorts is in de overeenkomsten een geheimhoudingsplicht opgenomen. De datum voor de volledige afwikkeling wordt steeds verschoven, waarbij dan veelal wordt vermeld dat geen nader uitstel mogelijk is. [3] [slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat zij de verdachte geld leende, zodat hij de procedure tegen Defensie kon bekostigen en dat zij ook weleens geld aan hem heeft overgemaakt voor onder andere de kosten voor zijn gebit en een nieuw bed. Voorts heeft zij verklaard dat hij vanaf het begin van hun contact heeft verteld over zijn hoge functie bij Defensie en dat zij daar niets over aan anderen mocht vertellen. Zij moest absolute geheimhouding betrachten. De verdachte liet daarbij namen vallen van allerlei betrokken hooggeplaatste functionarissen en leden van de regering. [4] [slachtoffer] leende het geld dus uit aan de verdachte, in de veronderstelling dat hij daarmee de juridische procedures ging bekostigen. Zij wist dat de verdachte geen andere bron van inkomsten had en dat hij een gedeelte van het geld gebruikte voor zijn levensonderhoud. Zij heeft verklaard dat zij bij het uitlenen steeds uitging van de stellingen van de verdachte dat er binnen zeer korte termijn geld zou komen van Defensie, waarmee de leningen zouden worden terugbetaald, en dat deze betalingen door Defensie al aan de verdachte waren toegezegd. [slachtoffer] heeft in totaal ruim € 510.000,00 overgemaakt aan de verdachte. [5]
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [slachtoffer] op de hierna te noemen onderdelen. De verdachte heeft [slachtoffer] bewogen tot afgifte van het geld door middel van een samenweefsel van verdichtsels. De oplichting van [slachtoffer] is gelegen in de wending die de verdachte aan zijn conflict met Defensie heeft gegeven, bestaande uit de veelvuldige concrete leugens die de verdachte aan [slachtoffer] heeft verteld bij zijn verzoeken om geld over te maken, zowel over de concrete noodzaak van de lening als over de termijn en zekerheid van terugbetaling. De verdachte voerde bij zijn verzoeken herhaaldelijk aanzienlijke druk uit op [slachtoffer] door haar voor te houden dat hij nog een laatste geldbedrag nodig had en dat vervolgens de afwikkeling dan wel terugbetaling op een genoemde datum zou volgen. Ook hield hij haar meermalen voor dat de terugbetaling vertraging zou oplopen dan wel niet kon plaatsvinden als hij dat laatste geldbedrag niet van haar ontving. Gebleken is dat de verdachte dan vervolgens, vlak na de overboekingen, het geld heeft uitgegeven aan een ander doel dan waarvoor hij tegen [slachtoffer] had gezegd het nodig te hebben, zoals gokactiviteiten. De verdachte heeft zijn strijd tegen Defensie telkens op onjuiste en leugenachtige wijze aangewend om geld los te krijgen bij [slachtoffer] . Veelal hield hij haar in strijd met de waarheid voor dat de geldbedragen noodzakelijk waren voor advocaat- en proceskosten. De door de verdachte genoemde data waarop de terugbetaling steeds definitief zou plaatsvinden ontbeerden elk fundament en waren uit de lucht gegrepen. De verdachte had nooit dergelijke toezeggingen omtrent de uitbetaling kunnen doen, vanwege de onzekerheid van de uitkomst van de juridische procedures en de omstandigheid dat in bepaalde periodes in het geheel geen procedure liep. Door [slachtoffer] echter telkens en op indringende wijze data voor te houden en daarbij de voornoemde (gelogen) urgentie ten behoeve van de terugbetaling op te voeren, heeft hij haar bewogen tot het doen van de overboekingen.
Samenweefsel van verdichtsels
Het samenweefsel van verdichtsels blijkt voorts uit het navolgende.
Op 30 november 2015 vroeg de verdachte aan [slachtoffer] of zij nog € 4.100,00 zou willen overmaken. Hij zei daarbij dat binnen veertien dagen alles geregeld zou zijn en dat de totale lening zal worden terugbetaald, en dat daar niets meer tussen kon komen. [slachtoffer] heeft het geld vervolgens op 1 december 2015 overgemaakt aan de verdachte. [6] Op 18 januari 2016 belde de verdachte met [slachtoffer] , waarna hij haar een omschrijving voor het over te maken bedrag appte:
“Omschrijving: hulp conform overeenkomst 2014. En het is 1000000000 % zeker. 1 februari a.s."Vervolgens maakte [slachtoffer] € 12.800,00 over aan de verdachte. [7] Op 10 februari 2016 appte de verdachte aan [slachtoffer] :
"Ik heb er veel spijt van dat ik het van die 7 niet heb durven vertellen. Nu heb ik alles verteld. Jouw lijden is niet voor niets geweest gelet op de hoogte van de vergoeding zwart op wit. Dinsdag wil ik alles geregeld hebben. Wel weegt die 7 heel zwaar. Immers ik moet vooraf alle rijen gesloten hebben. In dat kader heb ik vannacht nog eenmaal een beroep op je gedaan."[slachtoffer] heeft vervolgens € 7.000,00 overgemaakt met als omschrijving: ’i.v. met afwikkeling 1602. [8] Op 17 maart 2016 appte de verdachte:
“Ik heb nog 4500 nodig. Ik moet jou redden. Mezelf cijfer ik weg."[slachtoffer] heeft dit bedrag vervolgens overgemaakt met in de omschrijving eveneens
de afwikkeling van de convenant uit 2014. Nadat dit bedrag was bijgeschreven, vonden er onder andere betalingen plaats bij een geldautomaat in het casino in Maastricht. [9] Op 3 mei 2016 appte de verdachte:
“Zonder hulp van 8600 red ik het niet tussen 16/5 en 19/5 en moet ik wachten tot na het vonnis van 26/6.”[slachtoffer] heeft dit bedrag vervolgens overgemaakt onder vermelding van de omschrijving
afwikkeling. Hierna heeft de verdachte weer diverse betalingen in een casino in Valkenburg gedaan. Ook zijn grote bedragen contant opgenomen. [10] Op 10 mei 2016 appte de verdachte dat hij niet het risico wil nemen bij de bank geld te lenen, maar dat hij baalt van de gemiste kans. Vervolgens vond een telefoongesprek plaats tussen de verdachte en [slachtoffer] en appte de verdachte haar dat de omschrijving ‘afwikkeling convenant 2014' moet zijn. [slachtoffer] heeft hierop € 9.000,00 overgemaakt. De verdachte gaf vervolgens een deel van dit geld uit bij een betaalautomaat in een casino in Valkenburg. [11] Ook op 24 mei 2016 maakte [slachtoffer] een bedrag over, te weten € 20.000,00 onder vermelding
'cfm convenant mei 2014' en vervolgens vonden er diverse betalingen plaats bij een casino in Valkenburg en een casino in Kerkrade. [12] Op 15 juli 2016 vroeg de verdachte om € 5.850,00 en schreef dat als omschrijving
‘convenant 2014 en uitspraak'dient te worden vermeld. Vervolgens vonden er diverse betalingen bij een casino in Valkenburg plaats. [13] Hetzelfde gebeurde op 20 juli 2016 waarbij de verdachte (leugenachtig) meldde dat hij op dat moment niet kon bellen omdat hij bij de notaris zat. [14] Op 1 augustus 2016 schreef de verdachte:
“Heel veel dank. Bij deze bevestig ik dat de afwikkeling van onze convenant eindelijk kan plaatsvinden in de week van 15 − 19 augustus a.s."[slachtoffer] heeft een bedrag van € 17.000,00 overgemaakt met als omschrijving
ivm afwikkeling week 1/18 convenant 2014en vervolgens vonden er diverse betalingen door de verdachte plaats in het casino in Valkenburg en Kerkrade. [15] Op 19 augustus 2016 appte de verdachte aan [slachtoffer] :
“Ik kan het nog niet afwikkelen omdat ik verraden ben door een zeer naaste. Alles staat volgende week klaar voor uitbetaling. Ik moet vanmiddag € 8.000,00 afrekenen anders gaat alles vertraagd worden door een Judas!!! Alles staat klaar."[slachtoffer] heeft dit bedrag vervolgens overgemaakt met als omschrijving ‘laatste afwikkeling convenant 2014’. Nadat het bedrag was bijgeschreven vonden diverse betalingen plaats bij het casino in Valkenburg en zijn grote bedragen contant opgenomen. [16] Op 26 augustus 2018 schreef de verdachte:
“Ik heb Vader Jezus gesmeekt om die 9000 zodat er rust ontstaat voor iedereen en alles in september alsnog voor iedereen wordt opgelost."[slachtoffer] heeft vervolgens weer een bedrag overgemaakt. [17]
Op 24 januari 2017 deelde de verdachte telefonisch en via Whatsapp aan [slachtoffer] mee:
“Afwikkeling is klaar. Ik moet nog een bedrag betalen voor de administratieve afhandeling. Ben jij bereid zonder verwijten en puur vooruitkijkend naar de afwikkeling mij te helpen met de laatste € 3.700,00 zodat ik 100 % maandag kan aflossen? Zo ja, dan is het maandag D-day en bespaart me/ons een hoop zorgen en onrust. Zo nee, dan kan ik morgen weer aan de bak. Maar ok duidelijk. Laat maar dan."[slachtoffer] vraagt hierop om absolute zekerheid. De verdachte schreef vervolgens:
"Die heb je al!!! Ik laat je NIET zitten. Het is klaar en over. Iedereen in mijn kamp weet dat. Ja echt absolute zekerheid! maar wel met de juiste omschrijving ivm maandag as !!!"[slachtoffer] maakte vervolgens het bedrag over en na de bijschrijving vonden er door de verdachte diverse betalingen plaats in het casino in Valkenburg. [18] Op 6 maart 2017 zei de verdachte telefonisch tegen [slachtoffer] dat hij € 3.000,00 nodig heeft, dat hij bij zijn advocaten in een overleg zit (terwijl zo’n overleg op die dag niet heeft plaatsgevonden) en hij vroeg [slachtoffer] of zij kans ziet om dat bedrag direct op zijn rekening te zetten, zodat hij aan de advocaat kan laten zien dat hij die € 3.000,00 heeft’. Hij appte vervolgens:
“Als je het kan afronden op 3750 dan heel graag. Ik ben nu binnen en wacht af. Wordt morgen verrekend.’’Nadat [slachtoffer] het bedrag had overgemaakt, deed de verdachte een betaling in het casino in Valkenburg en nam hij € 2.000,00 contant op. [19] Op 8 maart 2017 zei de verdachte dat hij ‘9 tekort komt voor de Raad voor Rechtsbijstand'. Vervolgens appte hij [slachtoffer] :
''Eerst wil je bellen en nu app je me erover. Laat maar. Met de finish in zicht weet ik ook niet waar ik nog 9 vandaan haal. Ik heb gisteren weer alles op zijn kop gezet. Ik moet die 9 zien te realiseren, al weet ik niet hoe. Maar laat maar. Ik heb geen zin in ruzie. Ok dan. Laatste ronde en zoals afgesproken: uiterlijk de 15e a.s. algehele afwikkeling en beëindiging van onze overeenkomst. De cijfers kloppen volledig. Omschrijving: afwikkeling 15/3/17."[slachtoffer] heeft dit bedrag vervolgens overgemaakt met deze omschrijving. Vervolgens vonden weer vanaf de bankrekening van de verdachte betalingen plaats in het casino in Valkenburg, contante geldopnames en andere overboekingen die niet zagen op de Raad voor Rechtsbijstand. [20] Op 5 april 2017 zei de verdachte dat de zaak stil ligt vanwege aangekondigd beslag door de Belastingdienst en dat hij mails heeft gekregen van
dienstwapenmet het bericht dat hij nog een week moet wachten. Wapendienst, zijn vakbroeders, gaan hem helpen en hij wil niet meer een week wachten op dat geld. Hij zei dat het gaat om een bedrag van € 16.563,00 dat hij nodig heeft om volgende week af te ronden. [slachtoffer] heeft dit bedrag overgemaakt met de omschrijving ‘definitieve afwikkeling’. Na de bijschrijving heeft de verdachte grote hoeveelheden contant geld opgenomen, deed hij betalingen bij het casino in Kerkrade en in Valkenburg en nog wat andere overboekingen. [21] Op 25 april 2017 zei de verdachte dat hij 11.000 nodig heeft om de Raad voor Rechtsbijstand terug te betalen en dat hij dat niet heeft. Hij schrijft:
“Ben nu weer binnen. Ik ga er hard in nu. Anders was het direct al klaar. Ik weet hoe het zit en dat het maandag echt voorbij is. Ik ben niet gek en deug wel. Het is aan jou. We zijn er samen mee gebaat."[slachtoffer] maakte dit bedrag vervolgens over en de verdachte deed meerdere overboekingen die niet te maken hebben met de Raad voor Rechtsbijstand. [22]
Op 1 mei 2017 zei de verdachte dat het geld morgenochtend op zijn rekening zal worden gezet en dat hij het meteen door zal storten aan [slachtoffer] . De volgende dag schreef hij dat er die avond pas actie zichtbaar zal zijn in verband met de Dag van de arbeid. De volgende dag appte [slachtoffer] dat ze naar de dokter gaat en dat het niet meer gaat en dat ze rustpillen moet hebben. De verdachte schrijft in reactie hierop:
"Aha...dus toch uit de school klappen en geheimhouding schenden. Leuk hoor met de finish in zicht. Nu maak ik me grote zorgen door deze toon.”Vervolgens zei de verdachte telefonisch dat ‘het nu ieder moment moet gaan gebeuren’. Op 5 mei 2017 schreef de verdachte:
"Ben kapot maar trots dat ik jouw deel ben nagekomen. Ik moest 22.700 aan Raad voor Rechtsbijstand inleveren. Helft (11.350) van jou geleend. Andere helft zou geregeld worden, maar die helft komt pas medio mei. Zo laks is alles. Omdat ik die andere helft niet had, heb ik nu MOETEN kiezen. Alles overhoop tenzij er dit weekend nog een wonder gebeurt. Op die andere helft heb ik het niet gered. Kapot van binnen."[slachtoffer] heeft daarop dit bedrag overgemaakt en weer heeft de verdachte allerlei overboekingen gedaan die geen verband hielden met de Raad voor Rechtsbijstand. [23] Op 10 mei 2017 zei de verdachte telefonisch tegen [slachtoffer] dat hij een grote fout heeft gemaakt en dat hij die volgende dag de tweede € 11.350,00 die hij van [slachtoffer] heeft gekregen, naar zich terug moet laten boeken en dat hij daarvan € 6.200,00 moet betalen om de zaak definitief af te kunnen ronden. In aanvulling daarop zei hij dat hij niet verwacht dat de terugboeking nog op tijd zal plaatsvinden, omdat “ze” altijd laks zijn geweest en dat hij daardoor gewoon een half jaar kan wachten. Hij appte [slachtoffer] na:
"Stel dat je me vandaag wel had kunnen/willen helpen met die 6200 dan had ik je 3 x teruggegeven en mijn hele leven nog meer dankbaar gebleven. Maandag had ik het rechtgezet. Ik kom na wat ik zeg: dat kan niet anders meer. Dus twijfel daar nooit aan.”Toen [slachtoffer] zei dat ze het niet meer aandurft en het niet meer heeft, appte de verdachte:
"Ik ben volledig te vertrouwen hoor. Had anders ook geen eervol ontslag (door de Koning!) gekregen. Maar ok. Heel jammer.”[slachtoffer] heeft het gevraagde bedrag vervolgens overgemaakt, waarna verschillende mutaties plaatsvonden op de bankrekening van de verdachte, waaronder grote contante geldopnames en een aantal betalingen bij een betaalautomaat in een casino. [24] Op 22 mei 2017 zei de verdachte telefonisch tegen [slachtoffer] 'dat hij een miljoen gaat krijgen en dat hij haar de helft daarvan gaat geven, maar dat hij te maken heeft met de wet ongebruikelijke transacties'. [25]
Op 27 mei 2017 hield de verdachte [slachtoffer] wederom een datum voor waarop de afwikkeling en terugbetaling definitief plaats zou vinden, namelijk 1 juni 2017. Hij zei dat hij de belastingclaim voor haar deel heeft afgekocht, zodat zij daar geen last van heeft, maar dat hij nog wel het verschil moet ophoesten. Het zou gaan om 46.000 en de verdachte geeft aan dat hij 36.200 heeft betaald. Dat verschil moet betaald worden, zodat alles op groen staat voor 1/6. Nadat [slachtoffer] dit bedrag over heeft gemaakt, vinden er weer betalingen plaats in het casino en geen betaling ten behoeve van een belastingclaim. [26] Op 4 juli 2017 zei de verdachte tegen [slachtoffer] dat alles klaar ligt, maar dat hij die volgende avond een bedrag betaald moet hebben en dat er anders beslag wordt gelegd en dat ze dan 3-4 maanden verder zijn. [slachtoffer] maakte vervolgens € 11.600,00 over, waarna de verdachte onder andere betalingen in een casino in Rotterdam heeft verricht. [27] Op 1 augustus 2017 appte de verdachte aan [slachtoffer] dat het een wonder zou zijn als ze hem die avond nog zou kunnen helpen, zodat ze samen de eindstreep halen en hij de volgende dag de boel kan afwikkelen. Hij hoeft dan niets meer overhoop te gooien. Hij appte dat hij 'met 8000 toch nog gered is voor morgen'. Nog geen kwartier later belde hij [slachtoffer] en zei hij dat tussen diezelfde avond en 10.00 uur de volgende ochtend 12.400 boven tafel moet zien te krijgen en dat het dan allemaal gewoon doorgaat en het gewoon diezelfde week uitbetalen is. [slachtoffer] maakte vervolgens € 8.000,00 over. Vervolgens vonden er weer contante geldopnames plaats. [28] Op 24 augustus 2017 zei de verdachte tegen [slachtoffer] dat de rechter des duivels is waarom het in godsnaam zo lang heeft geduurd en hoe groot de schade wel niet is. Hij zei dat hij zijn advocaten er weer op heeft gezet, maar dat hij weer 7 duizend kan betalen. [slachtoffer] heeft dit bedrag overgemaakt, waarna de verdachte diverse betalingen heeft verricht die niet zien op procedurele of advocaatkosten. [29] Op 5 oktober 2017 vroeg de verdachte aan [slachtoffer] € 5.000,00 om instanties en bureaucratie af te kopen. Hij zei dat hij ook de Raad voor Rechtsbijstand een groot bedrag moest terugbetalen. [slachtoffer] maakte dit bedrag over en de verdachte nam het grootste deel contant op. Van een betaling aan de Raad voor Rechtsbijstand is niet gebleken. [30] In een telefoongesprek op 28 december 2017 met [slachtoffer] zei de verdachte dat hij [slachtoffer] voor de 18e voor eens en voor altijd uit deze hel zal verlossen. [31]
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [slachtoffer] verklaard dat de handelwijze van de verdachte van meet af aan ‘altijd zo ging en dat hij altijd heel overtuigend en met doordringende stem sprak’, waaruit het hof begrijpt dat de verdachte vanaf het begin op deze manier te werk ging, namelijk door te vertellen waarvoor hij het geld nodig had en het door concrete toezeggingen over terugbetalingen te doen te zorgen dat zij toch maar weer ging betalen, omdat zij vreesde dat zij anders helemaal niet zou worden terugbetaald. [32]
Uit het vorenstaande blijkt dat de verdachte herhaaldelijk en indringend evident leugenachtige redenen aanvoerde waarom hij het geld nodig had en dat hij het geld snel nodig had. Daarbij voerde de verdachte telkens druk uit op [slachtoffer] door haar voor te houden dat de terugbetaling niet plaats zou vinden als zij hem niet zou helpen met dit laatste bedrag. Ook voerde hij regelmatig emotionele druk op haar uit. Door deze opeenstapeling van leugens zag [slachtoffer] geen andere uitweg dan te betalen en heeft de verdachte haar bewogen de geldbedragen over te maken.
De doorzienbaarheid van de onjuiste voorstelling van zaken
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van oplichting zoals bedoeld in artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat [slachtoffer] had moeten doorzien dat er een reële kans bestond dat de verdachte haar het geld niet zou kunnen terugbetalen. Zij is in ieder geval sinds 2016 veelvuldig gewaarschuwd door vrienden, familie en de politie om geen geld meer uit te lenen aan de verdachte, maar is desondanks daarmee doorgegaan. Voorts is aangevoerd dat geen sprake is van oplichting nu [slachtoffer] weliswaar gedurende een lange tijd geld heeft ‘uitgeleend’ aan de verdachte, maar niet kan worden gezegd dat zij een ‘onwetend, nietsvermoedend slachtoffer’ was. [slachtoffer] had de verhalen van de verdachte kunnen en moeten doorzien. De verdediging heeft dit verweer uitgesplitst in drie perioden:
- De eerste tenlastegelegde periode, tot 1 januari 2017 voor deze periode zou onvoldoende bewijs van oplichting in het dossier bestaan.
- De periode van daarna, tot aan de aangifte door [slachtoffer] in februari 2018, waarin geen sprake zou zijn van oplichting, omdat [slachtoffer] al sinds september 2016 twijfels had.
- De laatste periode van de tenlastelegging, vanaf de aangifte van oplichting door [slachtoffer] .
Het hof verwerpt dit verweer. De betalingen door [slachtoffer] aan de verdachte vonden plaats als rechtstreeks gevolg van de leugens en halve waarheden die de verdachte aan haar vertelde. [slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep herhaaldelijk verklaard dat zij door de handelwijze en de indringendheid waarmee de verdachte haar voortdurend benaderde ‘in zijn macht, in de klem is komen te zitten’ waaruit zij geen andere uitweg zag dan door het geld te blijven overmaken. Van belang is in dit verband dat de verdachte het geld heeft besteed aan (overwegend) andere doelen dan de doelen die hij [slachtoffer] heeft voorgehouden.
Voor het overige berusten de verweren van de verdediging deels op een onjuiste schets van de feitelijke omstandigheden. Zo staat vast dat [slachtoffer] niet slechts geld heeft verstrekt aan de verdachte in de veronderstelling dat zij het geld uitleende en weer terug zou ontvangen. Het ging immers niet om ‘leningen’ die niet werden terugbetaald door de verdachte, maar van concrete leugens op basis waarvan hij [slachtoffer] geld afhandig maakte: steeds hield de verdachte [slachtoffer] voor dat het geld (dat hij tegoed zou hebben van Defensie en dat hij zou benutten om [slachtoffer] terug te betalen) binnen heel korte termijn zou worden uitbetaald. [slachtoffer] heeft als getuige ter terechtzitting van het hof verklaard dat de opgenomen telefoongesprekken (die zijn uitgewerkt in het dossier en welke uitwerking door het hof als bewijsmiddel wordt gebezigd) ook de gang van zaken vóór de periode waarin zij gesprekken opnam weergeven; zij verklaarde ‘dat het altijd zo ging'. [33]
Naar vaste rechtspraak kunnen niet alle vormen van bedrieglijk handelen worden aangemerkt als oplichting. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is niet aan de orde wanneer het slachtoffer − gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken − de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
De stelling van de verdediging dat [slachtoffer] niet is opgelicht, omdat ‘een kind van tien’ had kunnen doorzien dat het geld niet zou worden terugbetaald, dient dan ook te worden onderzocht. In dit verband is van belang of de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid [slachtoffer] aanleiding had moeten geven een onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen dan wel zich daardoor niet te laten bedriegen. Hier geldt dat [slachtoffer] niet is bewogen tot het afgeven van geldbedragen door een algemene belofte dat zij zou worden terugbetaald, maar door concrete en herhaalde leugens die door de verdachte op een zeer indringende manier aan haar werden verteld. Dit betekent dat minder snel kan worden aangenomen dat van het slachtoffer meer omzichtigheid had kunnen worden gevergd, nu juist de verdachte door de opeenstapeling van de concrete leugens en de manier waarop hij [slachtoffer] benaderde er alles aan deed om de bij [slachtoffer] opkomende twijfels weg te nemen. De verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan een specifieke en voldoende ernstige manier van bedrieglijk handelen.
De omzichtigheid die van [slachtoffer] mocht worden verwacht dient voorts te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder haar eigen gedragingen en kennis van zaken. Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat [slachtoffer] de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Daarbij is ook van ook belang dat − uitgaande van de feitelijke vaststelling dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een opeenstapeling van leugens − de verdachte [slachtoffer] doelbewust heeft afgesneden van hulp door familie of vrienden, door telkens aan te dringen op geheimhouding van de ‘leningen’. De stelling van de verdediging dat de geheimhouding niet zag op het verstrekken van geld, maar op de omstandigheden die tot de claim op Defensie aanleiding gaven, wordt weersproken door de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken. [34] Tenslotte is nog de persoonlijkheid van [slachtoffer] van belang. Zij was (en is) een alleenstaande weduwe op leeftijd, die de (financiële) zaken tijdens haar huwelijk altijd had overgelaten aan haar echtgenoot. Zij is omschreven als een enigszins naïeve vrouw, die graag mensen wilde helpen.
Het hof verwerpt derhalve de gevoerde verweren, en komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde oplichting. Opmerking verdient daarbij dat als oplichting wordt aangemerkt alle bedragen die als gevolg van voornoemde modus operandi van de verdachte door [slachtoffer] zijn overgeboekt. Het hof acht oplichting ten aanzien van die bedragen bewezen. Bedragen die [slachtoffer] bijvoorbeeld blijkens de omschrijving vrijwillig en op eigen initiatief (onder andere als kerstcadeau) heeft overgemaakt, vallen daar niet onder. Dat geldt ook voor bedragen, die de verdachte voor zijn levensonderhoud heeft aangewend. [slachtoffer] wist immers dat hij geen andere inkomsten had en van haar overmakingen dus ook kosten van zijn levensonderhoud betaalde.’
6. Het hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft gesteld dat onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek zijn begaan. Er is in het onderzoek door de politie niet uitgegaan van de onschuld van de verdachte, en de belangen van de verdachte zijn doelbewust geschaad. Daardoor is ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, ten gevolge waarvan de verdachte geen eerlijk proces heeft gekregen in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit moet primair leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting van de door onrechtmatige opsporingsmethoden verkregen bewijsmiddelen of meer subsidiair tot strafvermindering.
Deze vormverzuimen zijn door de verdediging als volgt gespecificeerd:
i) Het onderzoek ten aanzien van de lopende gerechtelijke procedures bij het Ministerie van Defensie is onzorgvuldig, omdat daarover een onjuist proces-verbaal is opgemaakt en er in het vervolg ten onrechte vanuit is gegaan dat de verdachte geen dienstverband had en dat er geen gerechtelijke procedures waren;
ii) Er zijn onrechtmatig opsporingsmethoden ingezet, aangezien niet aan de wettelijke vereisten voor het toepassen van die middelen was voldaan, zoals de tap en de doorzoeking;
iii) Er zijn getuigen door de politie beïnvloed om aangifte te doen. Zij hebben onjuiste informatie gekregen van de politie ten aanzien van de lopende gerechtelijke procedures. Als gevolg daarvan zijn ten onrechte ernstige bezwaren aangenomen en heeft de verdachte lange tijd ten onrechte in voorarrest doorgebracht.
Het hof stelt voorop dat indien tijdens het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Die factoren zijn het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Ten aanzien van de laatst genoemde factor geldt dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een dergelijk nadeel oplevert.
Ad i.
Het hof overweegt ten aanzien van de onder i en iii genoemde punten als volgt. De verdediging heeft gesteld dat de politie ten onrechte heeft aangenomen dat er geen gerechtelijke procedure tussen het ministerie van Defensie en de verdachte aanhangig was. In het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2018 is gerelateerd dat bij het Ministerie van Defensie geen informatie bekend was omtrent juridische procedures tussen de verdachte en Defensie. Gebleken is echter dat er rond 1997 een bestuursrechtelijke procedure was, dat er rond 2006 een civielrechtelijke procedure liep en dat er in 2016 een kort gedingprocedure is gevoerd. De inleidende dagvaarding van de volgende civielrechtelijke procedure dateert van 5 november 2018. Ten tijde van het opmaken van dit proces-verbaal van 15 maart 2018 door de verbalisant was dus geen procedure aanhangig. De informatie die is weergegeven in voornoemd proces-verbaal is dan ook niet onjuist, noch had deze de politie op voorhand aanleiding dienen te geven tot een nader onderzoek ter zake. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de politie ervan op de hoogte was of had moeten zijn dat er nog andere procedures zouden komen. Daar komt nog bij dat de onvolledigheid van de informatie in een vroeg stadium is hersteld. In het bevel gevangenhouding van 25 juli 2018 heeft de rechtbank overwogen dat zij aanneemt dat er een conflict is tussen de verdachte en Defensie en dat de verdachte een civiele zaak tegen Defensie wil aanspannen, maar dat dit onverlet laat dat er op basis van het dossier ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan. Hieruit volgt dat er in een vroeg stadium al vanuit werd gegaan dat er een conflict was tussen de verdachte en Defensie. Gelet op het voorgaande heeft het standpunt dat het gehele opsporingsonderzoek een onjuiste insteek heeft gehad en dat de politie met oogkleppen op heeft gerechercheerd dan ook geen feitelijke grondslag.
Ad ii.
Het verweer ten aanzien van de inzet van de opsporingsmethoden is onvoldoende onderbouwd. Opmerking verdient nog dat in het proces-verbaal van verdenking niet wordt gerept over het al dan niet bestaan van procedures tussen de verdachte en Defensie. Aangenomen kan worden dat enkel de andere feiten en omstandigheden (de aangifte en getuigenverklaringen) aanleiding zijn geweest voor de inzet van de opsporingsmethoden. Voorts heeft de raadsman niets gesteld over het nadeel dat door het vormverzuim concreet is veroorzaakt, reden waarom het verweer ook om die reden strandt.
Ad iii.
Niet is gebleken dat de politie de getuigen doelbewust onjuiste informatie heeft voorgehouden of heeft beïnvloed. Dat de getuigen door de politie zijn gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen, maakt dit niet anders. Uit het voorgaande blijkt eveneens dat deze onvolledige informatie niet ten grondslag heeft gelegen aan de voortduring van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Resumerend is geen sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, zodat de verweren worden verworpen.’
7. Op 13 maart 2020 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Op die zitting is ook het slachtoffer als getuige gehoord. Vervolgens heeft op 3 februari 2021 een onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden waar de zaak inhoudelijk is behandeld en de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van overlegde pleitnotities. Deze houden onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):

2. Vormverzuimen / Ontvankelijkheid
2.1. De recherche heeft zoals gezegd vanaf het eerste moment met oogkleppen op gerechercheerd.
2.2. Het begon ermee dat is uitgegaan van een aangifte die in beginsel alleen informatie van horen zeggen bevatte. Twee nichten verklaren iets, en de politie tuigt op grond daarvan een fors onderzoek op. Hoewel degene om wie het gaat ( [slachtoffer] ) geen aangifte wil doen, wordt aangenomen dat het verhaal van de nichten zal kloppen. De vraag is: waarom? De vraag is ook waarom de politie niet met [verdachte] ging praten. Ik stelde in eerste aanleg al de vraag: waar waren ze bang voor? Dat hij zou stoppen met lenen?
2.3. Het gevolg van deze 'basishouding', waarbij [slachtoffer] meteen als zielige, misbruikte en berooide dame werd beschouwd, is dat er een trein ging rijden die niet meer te stoppen was. Vanwege het mededogen met haar kon het niet anders zijn dan dat [verdachte] een nietsontziende en meedogenloze oplichter was. Zo werkt dat nou eenmaal.
2.4. En in tegenstelling tot een moordzaak of een drugszaak, waarbij je mogelijk nog kunt twijfelen over de vraag "of hij het wel gedaan heeft", was het bewijs hier meteen present. Hij had het gedaan, dat was duidelijk te zien. En hij deed het nog steeds. Dat het verhaal er omheen verzonnen was, was evident.
2.5. Vervolgens zijn er dingen gebeurd die onomkeerbaar zijn, zoals het gebruik van bepaalde opsporingsmethoden, zoals het benaderen van getuigen (die ook waren opgelicht, maar die het zelf nog niet wisten) en zoals de toepassing van de voorlopige hechtenis.
2.6. Naar mijn overtuiging is in het onderzoek Subrosa sprake van onherstelbare vormverzuimen, begaan in het onderzoek voorafgaand aan de terechtzitting. De onschuldpresumptie heeft niet bestaan en de belangen van [verdachte] zijn doelbewust geschaad. Daardoor is ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het gevolg daarvan is dat [verdachte] nimmer een eerlijk proces heeft gekregen in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
2.7. (…).
2.8. De vormverzuimen waar het in deze zaak volgens de verdediging om gaat zijn de volgende:
i) er is onzorgvuldig onderzoek verricht bij het Ministerie van Defensie, waardoor de onjuiste premisse dat [verdachte] geen dienstverband had c.q. dat er geen procedures liepen (lopen), ten onrechte bleef bestaan; bovendien is hierover een onjuist pv opgemaakt;
ii) er zijn opsporingsmethoden ingezet die niet hadden kunnen worden ingezet omdat niet aan de wettelijke vereisten is voldaan;
iii) er zijn getuigen beïnvloed om aangifte te doen. Zij hebben onjuiste informatie van de politie gekregen. De uitwerking van de getuigenverhoren is onvolledig. Als gevolg daarvan zijn ten onrechte ernstige bezwaren aangenomen, als gevolg waarvan [verdachte] ten onrechte lange tijd in voorarrest heeft doorgebracht, hetgeen hem mentale schade heeft toegebracht.
2.9. (…)
Ad i) Onderzoek Defensie
2.10. In de vordering die aan Defensie werd gedaan op 7 maart 2018, werd door de politie gevraagd om het personeelsdossier van [verdachte] , inclusief een overzicht van de lopende juridische procedures. Vreemd genoeg deed men dit pas nadat er eerst een telefoontap aangesloten was geweest. De informatie werd verstrekt door een medewerker van de Infodesk. De politie ontving het personeelsdossier en men hoorde dat "over procedures niets bekend is".
2.11. Dit is voor [verdachte] een zeer belangrijk en gevoelig punt. [verdachte] meent dat er
opzettelijkonjuiste informatie over zijn dienstverband en zijn rechtszaken in het dossier terecht is gekomen.
2.12. Vaststaat dat [verdachte] bij Defensie heeft gewerkt, en vaststaat ook dat er diverse procedures tussen hem en Defensie lopen. Tegelijkertijd staat vast dat de politie dat niet zo heeft opgeschreven (…). Het OM wuift het weg, maar het is wat mij betreft evident dat de politie naar aanleiding van de vordering in maart 2018 onmiddellijk heeft aangenomen dat [verdachte] het hele Defensie-verhaal uit zijn duim had gezogen. Vanaf dat moment stond dat vast in het onderzoek, maar ten onrechte.
2.13. Echter: de door Defensie verstrekte informatie loopt tot aan 2004 (…). Dit had aanleiding moeten geven om door te vragen: in de tussenliggende 14 jaar kon de informatie immers zijn gewijzigd. Er werd echter niet doorgevraagd, omdat men hoorde wat men al dacht te gaan horen. Dat de informatie kennelijk is verstrekt door een medewerker van de Infodesk is voor [verdachte] opvallend. Welke Infodesk bedoelt men hier? Er is geen Infodesk die over dergelijke informatie beschikt. Hier is het fout gegaan, omdat er onzorgvuldig onderzoek is gedaan.
2.14. [verdachte] stelt daarbij dat de Infodesk deze informatie helemaal niet heeft. De vraag is: heeft de Infodesk de politie daarop gewezen?
2.15. Kennelijk is tussen maart 2018 en augustus 2018 echter weinig aandacht aan deze kwestie besteed. Het valt op dat AMB-030 waarin wordt verwezen naar de informatie die men
in maartvan Defensie had gekregen, op
31 juli 2018wordt opgemaakt. En pas daarna wordt Defensie opnieuw benaderd (…). [verdachte] zat toen al vast!
2.16. Ik vermoed dat dit te maken had met informatie die over de tap was gekomen waardoor de politie ineens weer ging twijfelen. Was er misschien toch iets waar van het Defensie-verhaal? Bij die tweede controle bij Defensie (…) kwam kennelijk aan het licht dat er wel degelijk (al sinds 1994) allerlei procedures liepen. Dus de kennis wás er wel, maar kwam pas boven water nadat [verdachte] was opgepakt. Het onderzoeksteam had het ook kunnen zien / hebben gezien toen men de woning van [verdachte] doorzocht in juli 2018. Die woning ligt immers, zoals ik in eerste aanleg al opmerkte, vol met dossiers die te relateren zijn aan het conflict tussen [verdachte] en Defensie. Deze werden echter helemaal niet meegenomen bij de doorzoeking(!).
2.17. Hoe dan ook: in maart is het fout gegaan en daardoor is het idee dat al bestond − " [verdachte] heeft het hele verhaal verzonnen" − vastgeroest in ieders hoofd, en getuigen zijn ermee 'besmet'. In mijn brief aan de AG stelde ik al: dit is de kurk waar de zaak op drijft.
2.18. Nou zou u kunnen denken: maar dit is toch later hersteld? Het onderzoek is toch alsnog gedaan? Dat klopt, maar het maakte helemaal niet uit. [verdachte] werd er niet anders door benaderd, en de getuigen ook niet.
2.19. Tot aan en in de voorlopige hechtenis is [verdachte] verweten dat hij het verhaal had verzonnen. Leest u de verhoren er maar op na. Dit stukje betreft het verhoor van [verdachte] van 4 oktober 2018, toen hij al maanden(!) vastzat:
(…)
V: Voor we gaan starten met de vragen willen we wat bespreken. Bij de vorige verhoren hebben we aangegeven dat we navraag hadden gedaan hè bij het Ministerie van Defensie en dat zij niets afwisten van een zaak die jij tegen ze had. Uh Na die verhoren hebben we dat nogmaals gedaan en toen bleek dat we niet alle informatie hadden gekregen. Uh We hebben nu de juiste contactpersoon en hebben aanvullende informatie ontvangen. Nou ja daaruit blijkt dat er dus wel een zaak is. Maar tijdens dit verhoor willen we het hebben over de verdenking tegen jou. We willen dus niet inhoudelijk ingaan op de zaak die jij tegen de staat dan wel het ministerie van defensie hebt. Enerzijds om niet af te dwalen van de vragen die wij graag beantwoord willen hebben en anderzijds om jou niet in een positie te brengen waarin je de geheimhouding schendt of je zaak schaadt. Hè de vorige keer gaf je aan dat je je geheimhouding niet wilde schenden dus in die positie willen we je zeker niet brengen.
(…)
2.20. Dit ging met [verdachte] zo, maar natuurlijk óók met andere personen die als getuige betrokken raakten. Bijna iedereen was al gehoord op 4 oktober 2018.
2.21. Diverse getuigen kregen te horen dat [verdachte] het verhaal had verzonnen. Het "verhaal" is bepalend geweest voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen. Ik verwijs u naar de stukken die in het dossier zitten en de stukken die ik u op 17 januari 2021 per mail toestuurde. Ook hieruit blijkt dat de politie tot aan juli 2018 aan getuigen heeft verteld dat er geen procedures liepen tussen [verdachte] en Defensie. Voorzitter, dat is bij [slachtoffer] en bij de nichten echt niet anders geweest.
2.22. Dit is de reden dat ik heb verzocht om hierover duidelijkheid te krijgen: wie (van de politie) heeft exact met wie (van Defensie) contact gehad? Welke informatie is er uitgewisseld? Waar ligt de oorzaak van de fout?
2.23. De AG heeft gesteld dat het niet van belang is gezien het tenlastegelegde. Maar het eerste gedachtestreepje suggereert echt iets anders. En de vordering inbewaringstelling suggereert ook iets anders.
2.24. Uw Hof wees het verzoek af om hierover een proces-verbaal door het OM c.q. de politie te laten opmaken, omdat ook Uw Hof het niet van belang vond voor enige ter zitting te nemen beslissing. Ik persisteer c.q. herhaal mijn verzoek. Het is duidelijk dát het daar is misgegaan in de informatievoorziening, en dát de politie daarover een onjuist proces-verbaal heeft opgemaakt (al dan niet bewust). Dat is wel degelijk van belang voor enige ter terechtzitting te nemen beslissing. Heeft Defensie de politie bewust verkeerd voorgelicht? Dat is noodzakelijk om te weten. Heeft de politie wel de nauwgezetheid betracht die van haar mag worden verlangd? Of kwam het de politie goed uit en paste het in haar tunnelvisie? Ook dat is noodzakelijk om te weten. Uw Hof kan een proces-verbaal dat in strijd met de waarheid is opgemaakt, niet negeren.
2.25. De verdediging durft de stelling wel aan dat áls in maart 2018 wél juist was opgeschreven dat er een langslepende procedure bestond (en bestaat) tussen [verdachte] en de Staat, het hele strafrechtelijke onderzoek een andere kleuring had gekregen. Wij hadden hier dan vandaag niet gestaan.
2.26. Met betrekking tot het gebrekkige onderzoek bij Defensie en het onjuiste pv geldt: het is geen onherstelbaar vormverzuim, maar op dit moment is het wel een vormverzuim dat niet is hersteld. Er is een pv opgemaakt waarvan de inhoud niet klopt. Dat staat wel vast. De informatie is daarna tijdenlang in het onderzoek gebruikt en leidend geweest. Vooralsnog blijft onopgehelderd hoe het kan zijn dat het onderzoek gebaseerd is op de vermeende "grote leugen", terwijl we weten dat in ieder geval binnen Defensie bekend was dat hiervan geen sprake was.
Ad ii) Opsporingsmethoden
2.27. Ik heb op de zitting in eerste aanleg en in mijn brief aan de AG het standpunt ingenomen dat het bewijs voor de feiten waarover wij het vandaag hebben, in feite in februari 2018 al grotendeels op tafel lag. Door er niet voor te kiezen om in te grijpen, maar in plaats daarvan maandenlang onderzoek te gaan doen, is de schade alleen maar groter geworden. In de fase nadat het onderzoek begon, is door [slachtoffer] nog ongeveer EUR 100.000,- uitgeleend aan [verdachte] . Waarom? Wat is het grote voordeel? Wat is de noodzaak? Waar is de belangenafweging?
2.28. Toch is besloten tot de inzet van telefoontaps, en toch is een doorzoeking gehouden. Er was echter geen sprake van de vereiste "ernstige inbreuk op de rechtsorde". Evenmin was sprake van een "dringende noodzaak" om te gaan tappen.
2.29. De wetgever heeft de criteria om te kunnen komen tot de inzet van bijvoorbeeld een telefoontap niet voor niets opgesteld. In de Kamerstukken die destijds in het kader van de wet Bob werden opgesteld, staat beschreven wat onder een "ernstige inbreuk" moet worden verstaan.
2.30. Een vermeende oplichting, gepleegd door één persoon tegenover een andere persoon, hoort daar niet bij. Dit levert géén ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Er is geen georganiseerd verband, er is geen openbare ordeverstoring, er is geen lichamelijk letsel, geen vernieling, en geen geschokte rechtsorde. Er is wel een uitspraak te vinden waarin het om oplichting ging en waarin wél werd geoordeeld dat sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Maar die zaak laat zich slecht vergelijken.
2.31. Ik verzoek Uw Hof om deze vraag te beantwoorden. Ik snap de automatische gedachtegang, maar ik meen echt dat dat hier onterecht is.
2.32. Dan de dringende noodzaak. In de eerste aanvraag voor een tap wordt aangegeven dat het van belang is om vast te stellen of de man die [slachtoffer] belt na de app-berichten, dezelfde man is als de man die voorkomt op de opgenomen telefoongesprekken.
2.33. Voorzitter, waarom zou dat niet zo zijn? [slachtoffer] weet dat zelf en verklaart dat zelf. Er is geen enkele aanwijzing dat [slachtoffer] dergelijke gesprekken met méér dan één persoon heeft. En waarom is het überhaupt "dringend noodzakelijk" voor mogelijke in het verleden gepleegde strafbare feiten dat onderzocht wordt wat [slachtoffer] en verdachte in het heden bespreken? [verdachte] heeft al jarenlang hetzelfde mobiele nummer, en de politie wist dat of kon dat weten omdat [slachtoffer] de politie haar mobiele telefoons had gegeven. Er is dus geen "dringende noodzaak" om een telefoontap aan te sluiten. Men had met een histo kunnen kijken waar de gebruiker van dit nummer zich 's avonds ophield, en dan had men hem zo gehad. Men had de gebruiker kunnen bellen en kunnen uitnodigen aan het bureau.
2.34. Bij deze eerste aanvraag voor een tap wordt een proces-verbaal van verdenking gevoegd, (…). Dit pv van verdenking is ook bij alle latere aanvragen gevoegd. Ik vraag mij allereerst af of er nu werkelijk een verdenking uit dit pv volgt. Er staat niet beschreven wat nu de redengevende omstandigheden zijn om te concluderen dat er sprake is van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of iets dergelijks. Het is een opvallend verhaal, maar een verdenking?
2.35. Ook uit dit proces-verbaal, (…) zou je de conclusie moeten trekken dat geen sprake is van een "ernstige inbreuk op de rechtsorde" en evenmin van "dringende noodzakelijkheid" ten aanzien van de bestaande verdenking.
2.36. Hetzelfde geldt voor de tweede tapaanvraag. Inmiddels was al keihard aan te tonen dat de gelden op de bankrekening van [verdachte] waren overgemaakt. En dat er 10.000 apps waren gewisseld tussen [verdachte] en [slachtoffer] . Genoeg informatie om [verdachte] mee te confronteren. Toch moet er nog getapt worden vinden de politie en het OM. Is er sprake van een ernstige inbreuk op de rechtsorde? Is er een dringende noodzaak? Nee. Er wordt een tweede casus opgevoerd: mevrouw Willner zou mogelijk ook slachtoffer zijn. Waarom wordt deze kwestie genoemd? Die zaak is 14 jaar oud en dus verjaard. Men verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad, maar zonder die bij te voegen of te specificeren. En dat is toch niet irrelevant, omdat [verdachte] in die uitspraak het gelijk werd gesteld.
2.37. Het proces-verbaal van verdenking (…) is ook bij de aanvraag voor een doorzoeking aan de RC aangeleverd. In de aanvraag zelf (die dateert van 12 juli 2018) staat verder het volgende:
Defensie
Bij het Ministerie van Defensie is het personeelsdossier van [verdachte] gevorderd. Uit deze informatie blijkt dat [verdachte] veelvuldig klaagschriften en bezwaren heeft ingediend waarvan de laatste rond 2004 is behandeld. Uit de tot nu toe onderzochte informatie blijkt niet dat er sprake is van een zogenaamde klokkenluiderszaak.
2.38. De indruk wordt gewekt dat [verdachte] mogelijk wel een verleden bij Defensie heeft, maar als dat zo is, is dat lang geleden en van een klokkenluiderszaak is niet gebleken. De suggestie wordt gewekt dat [verdachte] dus "doet alsof". En de suggestie wordt gewekt dat [slachtoffer] op grond daarvan is bewogen tot afgifte van geldbedragen.
2.39. Vervolgens luidt de conclusie dat het
dringend noodzakelijkis om een doorzoeking te verrichten. Ik zie niet in waarom.
2.40. Indien de RC volledig was geïnformeerd, had de RC te horen gekregen dat [verdachte] zeker wel een verleden had bij Defensie, en dat er al jarenlang een civiele procedure tussen hem en Defensie liep. Ook had de RC dan te horen gekregen dat [slachtoffer] al in 2016 bij de politie was langsgegaan, en dat, ook al was in februari 2018 reeds aangifte gedaan, zij desondanks in de afgelopen maanden nog heel veel geld had uitgeleend. Maar dit hoorde de RC allemaal niet.
2.41. Bij de RC werd ten onrechte de indruk gewekt dat het "verhaal" door [verdachte] compleet verzonnen was. En dat [slachtoffer] daarin getrapt was, en tijdenlang op grond van dat verhaal geld had uitgeleend.
2.42. De conclusie dient te zijn dat er vormverzuimen hebben plaatsgevonden bij het aanvragen en afgeven van tapmachtigingen, en bij het vorderen van een doorzoeking. Deze opsporingshandelingen hadden in mijn ogen niet plaats mogen vinden en zijn dus onrechtmatig geweest. Er is onvoldoende kritisch gekeken, vanuit mededogen met [slachtoffer] en de daarmee gelijk opgaande verontwaardiging richting [verdachte] . Er is daardoor sprake van onherstelbare vormverzuimen. Dat is reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan, hetgeen ik dus ook bepleit. Het één en ander moet echter ook in de context van het volgende punt worden gezien.
Ad iii) Beïnvloeding getuige(n)
2.43. In dit onderzoek zijn het niet de getuigen geweest die aan de politie hebben verteld dat ze zijn opgelicht; het is de politie die aan de getuigen heeft verteld dat ze zijn opgelicht. Ik heb dit standpunt meerdere malen ingenomen. De getuigen zijn daardoor overtuigd geraakt van de kwaadaardige bedoelingen van [verdachte] , en toen ze óók nog te horen kregen dat ze wél aangifte moesten doen omdat ze anders zeker niets terug zouden krijgen, was dat voor een aantal getuigen voldoende.
2.44. Het schetst een beeld van de moeite die de politie wilde doen om [verdachte] aan de hoogste boom op te knopen.
2.45. Nu werpt Uw Hof mij wellicht tegen dat dat toch andere getuigen zijn, en dat het hier om [slachtoffer] gaat. Het is echter één en hetzelfde onderzoek, en de werkwijze van de politie heeft er als gezegd toe geleid dat [verdachte] in voorarrest is gezet, en daar negen maanden heeft doorgebracht.
2.46. Op de eerste pro forma op 30 oktober 2018 stelde de OvJ: "Er liggen 7 aangiftes. Van deze aangevers is geld afhandig gemaakt onder het voorwendsel dat zij uiteindelijk bonussen zouden ontvangen". Dat is het beeld dat is geschetst, en daar ging het justitiële apparaat in mee. Er lagen immers ook echt aangiftes.
2.47. Een aangifte impliceert echter dat een benadeelde aan de politie vertelt dat hij/zij het slachtoffer is geworden van een strafbaar feit én dat de benadeelde wenst dat de verdachte daarvoor wordt vervolgd. Maar hier is aan de getuigen een worst voorgehouden: "als u aangifte doet, krijgt u uw geld misschien wel terug. Anders zeker niet." Eigenlijk doet de politie hier zelf wat men [verdachte] verwijt: men schetst een scenario met als doel om hen over te halen om aangifte te doen.
2.48. De wijze waarop getuigen zijn benaderd heeft er in het ene geval toe geleid dat deze getuigen aangifte hebben gedaan, en in het andere geval niet. Ik wil u, met uw welnemen, verwijzen naar de brieven/verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] die zich in het dossier bevinden, en ik wil Uw Hof verzoeken om de inhoud van die brieven als voorgehouden (en ingelast) te beschouwen.
2.49. Hieruit blijkt
zonneklaardat de politie bijvoorbeeld aan [getuige 1] , [getuige 4] en [getuige 2] , nadat [verdachte] was opgepakt en nadat zijn woning was doorzocht, heeft verteld dat [verdachte] geen klokkenluider was, en dat er geen proces tegen Defensie was. Dit klopt op geen enkele manier! Zoals ik al eerder zei: wie een voet over de drempel zet in Valkenburg struikelt over de stukken die aantonen dat er een zaak tegen de Staat loopt. Maar de politie nam die stukken helemaal niet mee!
2.50. Dit is één voorbeeld van de wijze waarop de politie opereerde. Er werd onjuiste informatie verstrekt. Een ander onderdeel is de wijze waarop de verklaringen van diverse getuigen zijn uitgewerkt. Dat is overduidelijk onvolledig gebeurd. Wat u leest, is niet wat er is gezegd. Er is veel meer gezegd. Ik verwijs u in dat verband (met klem) naar Bijlage 1 bij mijn brief van 12 april 2019, en ik neem hier alleen mijn bevindingen op met betrekking tot de [getuige 5] :
(…)
2.51. Voorzitter, als iemand relevante informatie weglaat uit een document dat bestemd is om tot bewijs te dienen, dan heet dat valsheid in geschrifte. Dat is het ook als de politie het doet. Alleen is het dan ook nog eens een ambtsmisdrijf. In deze zaak is dat aantoonbaar gebeurd met een aantal getuigenverklaringen. Indien Uw Hof mijn vastlegging hiervan (die als gezegd is vervat in Bijlage 1 van genoemde brief)
nietoverneemt, verzoek ik u om de zaak alsnog aan te houden om alle partijen de gelegenheid te geven om de banden zelf te beluisteren. Een alternatieve optie is dat Uw Hof het OM opdracht geeft om de transcripties letterlijk uit te werken. Dit betreft dus een voorwaardelijk verzoek. Indien Uw Hof aanneemt dat mijn vastlegging hierover klopt, moet u concluderen dat a) [verdachte] in dit onderzoek bewust in zijn belangen is geschaad en b) de vastlegging van het verhoor van [slachtoffer] dan óók kwestieus is. Ik zou het graag zelf nagaan, maar dat verhoor is nu net niet opgenomen.
2.52. Indien de verklaringen integraal zouden worden uitgewerkt, zou nog beter aan het licht komen hoeveel verschillen er zijn tussen de vastleggingen zoals die nu zijn, en de vastleggingen zoals ze hadden moeten zijn als ze volledig waren geweest. En dan komt ook aan het licht wat er tegen deze getuigen is gezegd, en ook dat zij daardoor zijn "overgehaald" om aangifte te doen.
2.53. Hoe dan ook, het zijn in ieder geval onherstelbare vormverzuimen. De verklaringen staan, de aangiften zijn gedaan (althans door [getuige 5] , [getuige 1] , [getuige 6] en een aantal anderen) en die kunnen niet worden ingetrokken.
2.54. Uw Hof kan de verklaringen allemaal uitsluiten van het bewijs, omdat ze niet betrouwbaar zijn. Echter: ik concludeer dat de opgesomde omstandigheden moeten leiden tot de conclusie dat:
- er met een tunnelvisie is gerechercheerd; er is een omvangrijk onderzoek opgetuigd terwijl de aanwijzingen die er waren, voldoende hard waren om [verdachte] op het bureau te ontbieden en/of aan te houden; er was ook geen enkele reden om dat niet te doen; echter, door dat niet te doen is niemand geholpen;
- ik herinner Uw Hof er ook aan dat als gevolg van de wijze van onderzoeken de politie heeft toegelaten dat vanaf februari 2018 nog héél veel geld door [slachtoffer] werd uitgeleend. De vraag is: waarom? Niemand heeft zich afgevraagd wat daar de consequentie van zou zijn; niemand heeft kunnen uitleggen wat nu de noodzaak was om de boel nog maandenlang te rekken;
- ik herinner uw Hof er in dat verband nogmaals aan dat [slachtoffer] én al in 2016 bij de politie was geweest, én dat niet zij zelf, maar haar nichten aangifte deden, én dat de bedragen waar het om ging bancair waren betaald (er was dus keihard bewijs), én dat er vele apps en gespreksopnamen waren om het verhaal van de kant van [slachtoffer] te bevestigen, én dat keihard vaststond wie [verdachte] was;
- er onzorgvuldig gerechercheerd is bij het inwinnen van informatie bij Defensie; er is te snel genoegen genomen met een aantoonbaar incompleet antwoord;
- er zijn opsporingsmethoden (taps) ingezet die, naar de letter van de wet bezien, niet ingezet hadden mogen worden omdat er geen ernstige inbreuk op de rechtsorde was, en ook geen dringende noodzakelijkheid; ten aanzien van de doorzoeking geldt dat de RC onvolledig en suggestief is geïnformeerd;
- getuigen zijn op dwingende wijze benaderd; hen is onjuiste informatie voorgehouden ten aanzien van de "zaak die [verdachte] (niet) tegen Defensie had";
- getuigen is onjuiste informatie voorgehouden ten aanzien van het proces, en ten aanzien van tal van andere zaken;
- de vastlegging van de verhoren is aantoonbaar onjuist geweest; verhoren die uren hebben geduurd zijn te kort samengevat waardoor essentiële onderdelen ontbreken; deze onderdelen zijn juist ontlastend voor [verdachte] ;
- hierdoor is een dik dossier ontstaan op grond waarvan de suggestie werd gewekt dat diverse mensen aangifte wensten te doen tegen [verdachte] , op grond waarvan hij maandenlang ten onrechte in voorarrest heeft gezeten.
2.55. Op grond hiervan moet de conclusie worden getrokken dat [verdachte] geen eerlijk proces heeft gehad. Er is meermalen ernstig inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan zijn recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan.
2.56. Dit moet in mijn ogen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Ik verwijs naar het arrest van Uw Hof van 6 maart 2015, waarin ook vast kwam te staan dat processen-verbaal onjuist zijn opgemaakt. Net als in die kwestie is de verbaliseringsplicht geschonden omdat niet volledig alle relevante feiten in het proces-verbaal zijn opgenomen. In de casus van [verdachte] heeft echter méér plaatsgevonden, zoals ik net opsomde.
2.57. Indien Uw Hof niet overgaat tot niet-ontvankelijkheid zou Uw hof de betreffende bewijsmiddelen uit moeten sluiten van het bewijs. Indien Uw Hof ook dat niet doet, zou Uw Hof moeten overgaan tot strafvermindering (gesteld dat Uw Hof tot een bewezenverklaring zou komen). Kortheidshalve verwijs ik Uw Hof naar de criteria voor strafvermindering, welke ook te vinden zijn in het recente arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (…)

3.Bewijsverweren

Primair- oplichting
3.3.
Ik ga u een aantal dingen voorhouden die tot de conclusie moeten leiden dat:
- de pleegperiode korter is;
- binnen de tenlastegelegde pleegperiode er verschillende vaststellingen moeten worden gemaakt, namelijk:
o deels is geen sprake van oplichting omdat er te weinig bewijs daarvoor in het dossier zit − dit geldt voor de periode tot 1 januari 2017;
o voor de periode daarna geldt, dat geen sprake is van oplichting, omdat [slachtoffer] vanaf september 2016 al twijfels had, waardoor zij naar de politie is gestapt, waarna zij een jaar lang gesprekken heeft opgenomen maar wel is blijven lenen;
o in de periode vanaf februari 2018 komt daar nog eens bij dat terwijl al aangifte was gedaan, zij toch is blijven lenen. Dat kan geen oplichting opleveren omdat [verdachte] haar in die periode feitelijk niets nieuws vertelde;
- daarnaast geldt, dat wanneer naar de tenlastelegging wordt gekeken, de feiten die kunnen worden vastgesteld niet kunnen kwalificeren als oplichting;
- ook wanneer direct naar de in de tenlastelegging beschreven gedachtenstreepjes wordt gekeken, moet worden geconcludeerd dat, voor zover die kunnen worden bewezen, deze niet bewijzend zijn voor oplichting.
3.4.
Wat in de aangifte van de nichten allereerst opvalt, is dat daaruit blijkt dat [slachtoffer] vaker aan mensen geld uitleent en het vervolgens niet terug durft te vragen.
3.5.
Dat de gesprekken die in het dossier zitten, een beeld geven van een man die druk uitoefent op [slachtoffer] is duidelijk. Er zit overigens ook een gesprek in het dossier waarin [verdachte] op een opmerking van [slachtoffer] reageert met: "Nee, ik scheld je niet uit. Ik scheld je niet uit, Ineke. Af en toe ben ik boos omdat ik ook onder druk sta. Ja, dat er aan alle kanten aan me wordt getrokken."
3.6.
Laten we in ieder geval drie dingen niet vergeten.
1. Deze gesprekken geven géén beeld dat representatief is voor de gehele tenlastegelegde periode.
2. [verdachte] is al jaren mentaal overbelast ( […] heeft het over Moral Injury en Extreme Arousal) door alles dat er is gebeurd. Dat blijkt toch wel overduidelijk uit alle medische stukken die in het dossier zitten, en uit de stukken die ik onlangs toestuurde. Oók [verdachte] ervaart al jaren grote druk. Ik wijs Uw Hof daar met nadruk op. Dat moet Uw Hof in het oog houden als Uw Hof deze gesprekken ziet.
3. De gesprekken die door [slachtoffer] zijn opgenomen, zijn zonder dat [verdachte] het wist, maar nadat zij met de politie had gesproken, door haar opgenomen. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij daardoor in die gesprekken een bepaalde mate van stress had. Bijvoorbeeld omdat zij, door met de politie te praten, de afspraak met [verdachte] om dingen geheim te houden mogelijk heeft geschonden. Haar reactie kan daardoor beïnvloed zijn.
3.7.
Waar het om gaat, is of het lenen als oplichting is aan te merken. Ik besprak het hierboven al, en het blijkt ook uit de aangifte van de nichten van [slachtoffer] : de gedachte was aanvankelijk dat [verdachte] het bestaan van de procedure tegen de Staat uit zijn duim zoog.
3.8.
Op grond van dat scenario wordt aangifte gedaan. Waarom het dan de nichten zijn, en welk belang zij hebben om het geld dat hun tante uitleent te willen beschermen, blijft onduidelijk. De nichten weten feitelijk niets. Zij zien van een afstand iets gebeuren en vertrouwen dat niet. De politie neemt dat zonder meer over en is op zijn zachtst gezegd niet al te kritisch.
3.9.
Uit de aangifte die [slachtoffer] zelf (pas) doet op woensdag 11 juli 2018, blijkt van geen enkel oplichtingsmiddel, en evenmin van de overtuiging bij mevrouw zelf dat ze is opgelicht (!). Ze zegt wel: "Ik moet nu wel geloven dat [verdachte] een oplichter is, omdat iedereen het zegt". Ze doet aangifte, omdat dat van haar familie moet: "Je moet aangifte doen, anders heb je geen familie meer", zou er zijn gezegd. En daarna zegt ze, dat ze gelooft dat ze het geld nog terugkrijgt.
3.10.
Haar aangifte is niet bewijzend voor oplichting. Eerder het tegenovergestelde.
3.11.
Dat laatste geldt ook voor de verklaring die zij in hoger beroep heeft afgelegd ten overstaan van Uw Hof. "Ik vertrouwde het niet, en daarom heb ik de gesprekken opgenomen", verklaarde mevrouw. En: "de politie kwam in 2016 bij mij en zei "het klopt niet". En mevrouw heeft verklaard dat het klopte dat ze tegen [verdachte] had gezegd dat het niet uitmaakte waar hij het geld voor gebruikte. [verdachte] had stukken laten zien van advocaten en rechters, maar die hoefde ze niet te lezen.
3.12.
Ik zal niet de hele verklaring citeren, maar ik kan niet anders dan concluderen dat [slachtoffer] telkens weer heeft besloten om nog meer te lenen, terwijl ze het niet meer vertrouwde, terwijl de politie langs was gekomen en alles had meegenomen, terwijl haar nichten haar hadden gewaarschuwd, terwijl ze al gesprekken aan het opnemen was etc. etc.
3.13.
Ze wist dat [verdachte] van geleend geld leefde. Ze hoefde het allemaal niet precies te weten. Ze geloofde [verdachte] waar hij zei dat het geld zou terugkomen. Dat is de essentie.
3.14.
En die essentie, die gelooft [verdachte] zelf ook. En hij gelooft dat, omdat meerdere advocaten hem dat al jarenlang vertellen. Ik verwijs Uw Hof daarvoor naar de e-mail van mr. De Boer van 5 mei 2017, welke zich bevindt bij de stukken die ik op 17 januari 2021 toestuurde. En ik verwijs Uw Hof naar de Memorie van Grieven van diezelfde mr. De Boer. In 2006 werd de schade op EUR 600.000,- geschat. In 2009 werd de schade op bijna een miljoen euro geschat.
3.15.
Ik wil oprecht opmerken dat [slachtoffer] sympathie verdient vanwege al het geld dat zij aan diverse mensen heeft uitgeleend. Dat vindt [verdachte] uiteraard ook.
3.16.
Maar waar het nu om gaat, is of zij zich heeft laten oplichten, of dat zij tegen beter weten in geld is blijven lenen. [slachtoffer] is blijven lenen omdat ze dacht dat ze het wel terug zou krijgen. Ja, [verdachte] heeft dat geloof gesterkt, omdat hij dat zelf ook gelooft. Tot op de dag van vandaag. [verdachte] zei onlangs tegen mij: "ik begin te denken dat ik zélf ben opgelicht door iedereen die telkens maar zei dat er écht een forse schadevergoeding in zit".
3.17.
Op het moment dat je als "lener" twijfelt of je je geld wel terugkrijgt, moet je misschien stoppen met lenen. Dat snapt een kind van 10.
3.18.
[slachtoffer] was al lang vóór februari 2018 gealarmeerd. Vanaf december 2016 tot 19 november 2017 neemt ze gesprekken met [verdachte] op. Ondanks de geheimhouding die zij had afgesproken met hem. Inmiddels weten we dat dat is gebeurd omdat ze bij de politie was geweest. Die zullen haar niet hebben geadviseerd om nog een paar ton uit te lenen. Verder blijkt uit de aangifte van [aangeefster] :
Mijn tante verliest het vertrouwen in [verdachte] , maar toch blijft ze wel geloven dat zij het geld van hem terugkrijgt. Ik heb al meerdere malen met mijn tante hierover gesproken. Omdat mijn tante het niet wilde inzien is er contact gezocht met een advocaat Mart van Genugten middels een vriend. Van Genugten heeft ook gesproken met haar en hierop is besloten politie in te schakelen. Eind september 2016 is de politie met haar gaan praten. Op dat moment was het bedrag wat zij geleend had aan [verdachte] tot ongeveer E 200.000, -.
3.19.
Voorzitter, [slachtoffer] is volledig handelingsbekwaam. Ze kan naar de politie stappen, ze kan gesprekken opnemen, ze kan mailen en appen.
3.20.
Het gaat te ver om te zeggen dat zij een onwetend, nietsvermoedend slachtoffer was.
Tenlastelegging / tijdlijn / oplichting algemeen
3.21.
Het gaat in de tenlastelegging om de periode 1 januari 2014 tot en met 16 juli 2018. Het gaat om een totaalbedrag van ruim 5 ton. Kennelijk gaat het OM ervan uit dat het gehele bedrag middels oplichting is verkregen. De vordering van [slachtoffer] is overigens lager dan 5 ton.
3.22.
Wanneer ik een tijdlijn maak van de gebeurtenissen, dan ziet het er als volgt uit:
- Het contact tussen de twee ontstaat in mei 2014. Dat valt trouwens samen met het tijdstip waarop de heer Joling zijn bekritiseerde advies gaf. Joling werd voor zijn gebrekkige handelen tot in hoger beroep door de CBB veroordeeld: zijn falen staat in rechte vast. Maar dat duurde wel twee jaar.
- De eerste leningsovereenkomst dateert van 22 mei 2014. Eind juli 2014 is de eerste storting gedaan. De overeenkomst meldt dat de lening geheel uit vrije wil geschiedt, nadat er goed over is nagedacht.
- De tweede overeenkomst dateert van 2 december 2014 en de derde is een convenant dat dateert van 26 februari 2015. De vierde, ook een convenant, is van 7 mei 2015, en de vijfde, een lening van EUR 4.800,-, is van 6 november 2016. Het geleende saldo is dan EUR 137.000,- + EUR 4.800,- = EUR 141.800,-. De gelden die tot aan eind 2016 zijn geleend, zijn geleend ter afwikkeling van het convenant van mei 2014.
- Over de periode van mei 2014 tot aan mei 2015 weten we verder niets (I).
- Het dossier bevat vervolgens een aantal apps in de periode oktober 2015 t/m augustus 2016. Ook bevinden zich kennelijk mails bij de stukken die de nichten hebben overgelegd. Eén van die mails is van [verdachte] . In deze mail, van mei 2016, staat dat er op dat moment daadwerkelijk EUR 153.000,- is geleend. Overigens: in juni 2016 diende een kort geding tegen de Staat, gevolgd door een bodemprocedure.
- Er bevindt zich een mail in het dossier van oktober 2016 waarin door [verdachte] een zeer grondig overzicht van de geleende bedragen wordt gegeven.
- Daarnaast is er in het dossier een mail van december 2016 van [verdachte] die spreekt over een nieuwe lening van november 2016 − terwijl het eerste convenant nog moet worden afgewikkeld.
- Vanaf eind 2016 heeft [slachtoffer] gesprekken opgenomen. Die overlappen de periode tot aan november 2017. Hoe komt dat? Mijn vermoeden is: omdat zij eind september 2016 met de politie is gaan praten.
3.23.
Vóórdat Uw Hof moet beoordelen in hoeverre de communicatie tussen de twee bewijzend is voor de beschuldiging, zou u wat mij betreft in ieder geval moeten concluderen dat er sowieso tot aan eind 2016, en dan staat de teller op EUR 141.000 of op EUR 153.000, wanneer u uitgaat van de mail van [verdachte] , te weinig bewijs in het dossier zit dat redengevend kan zijn voor de conclusie dat [slachtoffer] is opgelicht. Er zijn overeenkomsten van geldlening. Maar die bewijzen denk ik eerder dat er géén oplichting is geweest.
3.24.
Er is wel een aanvullend proces-verbaal, ambtshandeling 74, waarin is beschreven in hoeverre er een connectie kan worden gemaakt tussen de momenten van geldlening, en de uitgaven die daarop volgden, ook in het casino. En aan andere dingen. Dit gaat om 10, 20 dagen in 2016.
3.25.
In deze ambtshandeling staan bedragen van [slachtoffer] , maar ook van andere leners. Leners, die hebben laten weten zich niet opgelicht te voelen. Leners, die achter [verdachte] blijven staan. Leners, die net als [slachtoffer] ervan overtuigd zijn dat zij hun geld terugkrijgen. Op grond van dit proces-verbaal kan dus niet worden geconcludeerd dat "in die hele periode al het geld dat werd geleend aan andere doelen is uitgegeven" − voor zover dat relevant zou zijn. Wat wél duidelijker wordt, is dat [slachtoffer] ervan op de hoogte was dat het geld aan allerlei doelen werd uitgegeven − en niet alleen aan juridische procedures. Dat zie je aan de apps(!).
3.26.
Dan over de periode vanaf 2017. Op dat moment heeft [slachtoffer] met de politie gesproken, en neemt zij alle gesprekken met [verdachte] op. De vraag is, in hoeverre oplichting dan überhaupt nog kan spelen.
3.27.
Verder maak ik uit het dossier op dat in die periode, dus vanaf 2017:
- In maart 2017 geld in het casino zou zijn uitgegeven.
- Ook in de periode tussen mei en met oktober 2017 zou er geld in het casino zijn uitgegeven. Dit kan deels van [slachtoffer] afkomstig zijn. Het gaat mogelijk om EU 23.000.
- In februari 2018 doen de nichten aangifte. [slachtoffer] weet dat. Ze heeft haar telefoons immers afgestaan om de berichten aan de politie te overhandigen.
- Uit BOB-5 blijkt ook dat er in januari 2018 al contact is geweest met [slachtoffer] .
- Op 23 juni 2018 stuurt [verdachte] een app aan [slachtoffer] waarin hij opmerkt dat hij haar in zijn testament zal opnemen. Dat is dus helemaal aan het einde van de tenlastegelegde periode.
3.28.
Ook over die periode kan, ook na raadpleging van AMB 74, niet worden geconcludeerd dat "al het geld dat van [slachtoffer] afkomstig is, aan andere doelen is uitgegeven".
3.29.
Even los van de toon: kijkt U eens naar het gesprek van 2 januari 2017. [verdachte] zegt nota bene zelf letterlijk dat [slachtoffer] hem, door alle bevestigingen, aan alle bomen kan ophangen omdat hij alles heeft vastgelegd. En hij neemt zélf het woord oplichter in de mond, in ontkennende zin natuurlijk. Kijkt U eens naar de gesprekken die daarna volgen. Wederom los van de toon en wie wat zegt: [slachtoffer] weet daar toch donders goed wat er speelt en waar het om gaat? Toch wordt er in het jaar 2017 door haar vervolgens tientallen malen geld geleend, voor een totaalbedrag van bijna EUR 230.000. Sterker nog: ik kan voor deze leningen geen leningsovereenkomst vinden. Dus waar er eerst een convenant was, leent [slachtoffer] vervolgens geld zónder convenant
terwijlhet eerste convenant niet was afgewikkeld.
3.30.
Vanaf maart 2018, wanneer alle seinen op grond van alles dat [slachtoffer] weet én op grond van de aangifte die inmiddels is gedaan toch echt heel erg op rood staan leent zij nog een ton uit aan [verdachte] . Heel sympathiek, maar geen oplichting.
3.31.
Ik weet niet waarom de politie, waar vanaf februari 2018 de aangifte heeft gelegen, het heeft laten gebeuren dat er daarna nog een ton werd uitgeleend.
3.32.
Ik weet ook niet wat de politie heeft gezegd in september 2016. Maar: als zij [verdachte] reeds toen had gebeld, en had gezegd "meneer u moet oppassen, want u bent mogelijk strafbaar bezig", dan had dat [slachtoffer] tonnen kunnen schelen. Als de politie [slachtoffer] had gezegd "wat u ook doet, leen geen geld meer uit aan deze man", dan had dat haar als gezegd tonnen kunnen schelen.
3.33.
In ieder geval geldt dat [slachtoffer] zelf de keuze heeft gemaakt om dat geld toch uit te lenen. Als er al leugens waren over het moment van terugbetalen en dergelijke, dan is in deze situatie geen sprake van oplichting. Het is geen samenweefsel van verdichtsels, er zijn geen listige kunstgrepen en het heeft te weinig het karakter van bedrog. Er is geen valse hoedanigheid, niets.
3.34.
[verdachte] stelt dat het geld dat hij van [slachtoffer] leende,
onder anderewerd besteed aan de lopende procedure. [verdachte] stelt ook dat zij dat wist, maar dat zij dat niet wilde weten. Ze wist het, zo blijkt uit de leningsovereenkomsten die deel uitmaken van de stukken. Daar staat in dat de lening noodzakelijk is als gevolg van het conflict. Daar staat niet in dat het geld wordt besteed aan procedures.
3.35.
[slachtoffer] heeft daarnaast gezegd: vertel het me later maar. Ik hoor het wel. Dat blijkt uit een mail van oktober 2016, welke als bijlage bij mijn brief van 17 april 2017 aan de rechtbank en aan het OM is gevoegd. Als alles achter de rug is, wilde ze het verhaal horen. Dit blijkt ook uit één van de mails die door de nichten is toegevoegd, en die als bijlage bij de aangifte van [aangeefster] zit. Ik doel op de mail die als Bijlage 3 bij AMB-01 zit. Het blijkt voorts ook uit telefoongesprekken die in het dossier zitten. En het blijkt uit de verklaring die [slachtoffer] ten overstaan van Uw Hof heeft afgelegd.
3.36.
[slachtoffer] wist, althans vanaf 28 maart 2017, dat [verdachte] leefde van geleend geld. Hij heeft het letterlijk gezegd tegen haar. Er zitten diverse gesprekken in het dossier waarin [verdachte] wil vertellen hoe het zit, maar waarin [slachtoffer] aangeeft het niet te willen horen. Ook uit de apps die bij AMB-74 zijn gevoegd, blijkt hoeveel [slachtoffer] wist van het leven van [verdachte] .
3.37.
Ik heb ook de andere mails van de nichten gezien, en de verslagen van de opgenomen telefoongesprekken, en ik moet u zeggen: ik kan ook daarin geen bedrog zien. Ja, [verdachte] verzoekt om geld. Ja, dat doet hij soms op een smekende of dwingende manier. En ja, [slachtoffer] geeft dan toe. Maar dat is geen bedrog. Nogmaals: [slachtoffer] was kennelijk niet in staat om 'nee' te zeggen tegen [verdachte] . Maar dat kan ze kennelijk ook niet tegen anderen, althans volgens haar nichten. Ondanks haar vermoeden van onraad is zij ruim anderhalf jaar doorgegaan met lenen. Ook zij spreekt over haar familie, over dat ze die kwijt is, en dat ze alleen is. Maar uiteindelijk doet toch haar familie aangifte. En daarna doet zij zelf aangifte, vóór haar familie.
3.38.
Voorzitter, [verdachte] moet naar mijn mening worden vrijgesproken van oplichting. Op grond van het bovenstaande, maar ook als ik specifiek naar de huidige tenlastelegging kijk.
3.39.
De tenlastelegging noemt de volgende oplichtingsmiddelen:
(…)
3.40.
Het
eerste gedachtestreepjeis feitelijk juist, maar omdat het klopt met de werkelijkheid kan dit niet bijdragen tot het bewijs van oplichting. Dat geldt ook voor het
tweede gedachtestreepje: dit herbergt geen element van bedrog. De overeenkomsten zijn immers niet afgesloten om iemand over de streep te halen, maar om vast te leggen wat de financiële verhouding is. Hiermee bevestigt [verdachte] dat hij schuldenaar is. Gedrag dat niet bij een oplichter past. Overigens zijn in 2017 en 2018 géén overeenkomsten opgemaakt, voor zover [verdachte] zich kan herinneren.
3.41.
Het
derde gedachtestreepjeberust op de gedachte dat [verdachte] het geld wel niet meer zal terugbetalen. Echter: dat is hij wel van plan, zoals gezegd. Hij hoopt ook nog steeds op de schadevergoeding in het nog lopende proces tegen de Staat. Ik verwijs u wederom naar (bijvoorbeeld) de Memorie van Grieven die ik Uw Hof onlangs toestuurde. Als [verdachte] nooit van plan was geweest om het geld terug te betalen, waren er ook geen leningsovereenkomsten opgemaakt. Dan had hij niet gevraagd om het geld bancair over te maken, waardoor het makkelijk te traceren is.
3.42.
En zelfs als bewezen kan worden dat [verdachte] niet van plan was om het geleende geld terug te betalen, wat ik dus ten zeerste betwist, dan nog kan geen sprake zijn van oplichting volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad. Omdat dat geen listige kunstgreep of valse hoedanigheid oplevert.
3.43.
Het
vierde gedachtestreepjeis te vaag. Om welke leugens gaat het, en zijn dat wel leugens?
3.44.
Daarnaast kan [slachtoffer] hierdoor niet zijn bewogen tot afgifte van geld: het gaat immers om leugens ná de termijn van terugbetaling.
3.45.
Voor zover het zou gaan om gebeurtenissen of deadlines in de zaak tegen de Staat die telkens weer op een teleurstelling uitliepen, kan ik u zeggen dat van leugens geen sprake is. Ik heb zowel aan de rechtbank als aan Uw Hof informatie toegestuurd die aan het dossier is toegevoegd, waaruit het verloop van de Defensie-zaak in grote lijnen blijkt. [verdachte] heeft hierover niets 'verzonnen'.
3.46.
Het
vijfde gedachtestreepjekomt voort uit de verklaring van aangeefster, en die zou mogelijk onderbouwd kunnen worden door een whats-appbericht dat zij aan de politie heeft gestuurd. Ik wil Uw Hof erop wijzen dat dit bericht dateert van 23 juni 2018. Dat kan dus niet als bewijs van oplichting gelden voor de daaraan voorafgegane periode. Even los van de vraag in hoeverre dit heeft geleid tot het afgeven van geld. Maar van oplichting kon in dat stadium geen sprake meer zijn, gezien de gehele voorgeschiedenis en gezien haar reeds bestaande wantrouwen, gezien het feit dat door haar nichten reeds aangifte was gedaan etc. etc.
3.47.
Dit geldt ook voor het
zesde gedachtestreepje. Ik vind dit niet terug in het dossier. Ik vind wel terug dat [verdachte] tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat Defensie heeft erkend dat er lasterlijke aantekeningen zijn gemaakt. Maar verder niets. De rechtbank heeft gewezen op de verklaring die [verdachte] ter zitting aflegde. Maar daarin bevestigde hij niet wat in het zesde gedachtestreepje is opgenomen.
3.48.
Wanneer we de bovenstaande feiten en omstandigheden afzetten tegen het juridisch kader waarin moet worden beoordeeld of van oplichting sprake is, moeten we het volgende concluderen.
3.49.
Er is, volgens de jurisprudentie, geen sprake van oplichting − gelet op de omstandigheden van het geval en de kennis van zaken die partijen hadden − wanneer het slachtoffer de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dit zogenaamde doorzienbaarheidsvereiste is door de Hoge Raad beschreven in het overzichtsarrest van 20 december 2016.
3.50.
En dan bedoel ik niet dat het verhaal van de zaak tegen Defensie verzonnen is. Maar dat het slachtoffer had kunnen vermoeden dat geleende geldbedragen wellicht niet zo snel zouden terugkomen. Niet omdat [verdachte] dat niet wilde, maar omdat hij dat nog niet kon. Hij leefde van geleend geld en [slachtoffer] wist dat. Nadere uitleg wilde zij, zo haal ik uit de gesprekken, niet ontvangen. Ze wilde heel graag haar geld terug. Al maandenlang. Maar ze bleef maar meer uitlenen dan dat ze terugkreeg. Totdat [verdachte] werd opgepakt. Is dat oplichting? Nee.
3.51.
Het primair tenlastegelegde kan dus niet worden bewezen. De gedachtestreepjes kunnen óf niet worden bewezen, óf in dit geval niet worden gekwalificeerd onder de noemer listige kunstgrepen enzovoort. Daarnaast kan niet worden bewezen dat [slachtoffer] is bewogen tot de afgifte van geldbedragen
door de inzetvan een voor oplichting geschikt middel.
3.52.
Ik wil het volgende opmerken met betrekking tot het vonnis van de rechtbank als het gaat om de EUR 7.000. In dit stadium kon geen sprake meer zijn van oplichting. Evenmin kan de conclusie worden getrokken dat [verdachte] de intentie had om nu net dit bedrag wél zelf te houden en nooit terug te betalen.
(…)

6.De wensen van de verdediging

(…)
6.1.7
De verdediging heeft de volgende onderzoekswensen waarvan het naar mijn oordeel noodzakelijk is dat die worden uitgevoerd alvorens de zaak verder inhoudelijk aan de orde kan komen.
6.1.7.1 Allereerst zou een proces-verbaal moeten worden opgemaakt dat antwoord geeft op een aantal vragen, te weten:
o Welke medewerker van Defensie verstrekte de op p.462 bedoelde informatie in maart 2018, en waarom liep die informatie aanvankelijk tot aan 2004, en niet tot aan 2018? Is er verder nog contact geweest met deze medewerker, en heeft deze medewerker daarbij mondeling nog informatie gegeven aan de politie over het dienstverband en/of de juridische procedures van [verdachte] ? Zo ja, welke informatie was dat?
o In hoeverre is het zo dat naar aanleiding van de getapte gesprekken in juni 2018 (waarvoor de machtiging werd verkregen die via BOB-023 werd aangevraagd) de gedachte dat [verdachte] wellicht wel degelijk procedures had lopen tegen Defensie ontstond?
o In hoeverre is het zo dat die getapte gesprekken aanleiding gaven om, nadat [verdachte] was aangehouden, nog eens te verzoeken om de actuele stand van zaken? (Waarom) is dit nadere verzoek gedaan nadat [verdachte] werd aangehouden?
o Hoe kan het dat men bij de eerste aanvraag in maart 2018 een dossier kreeg dat tot 2004 liep, en dat men bij een opvolgend verzoek op basis van dezelfde vordering stukken ontving die tot aan 2018 liepen? Is daar vanuit Defensie een toelichting op gegeven, zo ja, door wie en wat hield die toelichting in?’
8. Vervolgens heeft het hof op 17 februari 2021 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek − mede gelet op het voorgaande − niet volledig is geweest.
Bij de beoordeling van de ten laste gelegde handelingen kunnen drie periodes worden onderscheiden:
- De periode vanaf 1 januari 2014 tot het eerste contact van [slachtoffer] met de politie in 2016;
- De periode vanaf het eerste contact van [slachtoffer] met de politie in 2016 tot de aangifte van [aangeefster] namens [slachtoffer] op 2 februari 2018;
- De periode vanaf de aangifte op 2 februari 2018 tot 16 juli 2018.
Voor de beoordeling is van belang dat [slachtoffer] nader wordt bevraagd over de voornoemde afzonderlijke periodes en het concrete handelen van de verdachte in die onderscheiden periodes. Daarnaast is van belang wat de politie met [slachtoffer] heeft besproken tijdens haar contacten met de politie in 2016 alsook tijdens haar verhoor in 2018.
Het hof acht daarom ook noodzakelijk dat de betrokken politieambtenaren, die deze gesprekken met [slachtoffer] hebben gevoerd en [aangeefster] , die namens [slachtoffer] aangifte heeft gedaan, als getuigen worden gehoord. De advocaat-generaal wordt verzocht te doen nagaan om welke politieambtenaren dit gaat en hiervan opgave te doen aan het hof, met afschrift aan de raadsman.
Verzoeken van de verdediging
De raadsman heeft bij brief van 10 januari 2020 aan de advocaat-generaal onderzoekswensen opgegeven, waarbij hij onder andere heeft verzocht [slachtoffer] als getuige te horen, alsmede heeft verzocht een aanvullend proces-verbaal op te laten maken ten aanzien van de informatieverstrekking door Defensie aan de politie met betrekking tot lopende procedures van de verdachte tegen Defensie.
(…)
Op de terechtzitting van 3 februari 2021 is het hof vanwege een gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen met het onderzoek. De verdediging heeft bovengenoemde verzoeken ter terechtzitting herhaald, zodat op deze verzoeken opnieuw moet worden beslist. Daarbij heeft de raadsman een aanvullend verzoek gedaan met betrekking tot de vastlegging van getuigenverhoren. Hij heeft aangevoerd dat de politie bij het horen van de getuigen onjuiste informatie heeft verstrekt over de lopende procedures van de verdachte tegen Defensie en zodoende deze getuigen heeft beïnvloed. De verklaringen van de getuigen zijn onvolledig uitgewerkt en de raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan dat, indien het hof de vastlegging van de raadsman met betrekking tot de getuigenverhoren niet over zou nemen, de desbetreffende getuigen in de gelegenheid dienen te worden gesteld de opnames van de verhoren zelf te beluisteren dan wel dat het openbaar ministerie opdracht wordt gegeven om de verhoren letterlijk uit te werken. Het voorgaande is naar de mening van de verdediging van belang zodat aan het licht komt dat deze getuigen zijn ‘overgehaald’ om aangifte te doen.
(…)
Er zijn geen aanwijzingen dat de politie van het ministerie van Defensie andere informatie heeft gekregen over de procedure met de verdachte dan is gerelateerd, of dat de politie bij het verkrijgen van de informatie verwijtbaar heeft gehandeld. Het is betreurenswaardig dat de politie − naar achteraf vast is komen te staan − een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad over die procedure en op basis daarvan onjuiste mededelingen aan aangeefsters/getuigen heeft gedaan. Zij hebben evenwel verklaard over de feiten en omstandigheden die zij zich uit eigen waarneming herinnerden en zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat deze herinneringen door een onjuiste informatieverstrekking over de procedure met Defensie kunnen zijn beïnvloed. Nader onderzoek hiernaar is dan ook niet noodzakelijk.
Het hof heeft voorshands geen reden te twijfelen aan hetgeen de raadsman stelt te hebben gehoord tijdens het uitluisteren van de verhoren van andere aangevers dan de aangeefster in deze zaak. Dezen hebben niet verklaard over wat in deze zaak aan de verdachte ten laste is gelegd. Het in hun aanwezigheid afspelen van de geluidsopnamen van de verhoren, of het letterlijk uitwerken van die verhoren, kan dan ook geen bijdrage vormen aan het onderzoek in deze zaak en is noch noodzakelijk, noch in het belang van de verdediging.
De conclusie is dat het onderzoek moet worden heropend en dat op de volgende terechtzitting de hierna te noemen getuigen zullen worden gehoord.
Beslissing:
Het hof:
Heropent het gesloten onderzoek, schorst dit in het belang ervan en beveelt de hervatting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte, de raadsman van de verdachte en de benadeelde partij tegen de nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping tegen de nader te bepalen dag van de terechtzitting van de getuigen:
- [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1943 te [geboorteplaats] );
- [aangeefster] (geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] );
- De politieambtenaren met wie [slachtoffer] in 2016 en 2018 gesproken heeft;
Verzoekt de advocaat-generaal na te doen gaan om welke politieambtenaren dit gaat en hier van tevoren opgave te doen aan het hof, met afschrift aan de raadsman.’
9. Het onderzoek ter terechtzitting is daarna op 14 juni 2022 door het hof in dezelfde samenstelling hervat. Vervolgens zijn (op 14 juni) [getuige 7] (operationeel specialist bij de thematische recherche, afdeling fraude), [getuige 8] (operationeel specialis bij de dienst operationele informatieorganisatie), [getuige 9] (in het verleden werkzaam als bijzonder opsporingsambtenaar bij de thematische recherche), [aangeefster] , [getuige 10] en (op 15 juni) het slachtoffer als getuige verhoord. De verklaring van getuige [getuige 8] houdt onder meer het volgende in:
‘Mijn eerste contact met [slachtoffer] was in 2016. De advocaat door wie ik werd gebeld, was gebeld door vrienden van [slachtoffer] . De advocaat benaderde mij of wij een afspraak konden maken voor een gesprek met [slachtoffer] . Ik weet niet of hij haar advocaat was, maar hij was ingeschakeld door vrienden van [slachtoffer] . Vrienden van [slachtoffer] maakten zich zorgen en dachten dat [slachtoffer] werd opgelicht. Wij zijn toen bij haar thuis geweest. Ik kan me van dat gesprek nog flarden herinneren. Die advocaat was daarbij aanwezig en mijn collega [getuige 7] . [slachtoffer] vertelde over wat ze meemaakte en over het geld dat ze uitgeleend had. Ze vertelde ook dat ze ervan overtuigd was dat ze het geld nog terug zou krijgen. Het ging alle kanten op. Ze wilde van ons weten hoe dat ging als ze aangifte zou doen. Daar koos ze toen niet voor. Wij hebben haar uitgelegd dat we niet veel voor haar konden doen als ze geen aangifte zou gaan doen. Het was geen verrassing dat ze geen aangifte wilde doen. Slachtoffers in fraudezaken twijfelen vaak. Ik had ook geen verwachtingen. Ik had mijn spullen bij me en we reageren ter plaatse op wat er gebeurt. Ze gaf aan dat ze nog wilde nadenken over het doen van aangifte.
Na dat gesprek heeft ze nog een paar keer contact met me opgenomen. Ze heeft altijd gezegd dat ze twijfelde en geen aangifte wilde doen. Gedurende enkele maanden daarna belde ze mij wel regelmatig. Die gesprekken gingen veelal over het doen van aangifte en de gang van zaken daaromtrent. We zijn nog een tweede keer bij haar geweest op haar verzoek. Toen was er een vriend van [slachtoffer] bij. Ik dacht dat [getuige 7] toen ook mee was. Ik heb een aantal keren contact gehad met [slachtoffer] en toen werd duidelijk dat zij geen aangifte wilde doen. Daarna is er een tijd geen contact geweest. U vraagt of in het eerste gesprek aan de orde is geweest wat er feitelijk gebeurde. Zij vertelde ons wat haar overkwam: ze had contact met iemand na het overlijden van haar man en diegene had geld nodig voor een rechtszaak, omdat hij een klokkenluider was. Zij bewaarde stukken voor hem in haar kluis. Ze vertelde dat er steeds meer geld nodig was en dat hij zijn beloftes omtrent terugbetaling niet nakwam en dat ze met hem te doen had. Ze liet wat telefoongesprekken horen die ze had opgenomen. Ik heb haar niet geadviseerd om de gesprekken op te nemen. Ik denk dat ze die opnames liet horen tijdens het tweede gesprek. Ik dacht wel dat [getuige 7] daarbij was. De advocaat hield zich tijdens het gesprek op de achtergrond en was niet aanwezig bij het tweede gesprek.
Voor zover ik weet, is er geen invloed uitgeoefend op [slachtoffer] om aangifte te doen. Als iemand aangifte doet, dan moet diegene daar zelf achter staan. Ze ervaarde al veel druk. Wij hebben haar alleen geïnformeerd over de consequenties van het wel of niet aangifte doen. Wij hebben haar daarin niet geadviseerd.
Ik heb van dat gesprek een kort verslag en mutatie gemaakt. Ik heb de mutatie bij me. Ik heb ook een tijdlijn gemaakt, waarbij ik heb geprobeerd alle contactmomenten terug te halen.
Op 22 september 2016 ben ik benaderd door de advocaat, Van Genugten denk ik dat hij heet. Op 23 september 2016 is afgesproken dat we bij [slachtoffer] langs zouden gaan op 30 september 2016 om 11.00 uur. Op 30 september vond het gesprek plaats. Op 3 oktober 2016 liet Van Genugten mij weten dat [slachtoffer] haar telefoon aan hem had gegeven om de Whatsapp-gesprekken veilig te stellen. Op 4 oktober 2016 heeft Van Genugten mij laten weten dat er telefonisch contact was geweest tussen [slachtoffer] en de verdachte en dat zij dat opgenomen had en dat de betaaldatum verschoven was. Ik heb daarop gereageerd dat wij af zouden wachten. Op 26 oktober 2016 mailde de advocaat mij dat [slachtoffer] wilde dat alles geheim gehouden werd. Half november zijn we of weer langs geweest bij [slachtoffer] of ik heb haar telefonisch gesproken. Daarna is het een hele tijd stil geweest. De strekking van de telefoongesprekken tussen mij en [slachtoffer] was altijd hetzelfde, namelijk dat zij zich afvroeg of de verdachte erachter zou komen als zij informatie gaf.
(…)
Ik ben bij het gehele onderzoek betrokken geweest. Op een gegeven moment hebben de nichten van [slachtoffer] ons benaderd. Zij wilden aangifte doen. Vervolgens is de zaak aan de officier van justitie voorgelegd. De aangifte is opgenomen door Dol en Horeman. Dat zijn collega's. Ik had toen ook andere zaken, dus waarschijnlijk had ik geen tijd om de aangifte op te nemen. Ik coördineerde het onderzoek en was op de hoogte van wat er gebeurde. Ik heb nog sporadisch contact gehad met [slachtoffer] als ze vragen had of informatie wilde. U merkt op dat de verdachte had gezegd dat hij een procedure voerde tegen het Ministerie van Defensie en vraagt of ik daar onderzoek naar heb gedaan. Dat onderzoek is gedaan naar aanleiding van de aangifte van de nichten. Dat onderzoek hield in dat een vordering is gedaan om op te vragen of er procedures liepen. Daaruit kwam dat er wel een procedure liep, maar dat het om iets ander ging dan wat [slachtoffer] ons vertelde. Ik weet niet meer exact wat daaruit kwam. Wij hebben de vordering geverbaliseerd en daar zijn we verder mee gegaan. Wij hebben ook bij de verdachte en andere aangevers hiernaar gevraagd. Volgens mij hebben we niet andere instanties gevorderd om informatie.
Ik weet niet meer of ik de indruk had dat de verdachte de vordering op Defensie had verzonnen om geld af te kunnen troggelen. Toen wij de informatie opvroegen, bleek dat er een zaak liep, maar de inhoud van die zaak was anders dan wat wij van [slachtoffer] hadden gehoord. Wat er precies anders was, kan ik mij niet meer herinneren. U merkt op dat ik zojuist verklaarde dat wij [slachtoffer] geen druk hebben opgelegd om aangifte te doen en dat zij al veel druk voelde. U vraagt of dat druk van de verdachte was. Daar bedoel ik mee dat ze druk voelde, omdat ze haar geld graag terug wilde. Daar had zij veel spanning van. Ik had toen geen details over hoe het ging met het overmaken van geld. Ze vertelde alleen dat er geld nodig was en dat zij dat dan overmaakte. In 2018 heeft [slachtoffer] Whatsapp-gesprekken overgelegd. Toen de nichten aangifte deden, hebben we de telefoon van [slachtoffer] uitgelezen. Ik weet niet of die bestanden hetzelfde zijn.
U vraagt mij of ik de reden weet waarom [slachtoffer] geld overmaakte. Ze voelde zich betrokken en ze had medelijden met de verdachte. Ze vond het zielig dat hij in deze situatie zat. Zij en haar overleden man hielpen ook altijd mensen. Zij vertelde daarover en dat zij nu ook mensen wilde helpen. Er werd gehamerd op geheimhouding en ze was bang dat als de verdachte erachter zou komen dat zij naar de politie was geweest, ze haar geld niet meer terug zou krijgen.
De getuige antwoordt op vragen van de advocaat-generaal:
U vraagt mij waarom ik aan oplichting dacht in de situatie dat iemand zijn geld niet terug kreeg. Er werden beloftes gedaan die niet werden nagekomen. Aanvankelijk was er echter te weinig informatie om tot een verdenking van oplichting te komen. Na de aangifte van de nichten werd een onderzoek opgestart. Er werden toen stukken overhandigd, waardoor een vermoeden rees dat er onwaarheden verteld werden. Dat waren de stukken die bij [slachtoffer] in de kluis zaten. Ook de Whatsapp-gesprekken deden vragen rijzen. Het vermoeden ontstond toen dat er meer aan de hand was dan een enkele lening. De officier van justitie zag vervolgens voldoende aanleiding om een onderzoek te starten.
De getuige antwoordt op vragen van de raadsman:
U vraagt waarom het in een zaak als deze cruciaal is of iemand aangifte doet. In 2016 was er te weinig informatie en daar konden we geen onderzoek op starten. Ik kan me niet herinneren dat ik in 2016 tegen [slachtoffer] heb gezegd dat het beter is om geen geld meer over te maken. Achteraf bleek dat er al veel meer geld overgemaakt was dan dat zij aanvankelijk zei. In 2016 zijn er wel wat losse bedragen genoemd en is de mogelijke verkoop van het huis in Portugal aan de orde gekomen. Ik heb de leningsovereenkomsten tussen de verdachte en [slachtoffer] gezien. Dat zal na de aangifte van de nichten zijn geweest, in februari 2018. U vraagt of daar stukken bij zaten waarvan ik dacht dat het niet in de haak was. Dat weet ik niet meer. U vraagt of [slachtoffer] ooit heeft gezegd dat het haar niet uitmaakte waar het geld naartoe ging. Nee, dat kan ik me niet herinneren. Het ging altijd over de rechtszaken en ook een keer over een prothese en gezondheidskosten, maar ik weet niet zeker of dat bij [slachtoffer] was of bij de andere aangevers.
U vraagt mij naar de onwaarheden. Het waren opvallende details waarvan je kon vermoeden dat het niet helemaal klopte. Ik weet het niet goed meer. U vraagt of ik weet of er binnen de politie of de kring van [slachtoffer] banden zijn met het Ministerie van Defensie. Daar kan ik mij niets van herinneren. Ik heb wel met een collega contact gehad met betrekking tot de vordering aan Defensie. Die collega zou één en ander voor mij navragen, want ik wist niet hoe dat moest. Ik kan me niet herinneren dat de voortgang van het onderzoek zou zijn beïnvloed door iemand van Defensie. U merkt op dat alle verhoren zijn opgenomen, behalve het verhoor met [slachtoffer] . Daar kwamen wij later ook achter. Ik weet niet wat daarvan de reden is. Wellicht functioneerde de apparatuur niet goed of hadden we deze niet mee.’
10. De raadsman heeft, nadat het onderzoek ter terechtzitting op 16 juni 2022 is hervat, aldaar wederom het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van (reeds voor de terechtzitting) overgelegde pleitnotities. Deze houden onder meer het volgende in:

2. Inhoudelijk
2.1
Uit de verhoren is het volgende beeld naar voren gekomen:
(…)
[getuige 8]: werd in september 2016 benaderd door een advocaat, die was gebeld door vrienden van [slachtoffer]. Die dachten dat ze werd opgelicht. Ze zijn er in 2016 heen gegaan, [slachtoffer] wilde dat ook. In eerste instantie ging men er heen om aangifte op te nemen. Ze twijfelde en wilde weten wat er zou gebeuren als ze aangifte zou doen. Ze liet het open en ze heeft nadien nog een aantal malen contact opgenomen. Regelmatig. Vóór 2018 zijn ze er nog een keer geweest. [slachtoffer] vertelde wat er was gebeurd, dat er geld niet terug werd betaald. En van Defensie. Ze had met hem te doen. Ze liet ook gesprekken horen in het eerste of tweede gesprek. Dat had ze zelf opgenomen, niet op advies politie. [getuige 8] herinnert zich dat men heeft gezegd dat het beter is om geen geld meer uit te lenen.
[getuige 8] heeft ook een mutatie opgemaakt. Ze heeft de verdachte gehoord en sporadisch contact gehad met [slachtoffer] en met de nichten. De mutatie zat niet in het dossier. Waarom niet? Deze is toch zeer relevant.
Uit de vordering bij Defensie bleek wel van een procedure maar dat was iets anders dacht men dan wat [verdachte] aan [slachtoffer] vertelde.
Gek genoeg weet [getuige 8] niet meer in hoeverre zij nu zelf dacht dat [verdachte] alles had verzonnen. [slachtoffer] was bang dat [verdachte] er achter zou komen dat ze naar de politie was gegaan. En dat ze dan geen geld meer zou krijgen.
Er was in eerste instantie te weinig informatie, zegt [getuige 8] , om er een verdenking aan te hangen. Uit de stukken die de nichten overhandigden bleek van zaken die dat vermoeden wel rechtvaardigden. Maar meer kan ze daar niet over zeggen − het staat in het pv verdenking. De politie pakte het op omdat de nichten aangifte deden.
(…)

3.Conclusie

Formele punten:
3.1.
Ik blijf bij hetgeen ik in februari vorig jaar bepleitte. Ik verzoek u met klem dat pleidooi nogmaals te lezen.
Er staan vele uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in die een reactie behoeven. De pleitnota dient dus nogmaals als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3.3. [
UOS] Ik blijf er bij: er is niet aan de criteria voldaan om te tappen, en om te doorzoeken. Ik begrijp de behoefte maar er zijn wettelijke grenzen te respecteren. Men had zonder gekund. Er was geen noodzaak. Er was een aangifte, er waren bankafschriften (op woensdag 7 februari 2018 wist men al dat die bankrekening op naam van [verdachte] stond, BOB-02 en BOB-O2a), er waren telefoons met talloze apps én opnames van gesprekken (over een periode van meer dan een jaar), er waren getuigen. Er was een leningsovereenkomst − eerder een contra-indicatie, maar toch. In maart 2018 wist men exact wie [verdachte] was en waar hij verbleef (…).
3.4.
Waarom is er toen niet ingegrepen? Het was geen nieuws dat dit speelde voor de politie, en men kon zien dat [slachtoffer] maar doorging met geld uitlenen. Zij zullen toch ook gedacht hebben "we hebben haar gewaarschuwd"?
3.5.
Voor de verdenking die er was, was de inzet van een tap en een doorzoeking niet noodzakelijk. Pak ik de wet erbij, dan staan daar eisen in. Het onderzoek moet het dringend vorderen (126m).
3.6.
De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn duidelijk niet in acht genomen. Daar moeten consequenties aan worden verbonden. Er kan niet zomaar worden getapt en er kan ook niet zomaar worden doorzocht.
3.7.
En zeker niet als de RC daarbij een onjuist plaatje gepresenteerd krijgt. In de aanvraag voor de doorzoeking staat een verhaal waarvan de context niet correct is, en dat kan de politie worden verweten (2.37 - 2.41). Ik verwijs verder naar mijn pleidooi. De conclusie is dat op basis van een achteraf onjuiste verdenking ("Hij verzint zijn Defensie-verhaal") opsporingsmiddelen zijn ingezet die niet hadden mogen worden ingezet.
(…)
3.12.
En dan het pv verdenking. Daarin staat volgens de getuige [getuige 8] al het relevante m.b.t. de verdenking. Dat klopt feitelijk niet. Het pv zet je op het verkeerde been. Er wordt niet gerept over de gesprekken in 2016. Dit staat er:
Nadat [aangeefster] aangifte had gedaan heeft verbalisant [getuige 8] contact opgenomen met [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft aangegeven aangifte te willen doen maar vind het te emotioneel om het verhaal weer helemaal te vertellen. Zij heeft haar telefoons ter beschikking aan de politie gesteld met toestemming om de inhoud van de telefoons te bekijken en zo een aangifte op te stellen waarna deze met [slachtoffer] zal worden doorgenomen en aanvullende vragen kunnen worden gesteld. Deze telefoons zijn op maandag 19 februari 2018 opgehaald en de inhoud daarvan is veiliggesteld.
3.13.
Waarom wordt er niet gesproken over de eerdere contacten? Deze zijn uitermate relevant. Voor elke jurist is het, in het kader van de vraag of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting, relevant om te weten welke contacten er zijn geweest met de politie. Dit zijn ervaren rechercheurs. Die moeten daarover hebben nagedacht. Het pv verdenking is onvolledig.
3.14.
Er is veel gebeurd en ik heb heel hard moeten werken om uw Hof zover te krijgen om deze mensen allemaal te horen. Dat het niet voor niks is, lijkt mij evident.
3.15.
Voor mijn conclusie over de formele punten verwijs ik uitdrukkelijk naar het eerdere pleidooi, par. 2.6-2.57. Met name het onjuist verbaliseren van getuigenverklaringen, van de aanvraag doorzoeking en ook van het pv verdenking dient zwaar te wegen. Het klopt gewoon niet. De mutatie waar [getuige 8] gisteren mee kwam had in het dossier moeten zitten zodat meteen duidelijk was geworden dat er al twee jaar op [slachtoffer] werd ingepraat. De rechtbank heeft dat niet eens kunnen zien in eerste aanleg.
Materiële punten
3.16.
[verdachte] is veel, maar geen oplichter. Welke oplichter gaat er nou leningsovereenkomsten opstellen en zichzelf zo ophangen? Welke oplichter laat nu een enveloppe met zulke (kloppende) documenten achter bij een ander? Welke oplichter maakt er nu zulke gedetailleerde overzichten? Er is geen "oogmerk (!) tot wederrechtelijke bevoordeling" zoals in 326 Sr staat. Wat u ook vindt van de apps en de gesprekken: er zit geen oogmerk in. Er zit een overbelaste persoon in. Dwingend misschien, vervelend misschien − maar dat is iets anders. Het betreft een persoon die zelf gelooft dat het geld er uiteindelijk komt. En dat gelooft hij nog steeds. Naïef? Ik weet het niet. Maar "oogmerk" kan niet worden bewezen.
3.17.
Ik verwijs naar de stukken die aangeven wat [verdachte] in de loop der jaren heeft gehoord van de mensen die hem in rechte bijstonden (3.14 van het eerdere pleidooi). Hij is in de overtuiging dat de strijd om de claim toegewezen te krijgen moet worden gestreden. Pasman, Bolt, Nicolaï (heeft ook in de zaak Oltmans opgetreden), Delissen Martens, Prakken d'Oliveira.
3.18.
Ik begrijp de wens wel om [slachtoffer] het beste te gunnen. Dat doet iedereen, ja ook mijn cliënt. En ik begrijp de mogelijke behoefte van het OM om mijn cliënt ergens voor op te laten draaien. Om te gaan zoeken naar iets waardoor hem toch een bepaalde verplichting kan worden opgelegd.
3.19.
Laten we eerlijk zijn: dat is valsspelen. De kern van de zaak is: op het moment dat je je lening niet terugkrijgt, moet je niet doorgaan met lenen. Ik riep al eerder: dat snapt een kind van 10.
3.20.
Dat heeft de rechtbank toch ook een beetje gedaan, zoeken naar iets waaraan hij toch kon worden opgehangen. Ten onrechte wat mij betreft, want de bewezenverklaarde handeling vond in een dermate laat stadium plaats dat van oplichting echt geen sprake meer kon zijn. En na de verklaring van [slachtoffer] gisteren valt dat stukje helemaal weg. Ten onrechte is voor hetgeen bewezen is verklaard een hele forse straf opgelegd.
3.21.
Er zijn talloze civiele verhoudingen waarin partij A nog geld krijgt van partij B. Partij A wist hier donders goed wat de risico's waren. Anders ga je geen gesprekken opnemen.
3.22.
Ik herhaal (3.12 pleitnota): ik kan niet anders dan concluderen dat [slachtoffer] telkens weer heeft besloten om nog meer te lenen, terwijl ze het (vanaf ergens in 2016) niet meer vertrouwde, terwijl de politie langs was gekomen en alles had meegenomen, terwijl haar hele familie, haar nichten, een advocaat en de politie haar hadden gewaarschuwd, terwijl ze al gesprekken aan het opnemen was, terwijl ze wist dat [verdachte] van geleend geld leefde (par 3.13 / Z1, p. 217, par. 3.34 e.v.), terwijl ze aangaf dat ze het allemaal niet hoefde te weten (par. 3.13 / Z1, p. 214, p. 217, AMB-074, par. 3.34 e.v.), etc. etc. Ze heeft dit in haar verklaringen ten overstaan van uw Hof bevestigd. Hij wilde het vertellen, hij kwam met stukken, maar ze hoefde het niet te weten. Ze heeft nooit navraag gedaan, wilde nimmer weten wat er toch met al dat geld gebeurde.
3.23.
[slachtoffer] is volledig handelingsbekwaam. Ze kan zich prima verwoorden. Ze kon naar de politie stappen, ze kon gesprekken opnemen, ze kon mailen en appen. Ze kon een advocaat weer wegsturen. Het gaat te ver om te zeggen dat zij een onwetend, nietsvermoedend slachtoffer was. Ja er was druk, van [verdachte], maar ook van de kant van de familie en vrienden. En wat dacht u van de druk die ze voelde omdat ze al sinds 2016, zo zeg ik het maar, een soort dubbelspel speelde? Geheimhouding / staatsgeheimen versus met de politie praten? Twee jaar lang heeft ze gedaan alsof er niets aan de hand was. Kijk maar naar de apps en de gesprekken. [verdachte] , argwanend als hij is, heeft haar meermalen gevraagd of ze de gesprekken aan het opnemen was. Dat ontkende ze dan. Maar wat voor druk levert dát op? De druk komt dus óók door haar eigen keuzes.
3.24.
Onder uitdrukkelijke verwijzing naar mijn eerdere pleidooi en de tijdlijn daarin (die ook laat zien wat er tegelijkertijd in de Defensiecasus gebeurde), par. 3.22: herhaal ik: er zijn drie periodes:
1) Tot 1 januari 2017 / uitgeleend geld EUR 153.000 (par 3.23) − te weinig bewijs − géén oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling; er waren leningsovereenkomsten waar in staat dat het geld nodig is als gevolg van het conflict, en er kan niet worden bewezen dat [verdachte] zelf wel wist dat het geld niet/nooit kon worden terugbetaald; als dat al voldoende zou zijn om tot het bewijs van een strafbaar feit te komen;
2) Daarna / uitgeleend geld in 2017 EUR 230.000 (par 3.29): de periode nadat mevrouw al naar de politie was gestapt, gesprekken opnam etc. etc.; het verhaal van [verdachte] verandert niet. En toch gaat ze door. Ondanks alle waarschuwingen van iedereen. Ze geloofde hem nog steeds. Waren er nieuwe verhalen, nieuwe 'fraud schemes'? Nee; maar daar waar eerst nog geld werd geleend met convenant, wordt er nu ook geld geleend zonder convenant, terwijl het convenant niet was afgewikkeld.
3) Daarna vanaf februari 2018 (grofweg nog een ton uitgeleend): de periode dat er zelfs al aangifte was gedaan; hiervoor geldt hetzelfde, maar in nog sterkere mate.
3.25.
Laten we niet vergeten dat het verhaal van [verdachte] in essentie gewoon klopt. Over de procedure. Over de staatsgeheimen (zie ook de stukken die ik u gisteren toestuurde). En laten we niet vergeten dat [slachtoffer] wist dat hij van geleend geld leefde. En dat ze vertelde dat ze het niet hoefde te weten allemaal. Terwijl hij het wel wilde uitleggen. En stukken wilde laten zien. Ja: het was geheim. Maar dat wás het ook. [verdachte] is zélf in de overtuiging dat, indien bleek dat er informatie was gedeeld met andere partijen, dit de zaak niet ten goede zou komen. Hij heeft een geheimhoudingsplicht, ook als ex-militair. Die geldt nog steeds. Dat levert risico's op. Ik heb bepaalde stukken ook niet durven verstrekken. Omdat ze gaan over bevindingen die betrekking hebben op de wijze van omgaan met staatsgeheime informatie. En als [verdachte] daar de verkeerde keuze in maakte, dan kan hem dat in de procedure (die toen sowieso nog liep) in de staart bijten. En dan komt er mogelijk niets meer. Dát bedoelde hij.
De tenlastelegging
3.26.
Tevens moet − uiteraard - worden ingezoomd op de tenlastelegging. Bijna alle gedachtenstreepjes moeten − ik ben het eens met de rechtbank - komen te vervallen (ik verwijs uitdrukkelijk naar par. 3.39 e.v.) c.q. dragen niet bij aan het bewijs van het tenlastegelegde. Ik kan dit eventueel herhalen hier ter zitting.
3.27.
In aanvulling op 3.46 en 3.52, over het vijfde streepje. Ter zitting heeft [slachtoffer] verklaard dat dit niet heeft geleid tot de afgifte van een geldbedrag. Het was niet de reden voor haar om toen dat bedrag uit te lenen. Dat kan dus niet worden bewezen.
3.28.
Er is geen oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling, geen samenweefsel van verdichtselen en evenmin sprake van listige kunstgrepen. Er is geen "fraud scheme". Het moet gaan om meer dan onwaarheden of leugens. Het verhaal van [verdachte] was in essentie gewoon waar: hij had geld nodig als gevolg van het conflict met Defensie. Zo staat het ook in de leningsovereenkomsten.
3.29.
In het meermalen genoemde overzichtsarrest (HR 20 december 2016, ECLI:HR:NL:2016:2889) staat dat het antwoord op de vraag of sprake is van oplichting afhankelijk is van vele omstandigheden. Onder andere
de mate waarin de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke omzichtigheid het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen en zich daardoor niet te laten bedriegen. Oplichting is niet aan de orde wanneer het slachtoffer − alles bij elkaar genomen − de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het slachtoffer dient een voldoende mate van omzichtigheid te betrachten. Hoe beoordeelt u dat, in ieder geval voor de periode vanaf 2016, waarin de mensen die deel uitmaakten van het maatschappelijk verkeer 'en masse' waarschuwden?
3.30.
Ik ben er als gezegd van overtuigd dat [verdachte] zelf altijd heeft gehoopt en nog steeds hoopt dat het geld er komt. Die leningsovereenkomsten met die beloftes zijn voor mij anders niet verklaarbaar. Nogmaals, waarom zou je jezelf zo ophangen tenzij je zelf gelooft dat het echt goed gaat komen. Waarom zou je er keihard in zetten dat er géén uitstel van terugbetaling komt? Een oplichter zou eerder vragen om continue uitstel. Waarom zou je een gedetailleerd overzicht maken van alles dat je schuldig bent (p. 38 en verder van het nieuwe dossier) Waarom zou je je eigen naam en je eigen handtekening en je eigen bankrekeningnummer gebruiken? Waarom zou je je eigen emailadres en je eigen telefoonnummer gebruiken? Waarom blijf je vindbaar? Waarom laat je een envelop achter met kopieën van documenten die echt en onvervalst zijn?
3.31.
[verdachte] rust niet. Waarom zou hij anders vandaag bij de IGK zitten? Ik geloof niet dat hij zichzelf gek maakt en uitput alleen maar om aan de verdenking van oplichting en verduistering te ontkomen.
3.32.
Nogmaals: het oogmerk ontbreekt. Niet bewezen kan worden dat hij met de zwaarste vorm van opzet [slachtoffer] om de tuin heeft geleid om geld te krijgen dat hij nimmer meer zou terugbetalen.
3.33.
Daarnaast geldt dat het handelen zoals het is beschreven in de tenlastelegging niet kan worden gekwalificeerd als oplichtingsmiddel (in de zin van samenweefsel / kunstgreep / valse hoedanigheid)
3.34.
En als u daar anders over denkt, dan geldt als gezegd dat er wel sprake is van doorzienbaarheid (HR 20 december 2016 / par. 3.50 van het pleidooi).
Het casino
3.35.
Ik gaf al aan dat het niet zo is dat het dossier duidelijk beschrijft welk deel van het geld van [slachtoffer] op welk moment naar het casino is gegaan. Er is of was één pinautomaat in Valkenburg, dus je kunt niet concluderen dat alle cash die in Valkenburg is gepind, in het casino is vergokt.
3.36.
Nog even los van de vraag of u [slachtoffer] gelooft als ze nu zegt "nee dan had ik het niet uitgeleend". Dat is maar de vraag. Nooit? Of had ze het een volgende keer wel uitgeleend als was gebleken dat hij eerder naar het casino was geweest?
3.37.
Het is zeker niet zo dat het geld dat [slachtoffer] leende allemaal vergokt is. Niet kan worden vastgesteld welk deel van het geld dat van haar kwam in het casino werd uitgegeven.
3.38.
Voor zover relevant uiteraard. Want ook hier geldt: [slachtoffer] wist dat [verdachte] van geleend geld leefde, ze hoefde het allemaal niet te weten, ze had beter moeten weten dan geld uit te lenen. En ik zei al: [verdachte] had zeker niet de tijd van zijn leven toen hij geld in de automaat stopte. Hij zat in de nesten, het was voor hem een uitlaatklep, hij had schulden en
niemand gaat gokken met de bedoeling om geld te verliezen. [verdachte] verklaarde: het is gebeurd. Het betekende niet dat ik lak had aan [slachtoffer]. Het geeft aan hoe wanhopig ik was.
3.39.
Mogelijk had [slachtoffer] het geld niet uitgeleend als ze had geweten dat het naar het casino ging. Mogelijk. Maar maakt dat het oplichting? Dit is geen "specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen" waarbij men er is "ingetuind na de nodige omzichtigheid te hebben betracht" (…). En hoe dan met de bedragen die níet naar het casino gingen?’
Bespreking van het eerste middel
11. Het eerste middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat geen sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen en/of van (doelbewuste) schending van het recht op een eerlijk proces getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen omkleed. In de toelichting worden een aantal deelklachten naar voren gebracht. De
eerstedeelklacht ziet op de overweging van het hof dat in een vroeg stadium al wordt uitgegaan van een bestaand conflict tussen verdachte en het ministerie van Defensie, waarbij het hof wijst op het bevel gevangenhouding van 25 juli 2018. Die vaststelling zou juist aantonen dat ‘de onjuiste insteek’ van het onderzoek pas in een laat stadium is onderkend en gecorrigeerd.
12. De verdediging heeft gesteld, aldus het hof, dat de politie ten onrechte heeft aangenomen dat er geen gerechtelijke procedure tussen het ministerie van Defensie en de verdachte aanhangig was. Het hof heeft dat verweer verworpen op grond van de vaststelling dat ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal van 15 maart 2018 door de verbalisanten geen procedure aanhangig was. De juistheid van die vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Dat de onvolledigheid van de informatie in een vroeg stadium is hersteld, nu uit het bevel gevangenhouding volgt dat de rechtbank op dat moment heeft aangenomen dat er een conflict bestond tussen de verdachte en het ministerie van Defensie, is voor het hof een bijkomend argument. Het hof heeft op grond van een en ander kunnen oordelen dat het standpunt ‘dat het gehele opsporingsonderzoek een onjuiste insteek heeft gehad’ geen feitelijke grondslag heeft. Ik merk daarbij nog op dat het opsporingsonderzoek gericht was op aanwijzingen van oplichting, en dat het al dan niet bestaan van een conflict tussen de verdachte en het ministerie van Defensie niet van doorslaggevend belang was voor het al dan niet kunnen aannemen van die aanwijzingen.
13. De eerste deelklacht faalt.
14. De
tweededeelklacht betreft ‘s hofs overweging dat het verweer ten aanzien van de inzet van opsporingsmethoden onvoldoende is onderbouwd. De steller van het middel meent dat het verweer in par. 2.27 t/m 2.42 van het pleidooi dat op 3 februari 2021 is gehouden wel toereikend is onderbouwd.
15. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat is gesteld ‘dat er eigenlijk in het geheel geen adequate verdenking is beschreven in AMB-01’ wijs ik erop dat de raadsman zich blijkens de pleitnota slechts heeft afgevraagd ‘of er nu werkelijk een verdenking uit dit pv volgt’ (2.34). Voor zover de steller van het middel spreekt over een ‘onderbouwde stelling dat er geen sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde’, attendeer ik erop dat slechts is aangevoerd dat een ‘vermeende oplichting’ geen ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en dat je uit de proces-verbaal AMB-01 ‘de conclusie (zou) moeten trekken dat geen sprake is van een “ernstige inbreuk op de rechtsorde”’ (2.30 en 2.35). Een onderbouwing ontbreekt; genoemd wordt slechts een uitspraak waarin bij oplichting wel een ernstige inbreuk op de rechtsorde werd aangenomen. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat in de pleitnota is onderbouwd dat er geen dringende noodzaak was om te tappen ‘om vast te stellen of de man die [slachtoffer] belt na de app-berichten, dezelfde man is als de man die voorkomt op de opgenomen telefoongesprekken’ merk ik op dat de omstandigheid dat [verdachte] ‘al jarenlang hetzelfde mobiele nummer’ heeft, nog ruimte laat voor het verweer dat een ander met dat mobieltje heeft gebeld (2.32 en 2.33). Daar komt bij dat door het opnemen van telefoongesprekken ook de inhoud daarvan wordt vastgelegd. Voor zover de steller van het middel betoogt dat is gesteld dat de rechter-commissaris op het verkeerde been is gezet omdat in proces-verbaal AMB-01 ‘ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat het conflict met Defensie’ door verdachte verzonnen is, stel ik vast dat deze stelling in dit onderdeel van de pleitnota niet is onderbouwd. Het citaat uit de aanvraag voor een doorzoeking in de pleitnota houdt juist in ‘dat [verdachte] veelvuldig klaagschriften en bezwaren heeft ingediend’ (2.37).
16. Al met al heeft het hof kunnen oordelen dat het verweer ten aanzien van de inzet van opsporingsmethoden onvoldoende is onderbouwd.
17. In verband met ’s hofs overweging dat de raadsman niets heeft gesteld over het nadeel dat door het vormverzuim concreet is veroorzaakt en dat het verweer ook om die reden strandt, voert de steller van het middel aan dat het inzetten van opsporingsmiddelen zoals een telefoontap en een doorzoeking van een woning in een situatie waarin niet aan de wettige vereisten is voldaan een onherstelbaar vormverzuim oplevert. En dat het opstellen van onjuiste en onvolledige processen-verbaal die aan de rechter-commissaris en de raadkamer worden voorgelegd apert in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Daarnaast zou de verdachte als gevolg van de vergaarde bewijsmiddelen ten onrechte in voorlopige hechtenis hebben gezeten.
18. Ik begrijp uit een en ander, wat daar verder ook van zij, dat de steller van het middel de juistheid van ’s hofs overweging dat de raadsman niets heeft gesteld over het nadeel dat door het vormverzuim concreet is veroorzaakt, niet bestrijdt. Deze overweging draagt de verwerping van het verweer zelfstandig. [35]
19. De tweede deelklacht faalt.
20. De
derdedeelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel dat niet is gebleken dat getuigen onjuiste informatie is voorgehouden, onbegrijpelijk is in het licht van (zo begrijp ik) de aantekeningen van de verdediging die naar aanleiding van het beluisteren van de opnames van de verhoren van diverse getuigen aan het dossier zijn toegevoegd, het verzoek aan het hof om zich te verenigen met de aantekeningen van de verdediging en het verzoek om, indien het hof daar niet toe bereid is, de zaak aan te houden om aan alle partijen de gelegenheid te geven om de opnames zelf te beluisteren of om het OM opdracht te geven om de opnames letterlijk uit te werken.
21. Het hof heeft overwogen dat niet is gebleken ‘dat de politie de getuigen doelbewust onjuiste informatie heeft voorgehouden of heeft beïnvloed’. Ik kan uit de toelichting op het middel niet opmaken waarom ’s hofs oordeel in het licht van de daarin genoemde feiten en omstandigheden onbegrijpelijk zou zijn.
22. Geklaagd wordt vervolgens over de overweging waarmee het hof het bedoelde verzoek in het tussenarrest van 17 februari 2021 heeft afgewezen. Deze afwijzing luidt als volgt:
‘Het hof heeft voorshands geen reden te twijfelen aan hetgeen de raadsman stelt te hebben gehoord tijdens het uitluisteren van de verhoren van andere aangevers dan de aangeefster in deze zaak. Dezen hebben niet verklaard over wat in deze zaak aan de verdachte ten laste is gelegd. Het in hun aanwezigheid afspelen van de geluidsopnamen van de verhoren, of het letterlijk uitwerken van die verhoren, kan dan ook geen bijdrage vormen aan het onderzoek in deze zaak en is noch noodzakelijk, noch in het belang van de verdediging.’
23. De steller van het middel meent, zo begrijp ik, dat deze overweging onbegrijpelijk is nu verdachte op grond van die verklaringen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. En dat het hof, als het van oordeel was geweest dat onjuiste uitwerkingen van verhoren hebben plaatsgevonden, had moeten concluderen dat politieambtenaren in strijd met hun ambtseed/ambtsbelofte processen-verbaal onjuist hebben opgemaakt die ‘in het dossier terecht zijn gekomen en dus ook nog eens hebben bijgedragen aan de beslissing’ om de verdachte gevangen te houden. Daardoor zou, zo begrijp ik, het recht van de verdachte op een eerlijk proces zijn geschonden.
24. Dat de verklaringen van bedoelde getuigen mogelijkerwijs een rol hebben gespeeld bij beslissingen inzake de voorlopige hechtenis in de onderhavige strafzaak, brengt evenwel niet mee dat de afwijzing van bedoeld verzoek door het hof onbegrijpelijk is. En uit hetgeen de raadsman in verband met de processen-verbaal heeft aangevoerd volgt niet dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Het hof diende op grondslag van de tenlastelegging de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden; het hof heeft op grond van hetgeen door de raadsman is aangevoerd kunnen oordelen dat inwilliging van het geformuleerde verzoek voor die beantwoording niet van belang was.
25. De derde deelklacht faalt.
26. De
vierdedeelklacht houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van de raadsman dat het slachtoffer reeds in 2016 gesprekken met de politie voerde waarin haar leningen aan de verdachte aan de orde kwamen. Daardoor zou het verweer dat een onjuist/onvolledig proces-verbaal van verdenking is opgemaakt, waardoor de rechter-commissaris en de rechtbank/raadkamer in eerste aanleg onvolledig zijn geïnformeerd als gevolg waarvan de verdachte in zijn belangen is geschaad door de inzet van bepaalde opsporingsmiddelen en de toepassing van voorlopige hechtenis, op ontoereikende gronden zijn verworpen. De steller van het middel wijst daarbij op de aanvullende pleitnota (3.12 e.v.)
27. In de aanvullende pleitnota is onder het kopje ‘2. Inhoudelijk’ het een en ander weergegeven uit de verhoren. Die weergave houdt onder meer in dat [getuige 8] heeft verklaard dat zij in september 2016 naar [slachtoffer] is gegaan om een aangifte van oplichting op te nemen. Maar dat [slachtoffer] twijfelde, het open liet en nadien nog een aantal malen contact heeft opgenomen. En dat zij er vóór 2018 nog een keer is geweest. [slachtoffer] liet gesprekken horen die zij zelf had opgenomen. [getuige 8] heeft ook een mutatie gemaakt, die niet in het dossier zat. Onder het kopje ‘Formele punten’ (3.12) geeft de raadsman aan dat het ‘pv verdenking’ je ‘op het verkeerde been’ zet nu niet wordt gerept over ‘de gesprekken in 2016’. In het kader van de vraag ‘of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting’ zou het relevant zijn ‘om te weten welke contacten er zijn geweest met de politie’ (3.13). De raadsman wijst vervolgens voor zijn ‘conclusie over de formele punten (…) naar het eerdere pleidooi, par. 2.6-2.57’. Volgens de raadsman had de ‘mutatie waar [getuige 8] gisteren mee kwam (…) in het dossier moeten zitten zodat meteen duidelijk was geworden dat er al twee jaar op [slachtoffer] (
BFK: [slachtoffer]) werd ingepraat.’
28. Uit een en ander volgt naar het mij voorkomt dat hetgeen in de aanvullende pleitnota is aangevoerd naar aanleiding van het verhoor van [getuige 8] door de raadsman niet als een zelfstandig verweer is geformuleerd dat een afzonderlijke reactie behoefde. Het is in verband gebracht met hetgeen in de eerdere pleitnota naar voren was gebracht. Op de punten die daarin zijn geformuleerd (zie 2.8) heeft het hof gerespondeerd.
29. Ik wijs er voorts op dat de raadsman de eerdere gesprekken in verband brengt met de vraag ‘of er sprake is van een strafbaar feit als oplichting’; dat wijst erop dat de raadsman die gesprekken relevant heeft geacht in verband met de bewijsvoering, niet in verband met vormverzuimen. Dat al twee jaar op [slachtoffer] ‘werd ingepraat’ volgt daarbij niet uit de weergave van het verhoor van [getuige 8] . Daaruit volgt slechts dat er een aantal keren contact is geweest met [slachtoffer] , maar dat de omstandigheid dat zij geen aangifte deed er lange tijd toe heeft geleid dat geen opsporingsonderzoek is gestart.
30. De vierde deelklacht faalt.
31. Daarmee faalt het middel.
Bespreking van het tweede middel
32. Het tweede middel betreft de bewijsvoering; het hof zou ten onrechte althans onbegrijpelijk bewezen hebben verklaard dat sprake is geweest van oplichting. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof niet of onvoldoende zou hebben gerespondeerd op bewijsverweren, waardoor de conclusie dat sprake is van oplichting onjuist, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is. De
eerstedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer dat bij de verdachte geen ‘oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling’ heeft bestaan. De steller van het middel wijst daarbij op het aanvullend pleidooi, randnummers 3.24, 3.28, 3.30 en 3.32.
33. Naar ik begrijp ziet de steller van het middel dit verweer in de stelling van de raadsman dat verdachte ‘zelf altijd heeft gehoopt en nog steeds hoopt dat het geld er komt’, omdat de ‘leningsovereenkomsten met die beloftes’ voor hem ‘anders niet verklaarbaar’ zijn (3.30).
34. Als schuldig aan oplichting wordt gestraft hij die ‘met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed’ etc. (art. 326 Sr Pro). Het ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ wordt ook bij afpersing geëist (art. 317 Sr Pro). Voor dat bevoordelingsoogmerk volstaat dat de dader heeft beseft dat zijn handelen ‘als noodzakelijk en dus ook door hem gewild gevolg met zich bracht’, dat hij bevoordeeld werd. [36]
35. Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte – mogelijk – heeft gehoopt dat ‘het geld er komt’ en, zo begrijp ik, aanvoert bereid te zijn in dat geval de geleende bedragen terug te betalen, niet meebrengt dat de bewijsvoering van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling tekortschiet. Die mogelijke hoop en bereidheid doen er niet aan af dat de verdachte heeft beseft dat de op de bewezenverklaarde gedragingen volgende afgifte van geldbedragen met zich bracht dat hij bevoordeeld werd. Vastgesteld behoeft niet te worden dat verdachte ‘nimmer de intentie had om deze bedragen terug te betalen’. En ook de omstandigheid dat de verdachte niet in staat is de bedragen terug te betalen doet niet aan de toereikendheid van de bewijsvoering van het oogmerk af.
36. Ik merk daarbij op dat de leningsovereenkomsten waar de raadsman over spreekt niet enkel vanuit de hoop ‘dat het geld er komt’ verklaarbaar zijn. Die leningsovereenkomsten met de beloftes die erin besloten liggen kunnen ook aldus worden opgevat dat zij ertoe strekten [slachtoffer] van de oprechtheid van de verdachte en zijn intenties te overtuigen, en aldus een wezenlijk onderdeel vormden van het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels. Ik begrijp uit bewezenverklaring en bewijsvoering dat het hof aan de leningsovereenkomsten die betekenis heeft toegekend. Het hof heeft die betekenis er ook aan kunnen toekennen.
37. De eerste deelklacht faalt.
38. De
tweededeelklacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip ‘samenweefsel van verdichtsels’, althans op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd dat daarvan sprake is. Het hof zou hebben miskend dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenweefsel van verdichtsels ook van belang is ‘de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en de persoonlijkheid van het slachtoffer’.
39. Naar het mij voorkomt gaat de steller van het middel in zoverre uit van een verkeerde lezing van de overzichtsarresten van Uw Raad inzake oplichting. [37] Uw Raad overweegt daarin dat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern gaat ‘om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen’ (rov. 2.3.2). In hoeverre ‘de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen’ speelt een rol bij de vraag of dat slachtoffer door het oplichtingsmiddel is ‘bewogen’ (rov. 2.4).
40. De steller van het middel wijst er vervolgens op dat is aangevoerd dat het verhaal van verdachte in essentie gewoon waar was, en dat het slachtoffer wist dat de verdachte van geleend geld leefde en dus a) wist dat het geld aan diverse doeleinden werd besteed en b) wist dan wel moest weten dat het geld pas terug zou komen als de procedure tegen de Staat succesvol werd afgerond. En dat voorts is aangevoerd dat de verdachte meermalen heeft willen uitleggen waarover de procedure ging, en dat het slachtoffer heeft nagelaten eigen onderzoek te doen, terwijl zij door haar omgeving werd gewaarschuwd om geen geld meer aan de verdachte uit te lenen. De steller van het middel wijst daarbij op de randnummers 3.25, 3.28 en 3.33 van het aanvullend pleidooi, alsmede de randnummers 3.13 e.v., 3.33 en 3.34 van het pleidooi.
41. De omstandigheid dat er daadwerkelijk een procedure van de verdachte tegen Defensie liep, doet er niet aan af dat het hof in de bewezenverklaarde gedragingen een samenweefsel van verdichtsels heeft kunnen zien. De onjuiste voorstelling van zaken werd (mede) in het leven geroepen doordat [slachtoffer] gevraagd werd om ‘geldbedragen te verschaffen om de noodzakelijke proces- en advocaatkosten te kunnen betalen’, niet door de mededeling dat er een procedure liep. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet evenmin af dat het slachtoffer wist dat de verdachte van geleend geld leefde, nu dat onverlet laat dat de geldbedragen waar de bewezenverklaring op ziet voor een ander doel werden gevraagd, en bij het slachtoffer de onjuiste voorstelling in het leven werd geroepen dat het voor een groot deel voor dat doel werd aangewend.
42. In een en ander ligt besloten dat ook de bereidheid van de verdachte om uit te leggen waar de procedure over ging en het nalaten van het slachtoffer om daarnaar onderzoek te doen, niet ter zake doen. De bewijsvoering berust niet op de aanname dat geen procedure gevoerd werd of dat de verdachte onwaarheid heeft gesproken over de inhoud van die procedure.
43. De steller van het middel voert voorts aan dat de (voortdurende) belofte dat het geld snel terug zou worden betaald niet is aan te merken als een samenweefsel van verdichtsels. Het zou eerder het omgekeerde zijn: op grond van die voortdurende belofte zou verwacht mogen worden dat het slachtoffer zou zijn gestopt met het uitlenen van geld.
44. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof in het doen van valse beloftes en toezeggingen aangaande de terugbetaling van de uitgeleende gelden een onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels heeft kunnen zien. In samenhang met de gestelde ontwikkelingen in de procedure die de grond vormden voor de verzoeken om geldbedragen over te maken, vormden de beloften van spoedige terugbetaling een wezenlijk onderdeel van de gepresenteerde onjuiste voorstelling van zaken. Bij de bewijsvoering van het samenweefsel van verdichtsels doet, zo bleek, niet ter zake of de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen (en op te houden met geld overmaken).
45. De tweede deelklacht faalt.
46. De
derdedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat het slachtoffer als gevolg van een samenweefsel van verdichtsels tot de afgifte van de geldbedragen is gekomen. De steller van het middel leidt uit de verklaringen van het slachtoffer af, zo begrijp ik, dat zij in essentie tot afgifte bewogen is door de belofte dat ze het geld snel terug zou krijgen.
47. Het hof heeft overwogen dat de verdachte ‘herhaaldelijk en indringend evident leugenachtige redenen aanvoerde waarom hij het geld nodig had en dat hij het geld snel nodig had’ en dat hij telkens druk uitoefende op [slachtoffer] ‘door haar voor te houden dat de terugbetaling niet plaats zou vinden als zij hem niet zou helpen met dit laatste bedrag’. Ook voerde hij volgens het hof ‘regelmatig emotionele druk op haar uit’. Door deze ‘opeenstapeling van leugens’ zag [slachtoffer] volgens het hof geen andere uitweg dan te betalen. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd dat [slachtoffer] door het bewezenverklaarde samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van de geldbedragen. Daaraan doet niet af hetgeen de steller van het middel over de verklaringen van het slachtoffer aanvoert. Ik merk daarbij op dat in cassatie niet wordt aangevoerd dat en waarom de uitleg die het hof heeft gegeven aan de verklaring die [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd onbegrijpelijk zou zijn.
48. De derde deelklacht faalt.
49. De
vierdedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat geen sprake kan zijn van oplichting omdat het slachtoffer had moeten doorzien dat zij haar geld mogelijk niet (binnen de afgesproken of beloofde termijnen) terug zou krijgen en desondanks overging tot afgifte ervan.
50. Uw Raad heeft in de overzichtsarresten inzake oplichting onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
‘2.4. In de voorgaande overwegingen staan de verschillende oplichtingsmiddelen centraal. Opmerking – en in voorkomende gevallen aparte aandacht – verdient nog dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.’
51. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de persoonlijkheid van het slachtoffer mede bepaalt of (van ‘bewegen’ en daarmee) van oplichting sprake is. Ik heb eerder aarzelingen bij die benadering naar voren gebracht. Als de kwaliteiten van het slachtoffer een bepalende rol spelen bij de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid, kan dat tot een onderzoek naar de persoonlijkheid van het slachtoffer nopen, ‘tot en met een intelligentietest. Maar ook zonder dergelijk onderzoek kan een voor de vaststelling van aansprakelijkheid noodzakelijke inschatting van de kwaliteiten van het slachtoffer eenvoudig tot secundaire victimisatie leiden. Een veroordeling kan impliceren dat de verstandelijke vermogens van het slachtoffer niet erg hoog worden aangeslagen.’ [38] Bemelmans en Hofstee hebben een andere uitleg voorgesteld: deze in het ‘bewegen’ ingelezen eis zou geen betrekking hebben ‘op de gedragingen van het slachtoffer maar op die van de dader. Het gaat hier om de kwaliteit en overtuigingskracht waarmee de oplichter te werk is gegaan’. [39]
52. Recentelijk leidde deze eis tot cassatie in een arrest van 3 september 2024. [40] In het bestreden arrest waren (onder meer) drie gevallen van oplichting bewezenverklaard. De verdachte had de aangeefsters telkens bewogen tot afgifte van één of meer mobiele telefoons en het aangaan van een schuld, te weten één of meer telefoonabonnementen. A-G Hofstee leidt in de conclusie die aan het arrest voorafgaat uit de vaststellingen van het hof af dat het samenweefsel van verdichtsels steeds inhield dat de betrokken aangeefster (veel) geld zou kunnen verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen door de verkoop van de verkregen telefoons en dat de verdachte iemand kende die de abonnementen uit het systeem kon verwijderen zodat de aangeefster er geen factuur van zou krijgen (randnummer 18). Dat laatste element is telkens (in andere bewoordingen) bewezenverklaard. A-G Hofstee leidt uit de bewijsoverwegingen af dat alle drie aangeefsters wel door hadden dat er iets niet klopte; uit de bewijsvoering volgt niet dat de persoonlijkheid van de vrouwen een rol van betekenis heeft gespeeld (randnummer 21). Hij meent dat het oordeel van het hof over het ‘bewegen tot’ onvoldoende is gemotiveerd. Uw Raad is van oordeel dat het middel slaagt en verwijst naar de conclusie.
53. Een belangrijk element in deze strafzaak en in een eerdere zaak waarin dit element in de interpretatie van ‘bewegen’ tot cassatie heeft geleid, is dat de slachtoffers is voorgespiegeld dat zij veel geld zouden kunnen verdienen. [41] Dat element ontbreekt in de onderhavige zaak. [slachtoffer] is niet tot de afgifte van geldbedragen bewogen met de belofte dat zij meer terug zou krijgen dan zij aan verdachte betaalde en had betaald. Hebzucht was geen beweeg-reden.
54. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat [slachtoffer] (mede) onder invloed van het in de bewezenverklaring weergegeven samenweefsel van verdichtsels tot afgifte van de geldbedragen is overgegaan. Wat de omstandigheden van het geval betreft, heeft het hof overwogen [slachtoffer] niet tot de afgifte van geldbedragen is bewogen ‘door een algemene belofte dat zij zou worden terugbetaald, maar door concrete en herhaalde leugens die door de verdachte op een zeer indringende manier aan haar werden verteld’. En dat de verdachte er ‘alles aan deed om de bij [slachtoffer] opkomende twijfels weg te nemen.’ Het hof acht voorts van belang dat de verdachte [slachtoffer] ‘doelbewust heeft afgesneden van hulp door familie of vrienden, door telkens aan te dringen op geheimhouding van de ‘leningen’.’ Het hof neemt wat de persoonlijkheid van [slachtoffer] betreft in aanmerking dat zij een alleenstaande weduwe op leeftijd was, die de (financiële) zaken tijdens haar huwelijk altijd had overgelaten aan haar echtgenoot. En dat zij ‘is omschreven als een enigszins naïeve vrouw, die graag mensen wilde helpen’.
55. Ik meen dat het hof aldus toereikend heeft gemotiveerd dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid [slachtoffer] geen aanleiding heeft moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, en toereikend heeft verhelderd waarom de persoonlijkheid van het slachtoffer eveneens bijdraagt aan de bewijsvoering van het ‘bewegen’.
56. De steller van het middel brengt tegen ’s hofs overweging in dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] wilde informeren maar zij het niet hoefde te weten, de reden die [slachtoffer] (naar ik begrijp, ter terechtzitting in hoger beroep) heeft gegeven voor het blijven uitlenen van het geld, en de omstandigheid dat het slachtoffer zelf ter terechtzitting in hoger beroep aangaf het op enig moment zelf ook niet meer helemaal te vertrouwen en om die reden telefoongesprekken is gaan opnemen en app-gesprekken is gaan bewaren. De steller van het middel wijst voorts op ‘alle waarschuwingen die het slachtoffer uit haar omgeving en van de politie ontving’. Het hof zou in het bijzonder in onvoldoende mate acht hebben geslagen op ‘ontlastend bewijs’; uit verklaringen van getuigen die in juni 2022 op de terechtzitting zijn gehoord leidt de steller van het middel af dat ‘het slachtoffer door diverse mensen in haar omgeving, waaronder de politie, was gewaarschuwd dat ze geen geld meer moest uitlenen aan’ de verdachte.
57. Deze bezwaren zien eraan voorbij dat het hof er niet van uitgaat dat bij het slachtoffer geen twijfels hebben bestaan over het waarheidsgehalte van de mededelingen van verdachte. Het hof spreekt over ‘concrete en herhaalde leugens’ die ‘op een zeer indringende manier’ werden verteld en over ‘het wegnemen van twijfels’. Dat bij het slachtoffer twijfels hebben bestaan, en dat deze zijn gevoed door contacten met derden, betekent evenwel nog niet dat de ‘in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid’ het slachtoffer aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen, zodat haar de bescherming die de strafbaarstelling van oplichting biedt dient te worden ontzegd. [42] Daar komt bij dat deze omstandigheid niets afdoet aan ’s hofs vaststellingen inzake de persoonlijkheid van het slachtoffer en de overtuigingskracht van de verdachte.
58. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het hof onvoldoende acht heeft geslagen op ontlastend bewijs merk ik nog op dat selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is. En dat in cassatie niet wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
59. Ook de vierde deelklacht faalt.
60. Daarmee faalt het middel
Bespreking van het derde middel
61. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een onderzoekswens ten onrechte dan wel, naar ik begrijp, op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Uit de toelichting blijkt dat het middel ziet op het verzoek een proces-verbaal te laten opmaken waarin wordt uiteengezet hoe de politie bij het Ministerie van Defensie eerst aan de informatie kwam dat er geen lopende procedures waren en later te horen kreeg dat die er toch wel waren.
62. De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2021, zo bleek, onderzoekswensen geformuleerd waarvan het noodzakelijk zou zijn dat zij ‘worden uitgevoerd alvorens de zaak verder inhoudelijk aan de orde kan komen’. Daartoe behoort een verzoek om een proces-verbaal op te maken dat antwoord geeft op een aantal vragen die zien op informatieverstrekking door Defensie (6.1.7 en 6.1.7.1). Ik teken daarbij aan dat de steller van het middel verwijst naar andere randnummers in de pleitnota.
63. Dit verzoek is in het tussenarrest van 17 februari 2021 door het hof afgewezen, in de kern omdat er ‘geen aanwijzingen (zijn) dat de politie van het ministerie van Defensie andere informatie heeft gekregen over de procedure met de verdachte dan is gerelateerd’. [43] Nader onderzoek is volgens het hof niet noodzakelijk.
64. De steller van het middel meent dat deze afwijzing onbegrijpelijk is nu het verzochte proces-verbaal de vraag kan beantwoorden ‘in hoeverre (bijvoorbeeld) AMB-001 juist is opgemaakt’. Indien zou blijken ‘dat dit proces-verbaal en de daarmee gepaard gaande vorderingen onjuist of onvolledig zijn opgemaakt’ zou dat iets zeggen ‘over de vraag in hoeverre de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden’ en over de vraag of verdachte een eerlijk proces heeft gehad.
65. Uit een arrest van Uw Raad van 1 december 2020 kan worden afgeleid dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie als processuele sanctie op een vormverzuim aangewezen kan zijn bij ‘een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd’. [44]
66. In aanmerking genomen dat het verzoek ziet op informatieverstrekking door Defensie, dat de raadsman niet heeft aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat de politie de verkregen informatie incorrect heeft weergegeven, en dat niet wordt verhelderd waarom door deze informatieverstrekking het recht op een eerlijk proces gevaar zou hebben gelopen, meen ik dat het hof het verzoek op toereikende gronden heeft afgewezen.
67. Ten overvloede wijs ik erop dat (bij de bespreking van het eerste middel bleek dat) het hof in het bestreden arrest is ingegaan op het betoog dat sprake zou zijn van onherstelbare vormverzuimen. Dat betoog was onder meer gebaseerd op de stelling dat het onderzoek ten aanzien van lopende gerechtelijke procedures bij het Ministerie van Defensie onzorgvuldig is geweest, ‘omdat daarover een onjuist proces-verbaal is opgemaakt en er in het vervolg ten onrechte vanuit is gegaan dat de verdachte geen dienstverband had en dat er geen gerechtelijke procedures waren’. Het hof heeft in reactie op dit verweer aangegeven dat in het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2018 is gerelateerd ‘dat bij het Ministerie van Defensie geen informatie bekend was omtrent juridische procedures tussen de verdachte en Defensie’, en dat op die datum inderdaad ‘geen procedure aanhangig’ was. En dat er geen aanwijzingen zijn ‘dat de politie ervan op de hoogte is of had moeten zijn dat er nog andere procedures zouden komen’. Het hof heeft voorts overwogen ‘dat de onvolledigheid van de informatie in een vroeg stadium is hersteld’.
68. Het middel faalt.
Afronding
69. De drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld. Dat dient tot strafvermindering te leiden. Voorts vraagt de maximale duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel de aandacht. Het hof heeft de maximale duur bepaald op 365 dagen; nu de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2014 tot 16 juli 2018 kan de duur van de gijzeling evenwel maximaal 360 dagen bedragen. [45] Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
70. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, alsmede wat betreft het aantal dagen dat de gijzeling ten hoogste kan bedragen, tot vermindering van dat aantal tot 360, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de tenlastelegging van het bewezenverklaarde feit worden bij zes gedachtestreepjes gedragingen omschreven waardoor [slachtoffer] (valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid) tot afgifte van een geldbedrag zou zijn bewogen. De rechtbank heeft daarvan alleen de gedragingen die bij de laatste twee gedachtestreepjes omschreven zijn bewezen verklaard. Ik merk op dat zich in de onderhavige zaak dus niet het geval voordoet ‘waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken’, als bedoeld in rechtsoverweging 2.5 van HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
2.Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] van 11 juli 2018, p. 9 e.v. procesdossier hoger beroep (AAN-02).
3.Proces-verbaal inhoud van afgegeven enveloppen van 29 mei 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door verbalisant [getuige 9] , p. 13 e.v. procesdossier hoger beroep (AMB-11).
4.Getuigenverklaring van [slachtoffer] , zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022.
5.Relaas procesdossier hoger beroep, p. 6-7.
6.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], p. 70 -71 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
7.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 71 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
8.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], p. 74 - 75 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
9.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 75 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
10.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 76 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
11.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 77 - 79 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
12.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 79 – 81 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
13.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 81 – 82 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
14.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 82 – 84 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
15.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 84 - 85 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
16.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 85 - 86 procesdossier hoge 'beroep (AMB-74).
17.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 86 - 87 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
18.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 88 - 89 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
19.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 91 - 92 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
20.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 92 - 93 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
21.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 94 - 95 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
22.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 96 - 97 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
23.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 96 - 100 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
24.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 100 - 101 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
25.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 102 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
26.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 104 - 105 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
27.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 106 - 107 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
28.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 111 - 113 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
29.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018. in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 114 - 116 procesdossier hoger beroep (AMB-74).
30.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 121 - 122 procesdossier hoger beroep (AMB-74). De genoemde telefoongesprekken zijn uitgebreid uitgewerkt in: Proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 139 - 209 procesdossier hoger beroep (AMB-76).
31.Proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 205 - 208 procesdossier hoger beroep (AMB-76).
32.Getuigenverklaring van [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022.
33.Proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 139 - 209 procesdossier hoger beroep (AMB-76). Getuigenverklaring van C.T [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2022.
34.Proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 96 -100 procesdossier hoger beroep (AMB-74). Proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant]. p. 193 — 194 procesdossier hoger beroep (AMB-76).
35.Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
36.HR 14 oktober 1940, ECLI:NL:HR:1940:BG9448,
37.Zie onder meer HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889,
38.Conclusie voor HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:327.
40.HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1106.
41.Zie HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1149,
42.Vgl. in dit verband HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:652,
43.Ik teken daarbij aan dat de steller van het middel kennelijk abusievelijk spreekt over de afwijzing van een eerder verzoek op de terechtzitting van 13 maart 2020.
44.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
45.HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812.