ECLI:NL:PHR:2024:1253

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
24/01360
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 5.1.5 SvArt. 5.1.8 SvArt. 5.1.10 SvArt. 5.1.11 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen ongegrondverklaring beklag inzake internationale rechtshulp Oekraïne

Klaagster heeft zich verzet tegen de kennisneming en het gebruik van gegevens die zij op grond van een vordering ex art. 126nd Sv in verbinding met art. 5.1.8 Sv aan het Openbaar Ministerie heeft verstrekt in het kader van een strafrechtelijk onderzoek van Oekraïense autoriteiten. Zij voerde aan dat sprake is van een relatief politiek delict en dat het gebruik van de gegevens daarom geweigerd moet worden op grond van art. 5.1.5 lid 4 en 5 Sv. Daarnaast klaagde zij over de geheimhouding van de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beklag ongegrond, stellende dat geen sprake is van de genoemde weigeringsgronden en dat de geheimhouding gerechtvaardigd is. De rechtbank baseerde zich onder meer op een brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid waarin werd bevestigd dat er geen onoverkomelijke bezwaren zijn tegen uitvoering van het rechtshulpverzoek. Klaagster stelde cassatieberoep in.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het interstatelijke vertrouwensbeginsel toepaste en de juistheid van de door Oekraïne verstrekte informatie als uitgangspunt nam. De motivering van de rechtbank is voldoende, ook al is de toelichting summier vanwege de geheimhouding. De klachten over onvoldoende motivering en schending van beginselen van behoorlijke procesorde falen, mede omdat klaagster niet heeft verzocht om verstrekking van de afgeschermde stukken en geen verweer heeft gevoerd dat haar verweer daardoor ernstig is beperkt.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep faalt en het vonnis van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beklag tegen kennisneming en gebruik van gegevens wordt ongegrond verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01360 Br
Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 28 maart 2024 het op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de gegevens die door de klaagster zijn verstrekt op grond van een vordering als bedoeld in art. 126nd Sv in verbinding met art. 5.1.8 Sv, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 2 april 2024 ingesteld namens de klaagster. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de ongegrondverklaring van het klaagschrift en de geheimhouding van de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel faalt.

2.Het verloop van de zaak

2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van 27 maart 2023 en een aanvullend rechtshulpverzoek van 18 juli 2023 van de Oekraïense autoriteiten zijn op 12 februari 2024 op grond van een vordering als bedoeld in art. 126nd Sv in verbinding met art. 5.1.8 Sv in een strafrechtelijk onderzoek door de klaagster gegevens verstrekt met betrekking tot de in die vordering genoemde (rechts)personen.
2.3
De Oekraïense autoriteiten hebben verzocht bij de behandeling van de rechtshulpverzoeken vertrouwelijkheid/geheimhouding in acht te nemen. De rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken zijn daarom niet aan de klaagster verstrekt.
2.4
Op 12 februari 2024 is namens de klaagster op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.1.11 Sv een klaagschrift ingediend, gericht tegen de kennisneming en het gebruik van de door de klaagster verstrekte gegevens. Dit klaagschrift houdt onder meer in:
“4. [klaagster] stelt zich op het standpunt dat de art. 126nd Sv-vordering die door de verwijzing naar art. 5.1.8 Sv blijkbaar in het kader van internationale rechtshulp wordt toegepast, moet worden tegengehouden omdat sprake is van een tweetal weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.1.5 Sv.
5. Ten eerste is de weigeringsgrond uit art. 5.1.5 lid 4 Sv van toepassing, nl. het vermoeden dat het rechtshulpverzoek is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn staatkundige overtuiging.
6. Ten tweede is de grond van het vijfde lid van art. 5.1.5 Sv aan de orde, nl. een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmede verband houdende feiten.
7. De toepassing van de vordering tot verstrekking van gegevens ex art. 126nd Sv heeft in casu niet plaatsgehad – voor zover klaagster heeft kunnen vaststellen – na voorafgaand overleg met en instemming van de minister van Justitie & Veiligheid, zoals wel is voorgeschreven in art. 5.1.5 Sv, minst genomen met betrekking tot de weigeringsgrond als bedoeld in het vijfde lid van die bepaling.
8. Ter onderbouwing van de gronden waarop deze klacht berust, wordt een Engelstalig memorandum van het Oekraïense advocatenkantoor van klaagster, Avellum, als
Bijlage 2Abij dit klaagschrift gevoegd. De Nederlandse vertaling daarvan wordt als
Bijlage 2Ben bijlagen bij het memorandum worden als
Bijlage 3bijgevoegd.
9. Daarin wordt het politieke karakter van het onderzoek dat is gericht tegen voormalig democratisch gekozen president Petro Poroshenko, een van de partijen ten aanzien van wie gegevens ex art. 126nd juncto art. 5.1.8 Sv worden gevorderd, uitvoerig beschreven. De overige in de vordering genoemde rechtspersonen zijn op enigerlei wijze met de heer Poroshenko in verband te brengen.
10. Relevante feiten en omstandigheden uit de beschrijving van de achtergronden bij het rechtshulpverzoek, die duiden op het politieke karakter van het strafrechtelijk onderzoek, zijn onder meer het gegeven dat er sinds 2019 meer dan 60 strafrechtelijke onderzoeken zijn gericht tegen de heer Poroshenko, dat de internationale gemeenschap grote zorgen heeft geuit over die situatie, daarbij wijzend op het politieke karakter van de vervolging en dat in de media het hoofd van een van de competente afdelingen van de Oekraïense dienst SBI zou hebben gezegd dat de strafrechtelijke onderzoeken geen bewijs hadden opgeleverd en in Europa als politiek gedreven zouden worden beschouwd.
11. Teneinde te voldoen aan de vordering tot verstrekking van gegevens, zijn door klaagster de relevante gegevens aan het Openbaar Ministerie (door tussenkomst van de FIOD) op 12 februari 2024 digitaal verstrekt Dit is evenwel geschied nadat klaagsters advocaat en de officier van justitie tot de afspraak zijn gekomen dat de overgedragen gegevens en stukken niet aan de verzoekende staat (lees: de Oekraïense autoriteiten) ter beschikking zullen worden gesteld totdat op het beklag zal zijn beslist. De e-mailcorrespondentie ter zake tussen de advocaat van klaagster en het Functioneel Parket wordt hierbij gevoegd als
Bijlage 4.
(…)
REDENEN WAAROM:
Klaagster verzoekt de toepassing van de vordering ex artikel 126nd Sv ongedaan te maken en te beslissen dat het Openbaar Ministerie niet van de desbetreffende gegevens kennisneemt of die gegevens gebruikt door deze over te dragen aan Oekraïne als verzoekende staat in het internationale rechtshulpverkeer, althans verzoekt een zodanige beslissing te nemen als zal worden vermeend te behoren.”
2.5
Op 14 maart 2024 is het klaagschrift van de klaagster behandeld door de meervoudige raadkamer van de rechtbank. Blijkens het proces-verbaal van deze raadkamerzitting heeft de raadsman van de klaagster het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota die als bijlage 1 is gehecht aan het proces-verbaal. Ik geef hieronder die pleitnota en de – blijkens het proces-verbaal en een door de raadsman opgesteld stuk – daarop gegeven aanvullingen weer. De aanvullingen zijn door mij gecursiveerd en voorzien van iets inspringende cijfers. Het gaat, voor zover relevant, om het volgende (met weglating van de voetnoten):
“3. (…) De gronden van het beklag zijn (…) te vinden in art. 5.1.5 lid 4 en lid 5 Sv: (kort gezegd) de vervolging van de verdachte in verband met zijn staatkundige overtuiging respectievelijk een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmee samenhangende feiten.
4. Voor de beoordeling of sprake is van strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten, is volgens de literatuur aannemelijk dat dezelfde rubricering van die delicten geldt als in het uitleveringsrecht. Ik zal dan ook bij de juridische beschouwing van de feiten jurisprudentie uit het uitleveringsrecht bij de onderbouwing van de klachten betrekken.
5. Een memorandum van het Oekraïense advocatenkantoor Avellum (
Bijlage 2A en Bbij het klaagschrift) behelst al een eerste aanzet ter onderbouwing van de bezwaren tegen kennisneming en gebruik van de in beslag genomen gegevens. Wat ik nu zal bepleiten, bouwt daarop voort en betreft tevens een juridische invulling van de feiten.
(…)
Feiten en achtergronden: de situatie in Oekraïne
9. De reden waarom [klaagster] ervan uitgaat dat de verzoekende staat Oekraïne betreft, is te vinden in de positie die voormalig president Petro Poroshenko in de vordering van het OM inneemt, in relatie tot de rechtspersonen waarop het verplicht verstrekken van de bij cliënte berustende gegevens ziet.
10. Deze 126nd-vordering vermeldt [klaagster] (Nederland), [bedrijf 1] S.à.r.l. (Luxemburg) en [bedrijf 2] Limited (Cyprus), deel uitmakend van de internationale zoetwarenactiviteiten van voormalig president van Oekraïne, Petro Poroshenko. Deze handelsactiviteiten werden door Poroshenko overgedragen aan een zogeheten
blind trustomdat hij president werd in 2014. Het leidde tot de oprichting van een bedrijfsstructuur die de genoemde bedrijven omvat. Zodoende was Poroshenko sinds 2016 niet meer de juridisch eigenaar van de ondernemingen, ofschoon hij uiteindelijk begunstigde (UBO) bleef tot 2019. Daarna werd Poroshenko's zoon de UBO, zodat de ondernemingen als het Poroshenko-familiebedrijf kunnen worden gekenschetst.
11. [klaagster] (voorheen [bedrijf 3] B.V. genaamd) heeft deelnemingen in onder andere Nederland, Hongarije en Oekraïne, die actief – en in Oost-Europa heel groot – zijn in de snoepgoed-industrie en de handel in landbouwproducten zoals graan en maïs.
12. [bedrijf 4] Limited (BVI) die ook in de 126nd-vordering wordt vermeld als rechtspersoon waar de gegevensverstrekking op ziet, maakte korte tijd deel uit van dezelfde structuur. Het was een zogenaamde
Special Purpose Vehicle(SPV) die werd gebruikt om de overdracht van de groep in
blind trustte regelen. Deze trustfiguur werd beheerd door de Rothschild Groep die bevestigde dat de nieuwe juridische structuur voldeed aan de internationale normen voor het scheiden van belangen van politiek actieve begunstigden om belangenconflicten te voorkomen.
13. Het memorandum van Avellum schetst tamelijk uitvoerig en gedetailleerd de situatie van de tegen voormalig president Poroshenko bestaande strafrechtelijke onderzoeken.
14. Samengevat weergegeven is dit de hoofdlijn
 Sinds 2019 zijn er meer dan 60 strafzaken geregistreerd waarin Poroshenko het doelwit was.
 Er zijn geen schuldigverklaringen uitgesproken tegen Poroshenko en geen van de genoemde strafzaken is doorverwezen naar de rechtbank voor berechting.
 Alleen al de verscheidenheid en het enorme aantal strafzaken suggereren dat de autoriteiten een kruistocht tegen Poroshenko zijn begonnen.
 De internationale gemeenschap sprak haar grote bezorgdheid uit over deze ontwikkelingen en wees op de politieke aard van de vervolging.
 Oekraïense media meldden herhaaldelijk dat de heer Portnov – waarover zo dadelijk meer – na de presidentsverkiezingen van 2019 naar Oekraïne is teruggekeerd en bij de SBI talrijke aangiften tegen Poroshenko heeft ingediend.
 Bovendien heeft Portnov in de media actief kritiek geuit op Poroshenko en hem in voorkomend geval met gevangenisstraf bedreigd.
 Op 9 december 2021 hebben de VS sancties opgelegd aan Portnov vanwege zijn corrupte praktijken bij de Oekraïense justitie en wetshandhavingsinstanties. Volgens het persbericht van het Amerikaanse Ministerie van Financiën staat Portnov algemeen bekend als een ‘
court fixer’. Vanaf 2019 heeft Portnov 'stappen ondernomen om de Oekraïense rechterlijke macht te controleren’, 'samengespannen met een hooggeplaatste Oekraïense regeringsfunctionaris om de hogere juridische instelling van het land in hun voordeel vorm te geven’, en 'is hij betrokken geweest bij een poging om de Oekraïense procureur-generaal te beïnvloeden’.
 Het verloop van het onderzoek in de strafzaken tegen Poroshenko blijft ver achter bij de verwachte normen voor een eerlijke rechtsgang en komt neer op misbruik van procesrecht.
 Uit de gegevens die op sociale media openbaar werden gemaakt, bleek dat het presidentieel bureau nauw betrokken was bij de strafzaken tegen Poroshenko.
 Onder de getapte telefoongesprekken die in de Oekraïense media zijn weergegeven, bevindt zich een vermeende dialoog over strafzaken met betrekking tot Poroshenko tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (toenmalig hoofd van de derde onderzoekseenheid van de SBI die een reeks strafzaken tegen Poroshenko behandelde). In deze dialoog zou [betrokkene 2] hebben gemeld dat deze strafzaken geen bewijs hebben en in Europa zouden worden gezien als 'politiek gedreven’.
 Het toenmalige plaatsvervangend hoofd van de SBI oefende systematisch druk uit op [betrokkene 2] als leider van het onderzoeksteam in de strafzaken tegen Poroshenko om deze zaken vooruit te helpen, ondanks zijn opvattingen over het gebrek aan bewijs.
 Kort nadat deze verklaring was vrijgegeven, hield [betrokkene 2] een openbare briefing waarin hij verklaarde dat naar zijn mening ‘ongeveer 80% van de strafzaken waarin Poroshenko het doelwit is, geen perspectief hebben’.
 In januari-februari 2020 deelde [betrokkene 2] de topfunctionarissen van de SBI, [betrokkene 3] en [betrokkene 4], mee dat de strafzaken tegen Poroshenko geen kans van slagen hebben. [betrokkene 2] zei dat de onderzoekers alle vereiste onderzoeksacties hadden uitgevoerd en tot de conclusie waren gekomen dat er daadwerkelijk geen misdrijf is gepleegd en dat er geen elementen van criminaliteit zijn, om welke reden de strafzaken moeten worden gesloten.
15. Uit dit feitenrelaas komt de persoon van Andriy Portnov naar voren als de persoon die uit is op vervolging van de ex-president Poroshenko. De vraag is waarom. Volgens het advocatenkantoor Avellum, die de politieke situatie in Oekraïne zeer goed kent, is het antwoord op die vraag te vinden in het volgende.
16. In 2014, toen het regime van president Janoekovitsj viel, werd Portnov uit zijn functie bij het presidentiële bestuur van Janoekovitsj gezet en ontvluchtte hij Oekraïne, toen onderzoeken naar criminele activiteiten van het Janoekovitsj-regime werden gestart. Portnov was betrokken bij een aantal van die onderzoeken.
17. Eenmaal in het buitenland begon Portnov zijn kruistocht tegen de pro-EU, pro-democratische machten, waarbij hij beweringen en beschuldigingen in de media verspreidde en kritiek uitte op hervormingen in Oekraïne.
18. Toen Poroshenko in 2019 de verkiezingen verloor, keerde Portnov terug naar Oekraïne en meende wraak te kunnen nemen op politieke vijanden, gebruikmakend van zijn connecties in de presidentiële kringen rond de nieuwe president Volodymyr Zelenskyi.
19. Een van die connecties is de heer Oleh Tatarov, plaatsvervangend hoofd van het presidentieel bureau (een overigens controversiële benoeming door president Zelenskyi). Tatarov wordt geacht de wetshandhaving te coördineren (met uitzondering van de National Anticorruption Bureau of Ukraine, 'NABU’ en de Specialised Anticorruption Prosecutor’s Office, ‘SAPO',), en heeft uitgebreide invloed in het Oekraïense Staatsbureau voor Onderzoek, in het Engels de State Bureau of Investigations en afgekort SBI, de wetshandhavingsinstantie die het meest betrokken is bij onderzoeken naar Poroshenko.
20. Oleh Tatarov wordt net als Portnov bekritiseerd voor het inzetten van het strafrecht en de SBI (in de Oekraïense afkorting ’DBR') om tegengeluiden in de kiem te smoren. Recent nog, op 11 en 12 maart jl., heeft het nieuwsplatform 'Kyiv Indepedent’ verschillende artikelen gepubliceerd over een onterecht strafrechtelijk onderzoek naar de activist Shabunin (
Bijlage 4, doorgenummerd). Hij is het hoofd van het bestuur van het Anti-Corruption Action Center in Oekraïne. Shabunin heeft regelmatig kritiek geuit op Tatarov, die in 2020 werd beschuldigd van omkoping. Zelf concludeert Shabunin: "
Attacks by media and law enforcement on those whom the President's Office considers its enemies will continue”.
21. Met weinig tot geen inmenging van wetshandhavers, of zelfs directe hulp zoals het geval is met de SBI, heeft Portnov zijn inspanningen opgevoerd om Poroshenko en zijn politieke bondgenoten te ondermijnen. Vanuit het perspectief van Portnov bevindt Poroshenko zich in een kwetsbare positie, aangezien hij niet langer een presidentieel ambt bekleedt.
22. Door Poroshenko te compromitteren, hoopt Portnov een overwinning te behalen en de politieke macht van zijn tegenstanders terug te winnen. Portnov gaf zelfs toe in een interview dat "mensen zoals Poroshenko moeten worden gesloopt, beschaamd, als giftig beschouwd en veroordeeld”.
23. Afgezien van het belasteren van Poroshenko, heeft Portnov behoorlijke bekendheid verworven vanwege zijn gedrag tegenover degenen die worden gezien als een obstakel voor zijn politieke doel. Zijn tegenstanders zijn onder meer maatschappelijke organisaties, journalisten en zelfs openbare aanklagers en wetshandhavers. Portnov publiceerde persoonlijke gegevens van Oekraïense journalisten en cameraploegen op zijn Telegram-kanaal en beloofde hen ‘een analyse van hun privéleven en een onopvallende escorte 's nachts’.
24. Het belangrijkste motief van de acties van Portnov is wraak op de pro-EU, pro-democratische politieke groeperingen die na Euromaidan in 2014 aan de macht kwamen. Volgens Portnov worden deze bevoegdheden gepersonifieerd door Poroshenko als de democratisch gekozen president na de ineenstorting van het regime van Janoekovitsj, wat ook leidde tot de val van Portnov uit zijn politieke ambt.
25. De strafrechtelijke onderzoeken van de SBI worden vaak gekenmerkt door het schenden van de onschuldpresumptie of door het uitvoeren van invallen en het in beslag nemen van activa zonder goede reden. Bovendien hebben sommige strafzaken die in 2019 tegen Poroshenko zijn ingeleid, in de tussentijd aanzienlijke veranderingen ondergaan in onderwerp, waardoor ze in wezen zijn veranderd in
fishing expeditions.
26. Het is goed onder de aandacht te brengen dat Poroshenko nog steeds politiek actief is. Momenteel zit hij in de oppositie met zijn politieke partij European Solidarity. Onlangs uitte het Europees Parlement zijn zorgen over beperkingen die de zittende regering had opgelegd aan de politieke activiteiten van European Solidarity (
Bijlage 5). Dergelijke beperkingen waren een andere manier van de Oekraïense autoriteiten om politieke druk uit te oefenen op Poroshenko en zijn politieke kracht.
27. Het spectrum van beschuldigingen aan het adres van Poroshenko wordt volgens Avellum door velen in Oekraïne als ongegrond en absurd beschouwd. Zo werd Poroshenko op een gegeven moment door de SBI beschuldigd van het smokkelen van kunstwerken naar Oekraïne, terwijl deze nadat zij bij de douane waren aangegeven in een museum werden tentoongesteld, naast de douaneaangiften. Zowel de kunstvoorwerpen als de aangiften werden in beslag genomen door de SBI maar de zaak werd niet gesloten. Bij een andere gelegenheid zou Poroshenko tijdens zijn presidentschap hebben geprobeerd zich de macht toe te eigenen terwijl hij die al had op basis van de grondwet.
De positie van [klaagster] vanuit internationale rechtshulp-perspectief
28. Tegen deze achtergrond bestaat er volgens Avellum een kans dat [klaagster] wordt meegezogen in een politiek proces in Oekraïne. Alhoewel [klaagster] redelijkerwijs niet als verdachte kan worden aangemerkt in een Oekraïense strafzaak, kan zij toch worden onderworpen aan maatregelen zoals het bevriezen van tegoeden of ondervraging van sleutelfiguren die voor haar werkzaam zijn. Vanwege de politieke aard van de 'strafzaken' is de betrokkenheid van [klaagster] bij de onderhavige onderzoeken nadelig voor haar bedrijfsactiviteiten.
29. De SBI kan stellen – hoe ongefundeerd ook – dat [klaagster] fondsen beheert die zijn verkregen door (vermeende) belastingontduiking of andere illegale activiteiten in Oekraïne, en zij kunnen op deze gronden om bevriezing van tegoeden verzoeken. Volgens Avellum belemmert de SBI, na het opleggen van een bevriezing van tegoeden, geregeld verder onderzoek door geen bewijs te verzamelen of geen verdenkingsbericht uit te vaardigen. In dergelijke gevallen kan de bevriezing van tegoeden vrijwel onbeperkt voortduren.
30. Ten aanzien van deze werkwijze heeft de Nationale Veiligheids- en Defensieraad van Oekraïne zelfs verklaringen afgelegd waarin de wetshandhavingsinstanties worden opgeroepen hun onnodig onderdrukkende onderzoekspraktijken tegen bedrijven te herzien (
Bijlage 6).
30. We willen ook uw aandacht vestigen op het feit dat de politieke vervolging van de heer Poroshenko en zijn relaties onderwerp was van een zaak voor het EHRM, namelijk Rolik en Shandra tegen Oekraïne.
De heer Valeriy Oleksandrovych Shandra was de directeur van PrJSC "Kuznya on Rybalsky", een scheepsbouwbedrijf waar de heer Poroshenko tot 2018 begunstigde van was.
De SBI beweerde dat de heer Shandra in de periode 2016-2018 samenspande met ambtenaren van het Ministerie van Defensie om oorlogsschepen van onvoldoende kwaliteit te leveren. Daarmee impliceerde de SBI dat de heer Poroshenko van de regeling profiteerde. In het kader van dit onderzoek werd de heer Shandra in juli 2021 zonder geldige reden onrechtmatig aangehouden en tot november 2021 vastgehouden als onderdeel van de kruistocht tegen de heer Poroshenko en zijn partners.
Het EHRM wees zeer recent, op 18 januari 2024, arrest en besliste dat de klacht wegens schending van art. 5 lid 3 EVRM Pro gegrond was (Rolik en Shandra t. Oekraïne, zaaknummers 13921/17 en 54870/21).
Dit laat zien dat ook partijen die behoren tot de kring van relaties van de heer Poroshenko, volstrekt ten onrechte kunnen worden meegezogen in diens politieke vervolging. Het laat ook zien dat er gebrek aan rechterlijke beteugeling is in die gevallen. [klaagster] vreest dat zij op een vergelijkbare manier door de Oekraïense autoriteiten in het schemergebied van politieke processen kan worden betrokken, als de aan het OM verstrekte gegevens uiteindelijk in Oekraïne belanden.
31. Nederland moet voorkomen om via de internationale rechtshulpprocedure aan dit soort praktijken medeplichtig te zijn.
De weigeringsgronden van art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv
32. (…)
32. De brief van het ministerie die wij vanochtend ontvingen van het Openbaar Ministerie laat in wezen ook zien dat de Nederlandse autoriteiten het mogelijk zien als een politiek proces. Ze hebben namelijk ook gedacht aan artikel 5.1.5 Sv.
33. De eerste weigeringsgrond waar [klaagster] een beroep op doet, is die van 'het oogmerk van discriminatoire behandeling' in verband met iemands staatkundige overtuiging, als bedoeld in het vierde lid van art. 5.1.5 Sv.
34. In de literatuur wordt aangenomen dat 'oogmerk’ moet worden gelezen als ‘in verband met’. De Minister van Justitie en Veiligheid is ter zake bevoegd te beslissen.
35. Voorts is ten aanzien van het begrip 'vervolgen’ voldoende dat sprake is van een situatie waarin een strafrechtelijk onderzoek of strafvervolging tegen de betrokkene loopt. Volgens Tekst & Commentaar, aantekening 3b bij artikel 5.1.5 Sv (met betrekking tot het begrip ‘vervolging' in het tweede lid) is voldoende dat er een opsporingsonderzoek gaande is.
36. De tweede weigeringsgrond die in casu van toepassing is, betreft die van het vijfde lid van art. 5.1.5 Sv: een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten. Deze bepaling schrijft voor, dat aan een rechtshulpverzoek niet wordt voldaan dan krachtens een machtiging van de Minister van Justitie en Veiligheid. Omdat in casu een rechtshulpverdrag aan het verzoek van Oekraïne ten grondslag ligt, zal ook de Minister van Buitenlandse Zaken moeten zijn geraadpleegd voor overleg.
36. Deze machtiging is er blijkbaar gekomen. Ik vraag de rechtbank zeer nadrukkelijk te kijken naar hetgeen ik u voorleg en op basis daarvan te beslissen of deze gegevens naar Oekraïne mogen gaan.
37. Voor de beoordeling of sprake is van strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten geldt dezelfde rubricering als in het uitleveringsrecht. Binnen dat kader heeft de nadere omlijning van het begrip ‘politiek delict’ zich voltrokken. De doctrine maakt onderscheid tussen absolute, complexe, connexe en relatieve politieke delicten.
37. Wij zijn niet in het bezit van de onderliggende stukken waardoor het voor ons onduidelijk is op welke delicten het rechtshulpverzoek ziet. We gaan uit van relatieve politieke delicten.
38. Omdat wij niet bekend zijn met de onderliggende processtukken die in de vordering ex art. 126nd juncto art. 5.1.8 Sv vermeld staan, valt niet goed vast te stellen om welke vorm van (beweerde) politieke misdrijven het in deze zaak gaat. Dat laat echter onverlet, dat we wel genoeg kunnen opmaken uit het door advocatenkantoor Avellum opgemaakte overzicht van de situatie in Oekraïne, om te stellen dat het hoogstwaarschijnlijk gaat om relatieve politieke delicten (ofschoon niet uit te sluiten valt dat ook andere vormen van politieke delicten ten grondslag liggen aan het rechtshulpverzoek).
39. Op pagina 6 van het Avellum-memorandum (
Bijlage 2Bbij h01et klaagschrift, de Nederlandse vertaling) wordt gewag gemaakt van de meer dan 60 strafzaken die tegen Poroshenko zijn geregistreerd, waarvan de beschuldigingen variëren van belastingontduiking tot ambtsmisbruik en hoogverraad. Dat laatste delict kwalificeert als een absoluut politiek delict waarvoor niet mag worden uitgeleverd.
39. Nu er geen uitlevering mag plaatsvinden, kan er ook geen sprake zijn van overdracht van gegevens in het kader van artikel 126nd Sv.
40. Wij weten niet welke (vermeende) delicten aan het rechtshulpverzoek ten grondslag zijn gelegd. Voor de beantwoording van de vraag of het hier 'strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten' betreft, is de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 17 april 2007 (ECLI:NL:PHR:2007:BA1764) richtinggevend. In overweging 9 merkt de P-G op:

Naar Nederlands recht kunnen gelet op de jurisprudentie, voor zover in dit verband van belang, worden onderscheiden:
(i) absoluut politieke delicten, zoals bijvoorbeeld opgenomen in de titels I en II van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, die rechtstreeks zijn gericht tegen de staat en het functioneren van zijn organen etc.
(ii) relatief politieke delicten, te weten op zichzelf commune delicten die echter in de context waarin, of de omstandigheden waaronder zij zijn begaan een – overwegend – politiek karakter hebben.
41. Een tweede element voor het beoordelingskader in deze beklagzaak is te vinden in de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 9 mei 2023 (ECLI:NL:PHR:2023:473), genomen in een uitleveringszaak met Rwanda als verzoekende staat. De rechtbank stond de uitlevering niet toe en de Hoge Raad, na een daartoe strekkend advies van de P-G, liet dat oordeel in stand.
42. De rechtbank overwoog in die zaak over het juridisch kader onder meer:

Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een verdragsrelatie, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (zie Hoge Raad 16 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, en Hoge Raad 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463). Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM, toekomend recht en dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste staat.
43. Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 (lid 1) EVRM is dus ook iets wat bij de beoordeling van de weigeringsgronden van art. 5.1.5 Sv moet worden betrokken. Uit de literatuur en rechtspraak van het Europese Hof in Straatsburg kan worden afgeleid dat indien is geconstateerd dat een procedure moet voldoen aan de door art. 6 gestelde Pro eisen, de vraag kan opkomen wanneer de verdachte aanspraak kan maken op de in dat artikel genoemde rechten.
44. Aantekening 3b bij art. 6 EVRM Pro in Tekst & Commentaar Strafvordering stelt in dit kader: “
Dit moment zal per recht en per zaak kunnen verschillen. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de verdachte reeds in het vooronderzoek aanspraak heeft op de in het derde lid genoemde rechten, bijvoorbeeld wanneer niet-naleving van die rechten in het vooronderzoek een nadelige invloed heeft op de eerlijkheid van het onderzoek ter terechtzitting (...)”.
45. Letter a van het derde lid van art. 6 EVRM Pro behelst het voorschrift dat ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, recht heeft om op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Dit voorschrift speelt in deze zaak een belangrijke rol.
46. Het Avellum-memorandum geeft in hoofdstuk 2 een overzicht van de strafrechtelijke procedure in Oekraïne. Met betrekking tot de start van het vooronderzoek wordt gesteld:
Een strafrechtelijke procedure kent twee belangrijke fasen: het vooronderzoek en het proces. Het primaire doel van een vooronderzoek is het verzamelen van bewijs en informatie over een misdrijf. Als de onderzoeksinstantie van mening is dat er voldoende bewijs is dat er een misdrijf is gepleegd, wordt de zaak vervolgens voor de rechter gebracht.
Volgens het Wetboek van Strafvordering van Oekraïne kan een vooronderzoek worden gestart door een onderzoeker of door een persoon die aangifte doet van een misdrijf. Een aangifte van een misdrijf moet binnen 24 uur na indiening worden geregistreerd in het centrale register van vooronderzoeken ("
Register"). Het vooronderzoek begint op het moment dat de informatie over het mogelijke misdrijf in het Register wordt opgenomen. Dat gezegd hebbende, betekent de registratie van een aangifte van een misdrijf in het Register in feite de start van het vooronderzoek.
Zodra het vooronderzoek is gestart, is de onderzoeker bevoegd (indien nodig met toestemming van de aanklager en/of een gerechtelijk bevel) om huiszoekingen te verrichten, verhoren af te nemen, documenten in beslag te nemen, activa te bevriezen en andere onderzoekshandelingen te verrichten die hij nodig acht.
47. Avellum wijst er vervolgens op dat als de Oekraïense rechtshandhavingsinstanties een aangifte van een misdrijf ontvangen, zij verplicht zijn om een strafzaak te starten, zonder voorafgaande verificatie van de in de aangifte vermelde feiten. Daarom moeten zelfs evident ongegronde beschuldigingen in een aangifte worden geverifieerd tijdens een volledige strafzaak. Daar wordt vaak misbruik van gemaakt door onbetrouwbare actoren die bewust een ongegronde aangifte doen, een strafzaak laten openen en dit feit vervolgens publiekelijk gebruiken om hun commerciële of politieke tegenstanders in diskrediet te brengen.
48. Omdat er geen beperking zit aan de termijn van het vooronderzoek kunnen opsporingsinstanties ‘onderdrukkende’ maatregelen nemen en deze jarenlang in stand houden, met als argument dat er een vooronderzoek loopt en er nog geen verdachte is aangemerkt. Volgens de advocaten van Avellum is dit typisch wat er gebeurt in politiek gemotiveerde zaken, die alleen al door hun bestaan de personen tegen wie de zaak is gericht, onder druk zetten en geen tijdslimiet hebben.
49. Pas met de uitvaardiging van de kennisgeving van verdenking gaat het vooronderzoek naar de volgende fase, waarin de onderzoeker een specifieke persoon moet aanwijzen die volgens hem een misdrijf heeft gepleegd. Vanaf dat moment is het vooronderzoek beperkt door een procedurele termijn van maximaal 12 maanden.
Toepassing van de feiten op het juridisch kader
50. Het is op grond van de aangedragen feiten, grotendeels gebaseerd op openbare bronnen (zie
Bijlagen 2 en 3bij het klaagschrift) duidelijk dat tegen de aan [klaagster] gelieerde voormalig president van Oekraïne, Poroshenko, een groot aantal strafrechtelijke procedures aanhangig is, zonder dat hij officieel in staat van beschuldiging is gesteld. Volgens Avellum zou het meer dan 60 van dit soort acties van overheidszijde betreffen, waarbij alles erop wijst dat er politieke invloed daarop wordt uitgeoefend
51. Daardoor komen de politieke weigeringsgronden van art. 5.1.5 Sv nadrukkelijk in beeld.
52. Ik heb uitgelegd dat geen van de tegen Poroshenko gestarte strafrechtelijke onderzoeken geleid heeft tot een officiële beschuldiging waardoor de situatie van een soort ‘limbo' is ontstaan. Juridisch vertaald zou men kunnen zeggen dat het beginnen van strafrechtelijke onderzoeken in Oekraïne zonder enig uitzicht op een duidelijk einde, een vorm is van misbruik van procesrecht. Meer in het bijzonder is het een schending van artikel 6 EVRM Pro, dat het recht op een eerlijk proces, ook in de voorfase, waarborgt.
53. Het is duidelijk dat [klaagster] er belang bij heeft om niet in deze Kafkaeske toestand gezogen te worden; als de Oekraïense autoriteiten en in het bijzonder de SBI in staat worden gesteld om beslagmaatregelen te treffen via het internationale rechtshulpverkeer met Nederland, zijn de gevolgen voor cliënte in commercieel opzicht niet te overzien.
54. Zijn het geen politieke strafbare feiten die de grondslag vormen van het gewraakte rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende vordering tot verstrekking van gegevens door cliënte, dan is toch helder dat sprake is van een politieke vervolging in Oekraïne of van politieke invloed op de processen waaronder het onderhavige. Een juridische beoordeling van de feiten leidt dan tot de conclusie dat gesproken moet worden van 'een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten’.
55. Als de weigeringsgrond van het vierde lid van toepassing is, zou de Minister van Justitie en Veiligheid bevoegd zijn te beslissen. In geval van toepassing van het vijfde lid van art. 5.1.5 Sv is een machtiging van die minister vereist.
56. Maar ook indien zo’n machtiging zou zijn afgegeven, dan nog moeten de feiten van deze zaak, bij een juiste toepassing van het recht, leiden tot het gegrond verklaren van het door en namens [klaagster] ingediende beklag
57. De zojuist door mij beschreven situatie levert in het licht van artikel 6 EVRM Pro namelijk ook een schending op van de door die bepaling gegarandeerde
fundamentelerechten, hetgeen in samenhang bezien, een weigeringsrond zou moeten opleveren in het kader van art. 5.1.5 lid 4 en lid 5 Sv.
58. Ik verzoek U dan ook om al hetgeen ik zojuist heb bepleit, het beklag gegrond te verklaren en te verbieden dat van de door [klaagster] aan het OM overgedragen gegevens kennis wordt genomen, dat zij niet worden gebruikt, dat wil zeggen aan de verzoekende staat worden overgedragen en dat alle gevolgen van de vordering ex art. 126nd juncto art. 5.1.8 Sv worden teruggedraaid.”
2.6
Blijkens het van de raadkamerzitting opgemaakte proces-verbaal heeft de officier van justitie op de zitting van 14 maart 2024 het woord gevoerd overeenkomstig haar schriftelijke aantekeningen die als bijlage 2 aan het proces-verbaal zijn gehecht. Die aantekeningen houden onder meer het volgende in:
“In juni 2023 kwam er bij het FP een rechtshulpverzoek binnen vanuit AIRS, Ministerie van Justitie [en Veiligheid] met de opdracht het verzoek (…) uit te voeren. Er stond in dat gezien de positie van de heer Poroshenko, als voormalig president van Oekraïne, tevens het Ministerie van Buitenlandse zaken is gevraagd het verzoek te beoordelen. Er werden geen onoverkomelijke bezwaren gezien.
Eind augustus werd door het FP via AIRS een aanvulling ontvangen op het eerdere RHV, een uitbreiding van gegevens die werden gevraagd. Deze aanvulling bewandelde dezelfde weg.
Er is afgelopen januari uitvoering gegeven aan het RHV door de FIOD middels het overhandigen van een vordering aan [klaagster] en vervolgens is in overleg met de advocaat van betrokkene ([klaagster] BV) besloten te wachten met de verstrekking van de verkregen gegevens tot na de behandeling van het klaagschrift.
In het klaagschrift wordt kort gezegd aangevoerd dat de weigeringsgronden van artikel 5.1.5 lid 4 en 5 van toepassing zijn en dat het Ministerie van Justitie [en Veiligheid] niet heeft ingestemd met de uitvoering.
Dat laatste is niet het geval omdat het OM zonder instemming van het Ministerie van Justitie [en Veiligheid] sowieso geen rechtshulp uitvoert ten behoeve van derde landen. Maar om een nadere toelichting te verkrijgen welke overwegingen het Ministerie van Buitenlandse zaken heeft gehanteerd hebben wij aan AIRS gevraagd dit na te gaan. In reactie op die vraag hebben wij de brief van 5 maart 2024 ontvangen waarin nader wordt gemotiveerd waarom wordt ingestemd met de uitvoering van het RHV. Belangrijk argument is daarbij dat de Europese Commissie aanbevelingen heeft gedaan aan Oekraïne om corruptie aan te pakken en dat NL Oekraïne daarbij ook actief steunt. Daarbij is het dan uiteraard belangrijk dat rechtshulpverzoeken dan vervolgens wel worden uitgevoerd voor Oekraïne. Waarbij ik overigens niet kan bevestigen dat de verdenking jegens de heer Poroshenko corruptie betreft. De heer Poroshenko is een Oekraïens staatburger en valt net als alle Oekraïense staatsburgers onder de Oekraïense wet. Hij staat hier niet boven. Ik heb hier ook nog een gesprek over gehad met mijn counterpart bij AIRS en zij liet me weten dat het klaagschrift met alle bijlagen uitgebreid zijn besproken binnen Buiza en ook met de ambassade in Kiev.
Wat hierbij van belang is te benadrukken, is dat er een concrete verdenking is dat er strafbare feiten zijn gepleegd.
Nu wat mij betreft geen sprake is van de weigeringsronden van artikel 5.1.5 Sv verzoek ik u het klaagschrift ongegrond te verklaren”
2.7
Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 14 maart 2024 houdt verder nog in:
“De advocaat voert andermaal het woord als volgt:
Ik begrijp het dat Nederland zegt, wanneer ze een rechtshulpverzoek ontvangen uit Oekraïne, dat het goed is dat Oekraïne corruptie aanpakt. Ik snap deze rechtspolitieke, diplomatieke gedachtegang. Maar alleen als het gaat om echte corruptiezaken. Ik hoor de officier van justitie zeggen dat ze niet kan bevestigen of hier sprake is van een corruptieverdenking. Volgens Avellum is daarvan geen sprake. Het gaat niet om een verdenking van corruptie, maar om een verdenking van belastingontduiking. Ik denk dat deze rechtbank de visie van het ministerie kan passeren kijkend naar de feiten en omstandigheden die ik hier heb aangevoerd. Als er wel sprake zou zijn van een corruptieverdenking zou ik veel waarde hechten aan de brief van het ministerie, maar dat kan hier vandaag niet bevestigd worden door het Openbaar Ministerie.”
2.8
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 28 maart 2024 hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:

3. Het standpunt van klaagster
Klaagster stelt zich op het standpunt dat het beklag gegrond dient te worden verklaard, omdat er sprake is van de weigeringsgronden ex artikel 5.1.5, vierde en vijfde lid, Sv. Klaagster verzoekt de rechtbank te verbieden dat van de overgedragen gegevens kennis wordt genomen, dat deze niet worden gebruikt, dat wil zeggen aan de verzoekende staat worden overgedragen, en dat alle gevolgen van de vordering ex art. 126nd juncto art. 5.1.8 Sv worden teruggedraaid. De nadere onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat vervat in zijn pleitaantekeningen die als bijlage 1 aan deze beslissing worden gehecht.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Zij stelt dat er geen sprake is van de weigeringsgronden ex artikel 5.1.5 Sv en verwijst naar de brief van de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, die zij voorafgaand aan de zitting heeft toegezonden aan de advocaat van klaagster (bijlage 2). De nadere gang van zaken heeft de officier van justitie vervat in haar schriftelijke aantekeningen (bijlage 3).”
2.9
De brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024 die de officier van justitie voorafgaand aan de raadkamerzitting heeft toegezonden aan de raadsman van de klaagster en die als bijlage 2 is gehecht aan de bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
“In aanvulling op mijn brieven van 22 juni en 15 augustus 2023 inzake een rechtshulpverzoek van de Oekraïense autoriteiten van 27 maart 2023 (…) en de aanvulling daarop van 18 juli 2023, in het strafrechtelijk onderzoek tegen
Petro POROSHENKOen de aan hem gelieerde onderneming
[bedrijf 4] Ltd, meld ik u het volgende.
In mijn brief van 22 juni jl. maakte ik reeds melding van het advies dat – overeenkomstig artikel 5.1.5 van het Wetboek van Strafvordering – is ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken gelet op de betrokkenheid van Petro Poroshenko als voormalig president van Oekraïne. Dat advies was positief omdat er geen onoverkomelijke bezwaren waren tegen uitvoering van het rechtshulpverzoek.
Hieronder licht ik nogmaals toe hoe destijds tot een positieve beoordeling van de uitvoerbaarheid van het rechtshulpverzoek is gekomen.
(…)
Het door de advocaat ingediende klaagschrift is voorzien van meerdere documenten uit onder andere de media en ook andere bronnen. Deze documenten heb ik voorgelegd aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bestudering van de documenten maken de eerdere beoordeling van de uitvoerbaarheid van de rechtshulpverzoeken en de conclusie dat er geen onoverkomelijke bezwaren tegen uitvoering bestaan niet anders. De documenten onderstrepen wel dat de strafrechtelijke vervolging van de heer Poroshenko deel uitmaakt van een brede strafrechtelijke aanpak van corruptie door de huidige Oekraïense autoriteiten.”
2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft in dat verband overwogen:

5 Het oordeel van de rechtbank
(…)
5.3
De inhoudelijke beoordeling
Vooropgesteld wordt dat indien een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, zoveel mogelijk aan dat verzoek gevolg dient te worden gegeven. Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet (in het bijzonder de weigeringsgronden die zijn genoemd in het verdrag en artikel 5.1.5 Sv) of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2003:AF6604 [
A-G: bedoeld zal zijn ófwel HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927, NJ 2002/580 ófwel HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6604. Beide beschikkingen bevatten, telkens in rov. 3.4, dezelfde overweging.]). Uit artikel 5.1.11, derde lid, Sv volgt verder dat de beklagrechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek.
Nederland en Oekraïne zijn beide partij bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en het daarbij behorende Aanvullend Protocol.
Op grond van het Nederlandse voorbehoud bij artikel 5 van Pro het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, worden verzoeken om doorzoeking en inbeslagname alleen uitgevoerd voor zover het gaat om strafbare feiten die tot uitlevering kunnen leiden ingevolge het Europees Verdrag betreffende uitlevering en voor zover een Nederlandse rechter de uitvoering heeft toegestaan in overeenstemming met het Nederlands rechts.
Op grond van artikel 2 van Pro het Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken wordt de inwilligbaarheid van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming niet aan verdere voorwaarden onderworpen dan dat het delict strafbaar is volgens de wetgeving van de verzoekende partij en het overeenkomstig een strafbaar feit van dezelfde aard volgens de wetgeving van de aangezochte partij betreft.
Uit artikel 5.1.8 Sv volgt dat de ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp in beginsel dezelfde opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen kunnen worden gebruikt als in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde strafbare feiten als waarop het buitenlandse verzoek om rechtshulp is gebaseerd.
Het rechtshulpverzoek is door de bevoegde autoriteiten van Oekraïne gedaan in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen één of meer (rechts)personen ten aanzien van wie de verdenking bestaat dat deze zich heeft/hebben schuldig gemaakt aan (een) misdrijf/misdrijven, die naar Nederlands recht (een) misdrijf/misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering opleveren. Door de verzoekende staat is in het kader van dat strafrechtelijk onderzoek verzocht om gegevens. De officier van justitie heeft naar aanleiding van het rechtshulpverzoek gebruik gemaakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 126nd Sv. Aan de wettelijke vereisten voor de inzet van deze bevoegdheid naar Nederlands recht is voldaan.
Volgens klaagster is er sprake (…) van een situatie die, in het licht van de fundamentele rechten volgend uit artikel 6 EVRM Pro, leidt tot de weigeringsgronden ex artikel 5.1.5, vierde en vijfde lid, Sv. Klaagster heeft toegelicht dat het gaat om vele strafrechtelijke onderzoeken door de Oekraïense autoriteiten naar een voormalig politicus en dat de daaruit voortvloeiende mogelijkheid voor de Oekraïense autoriteiten om via de Nederlandse autoriteiten beslagmaatregelen te treffen, nadelig is voor de bedrijfsactiviteiten van klaagster nu de kans bestaat dat zij wordt betrokken in een politiek proces in Oekraïne.
De weigeringsgrond volgend uit artikel 5.1.5, vijfde lid, Sv ziet op strafbare feiten van politieke aard of daarmede verband houdende feiten. Op basis van de onderliggende stukken, waaronder de brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d. 5 maart 2024, concludeert de rechtbank dat deze weigeringsgrond zich niet voordoet. De in het klaagschrift beschreven strafrechtelijke onderzoeken onder gezag van de Oekraïense autoriteiten, maken niet dat er – gelet op de concrete verdenking die ten grondslag ligt aan het onderhavige rechtshulpverzoek – sprake is van de weigeringsgrond bedoeld in het vijfde lid. Gelet op het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de onderliggende stukken door de Oekraïense autoriteiten kan de rechtbank niet voorzien in een nadere toelichting hierop.
De rechtbank komt ten aanzien van de weigeringsgrond volgend uit artikel 5.1.5, vierde lid, Sv tot een gelijkluidende conclusie. De vraag of er sprake is van een discriminatoire vervolging wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontkennend beantwoord. Het ministerie schrijft in zijn brief van 5 maart 2024 dat hij Oekraïne ondersteunt in de initiatieven die Oekraïne onderneemt op het gebied van corruptiebestrijding en mede gelet hierop, tenzij er goede redenen zijn die dit niet rechtvaardigen, ingaat op haar verzoeken tot rechtshulp. Uit de brief volgt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken nogmaals is geconsulteerd naar aanleiding van het ingediende klaagschrift met onderliggende stukken. Bestudering van deze stukken maken de eerdere beoordeling van de uitvoerbaarheid van de rechtshulpverzoeken niet anders.
Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen dat het rechtshulpverzoek is gebaseerd op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en derhalve wordt beheerst door het interstatelijke vertrouwensbeginsel (waarbij de juistheid van de door de verzoekende staat verstrekte informatie tot uitgangspunt wordt genomen) komt de rechtbank tot de conclusie dat de weigeringsgrond ex artikel 5.1.5, vierde lid, Sv zich niet voordoet.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
Ten overvloede constateert de rechtbank dat de in artikel 552a, negende lid, Sv neergelegde wettelijke termijn van dertig dagen om tot een beschikking te komen, is overschreden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beklag, nu deze krappe termijn – evenals de andere termijnen met betrekking tot internationale rechtshulp – tot doel heeft de doorlooptijden in de internationale samenwerking te bevorderen en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
2.11
Tegen de beslissing van de rechtbank is namens de klaagster op 2 april 2024 cassatie ingesteld.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat drie deelklachten. De eerste twee deelklachten hebben betrekking op (de motivering van) de ongegrondverklaring van het beklag. De derde deelklacht is gericht tegen de geheimhouding van de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken.
Het juridisch kader
3.2
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
-
Art. 1 lid 1 Europees Pro Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken [1] (hierna: ERV):
“De Partijen verbinden zich er onmiddellijk toe om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.”
-
Art. 2 aanhef Pro en onder a ERV:
“Rechtshulp kan worden geweigerd:
(a) indien het verzoek betrekking heeft op strafbare feiten die door de aangezochte Partij, hetzij als een politiek misdrijf of een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit, hetzij als een fiscaal delict worden beschouwd;”
-
Art. 25 Tweede Pro aanvullend Protocol bij het ERV [2] :
“De verzoekende Partij kan verlangen dat de aangezochte Partij het verzoek en de inhoud daarvan vertrouwelijk behandelt, voor zover nodig voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Partij niet aan het vereiste van vertrouwelijkheid kan voldoen, brengt zij de verzoekende Partij hiervan onverwijld op de hoogte.”
-
Art. 23 leden Pro 5 en 6 Sv:
“5. Het Openbaar Ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.”
-
Art. 552a lid 1 Sv:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen (…) over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt (…).”
-
Art. 5.1.4 leden 1 en 2 Sv:
“1. Tenzij Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanstonds van oordeel is dat het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat niet kan worden ingewilligd, stelt hij het verzoek en de daarbij behorende stukken in handen van de officier van justitie.
2. Voor zover het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.”
-
Art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv:
“4. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke dan wel staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is ter zake bevoegd te beslissen.
5. Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmede verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken. (…)”
-
Art. 5.1.8 lid 1 Sv:
“Ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek om rechtshulp van een vreemde staat kunnen opsporingsbevoegdheden worden toegepast, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van dit wetboek. Daarbij worden, indien het verzoek op een verdrag is gebaseerd, eisen die worden gesteld in verband met de proportionaliteit, alsmede een beoordeling van het onderzoeksbelang buiten beschouwing gelaten.”
-
Art. 5.1.10 leden 1 en 4 Sv:
“1. De officier van justitie is bevoegd, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, om de resultaten van de uitvoering van het verzoek om rechtshulp ter beschikking te stellen aan de autoriteiten van de verzoekende staat. Indien overeenkomstig artikel 5.1.11 een klaagschrift is ingediend of nog kan worden ingediend, dan wel op grond van het derde lid verlof van de rechtbank is vereist, vindt de overdracht van de resultaten eerst plaats nadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het verlof is verleend.
2. (…)
3. (…)
4. (…) Artikel 23, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, (…) wordt verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad door toepassing van artikel 23, tweede tot en met vijfde lid.”
-
Art. 5.1.11 leden 1 en 3 Sv:
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een verzoek om rechtshulp (…) gegevens zijn gevorderd (…) wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
2. (…)
3. De artikelen 552a, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
3.3
Tenzij de minister van Justitie en Veiligheid aanstonds van oordeel is dat een rechtshulpverzoek niet kan worden ingewilligd, stelt hij het verzoek en de daarbij behorende stukken in handen van de officier van justitie (art. 5.1.4 lid 1 Sv). Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag – in het onderhavige geval het ERV –, aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg moet worden gegeven (art. 5.1.4 lid 2 Sv). Dit is in lijn met art. 1 lid 1 ERV Pro waarin is bepaald dat de partijen bij dat verdrag – waaronder Oekraïne en Nederland – zich ertoe verbinden om elkaar wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in straf(proces)rechtelijke procedures. Voor de uitvoering van een rechtshulpverzoek kunnen alle bevoegdheden worden ingezet die naar Nederlands recht in een Nederlands onderzoek naar hetzelfde strafbare feit als waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, zouden kunnen worden aangewend (art. 5.1.8 lid 1, eerste volzin, Sv). Van inwilliging van het rechtshulpverzoek kan slechts worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in casu in het bijzonder art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht. [3] Het zoveel mogelijk gevolg geven aan het rechtshulpverzoek brengt mee dat niet mag worden getoetst aan nadere eisen die de nationale wet stelt aan toepassing van voor uitvoering van het verzoek benodigde bevoegdheden (in verband met de proportionaliteit en subsidiariteit). [4] Te denken valt aan criteria als ‘in het belang van het onderzoek’, ‘feit dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert’, etc. (zie ook art. 5.1.8 lid 1, tweede volzin, Sv).
3.4
Aan een rechtshulpverzoek wordt geen gevolg gegeven als grond bestaat voor het vermoeden dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek dat is ingesteld met het oogmerk [5] om de verdachte te onderwerpen aan een discriminatoire vervolging, waaronder een vervolging in verband met de staatkundige overtuiging van de verdachte. De minister van Justitie en Veiligheid is ter zake bevoegd te beslissen (art. 5.1.5 lid 4 Sv). Een rechtshulpverzoek op grond van het ERV kan worden geweigerd als het verzoek betrekking heeft op politieke misdrijven of daarmee samenhangende feiten (art. 2 aanhef Pro en onder a ERV). Aan rechtshulpverzoeken ten behoeve van een onderzoek naar politieke delicten of daarmee verband houdende feiten wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van de minister van Justitie en Veiligheid. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de minister van Buitenlandse Zaken (art. 5.1.5 lid 5 Sv). Relatieve politieke delicten betreffen commune delicten die zijn begaan om in de redelijke voorstelling van de dader – op kortere of langere duur – rechtstreeks het politieke einddoel te bereiken. [6] Er is zelden voldoende grond om een commuun delict als relatief politiek delict te erkennen. [7]
3.5
Na afronding van de in het rechtshulpverzoek verzochte handeling worden de resultaten daarvan overgedragen aan de autoriteiten van de verzoekende staat (art. 5.1.10 lid 1 Sv). Indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrag komt, wordt de betrokkene bij wie in het kader van de uitvoering van het rechtshulpverzoek gegevens zijn gevorderd in kennis gesteld over de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv gericht tegen de kennisneming of het gebruik van de op vordering verstrekte gegevens (art. 5.1.11 lid 1 Sv). Op die beklagprocedure is art. 23 lid 5 Sv Pro van toepassing. Blijkens die bepaling legt het Openbaar Ministerie aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over en zijn de klager en zijn advocaat bevoegd van de inhoud van die stukken kennis te nemen. Het verzuim te voldoen aan art. 23 lid 5 Sv Pro is dusdanig in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit tot nietigheid van de beschikking leidt. [8] Aan art. 23 lid 5 Sv Pro wordt echter geen toepassing gegeven voor zover het belang van het onderzoek hierdoor “ernstig wordt geschaad” (art. 23 lid 6 Sv Pro). De Hoge Raad heeft art. 23 lid 6 Sv Pro zo uitgelegd dat de rechter ambtshalve en steeds in concreto moet nagaan of het belang van de opsporing ernstig wordt geschaad door het verstrekken van informatie aan de belanghebbende zoals voorgeschreven in art. 23 lid 5 Sv Pro. [9] Ook als het gaat om een verzoek tot geheimhouding van de verzoekende autoriteit in het kader van een rechtshulpverzoek eist de Hoge Raad van de rechter een inhoudelijke toetsing. [10] Daarbij moet worden aangetekend dat in rechtshulpzaken het wettelijk vermoeden geldt dat als door de autoriteiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, wordt verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordt geschaad bij toepassing van art. 23 lid 5 Sv Pro (art. 5.1.10 lid 4 Sv). [11]
3.6
De toetsing door de raadkamer van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in verbinding met art. 5.1.11 Sv beperkt zich tot controle of aan de eisen van verdrag en wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht zijn geschonden. [12] Door de raadkamer wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het rechtshulpverzoek, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (art. 5.1.11 lid 3 Sv). Daarbij komt dat in gevallen als het onderhavige, waarbij de autoriteiten van de verzoekende staat het rechtshulpverzoek en het verzoek tot geheimhouding daarvan hebben gegrond op (een aanvullend protocol bij) een verdrag waarbij zowel de verzoekende als ontvangende staat partij zijn, weinig ruimte bestaat voor de ontvangende staat om niet aan die verzoeken te voldoen. Gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel, dat ingevolge de tussen Oekraïne en Nederland bestaande verdragsverhoudingen heeft te gelden, worden dergelijke verzoeken immers geacht rechtsgeldig te zijn gedaan en worden de feiten en omstandigheden die in het rechtshulpverzoek zijn opgenomen, verondersteld juist te zijn. [13] De geheimhouding van stukken heeft gevolgen voor de motivering door de beklagrechter van zijn beslissing in die zin dat de beklagrechter zal moeten volstaan met een motivering die summierder is dan gebruikelijk. [14] De resultaten van de in het rechtshulpverzoek verzochte handeling worden pas overgedragen aan de autoriteiten van de verzoekende staat nadat onherroepelijk op het klaagschrift is beslist (art. 5.1.10 lid 1 Sv).
De bespreking van het middel
3.7
In de
eerste deelklachtwordt geklaagd dat “het oordeel van de rechtbank, dat er ‘gelet op de concrete verdenking die ten grondslag ligt aan het onderhavige rechtshulpverzoek’ geen sprake is van een relatief politiek delict onvoldoende met redenen is omkleed.” Daartoe wordt in de toelichting op het middel samengevat aangevoerd dat de oordelen van de rechtbank dat de weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv zich in het onderhavige geval niet voordoen – gelet op hetgeen namens de klaagster is aangevoerd – ontoereikend zijn gemotiveerd. Volgens de stellers van het middel heeft de rechtbank ten onrechte de juistheid van de door de Oekraïense autoriteiten verstrekte informatie tot uitgangspunt genomen zonder daarbij de namens de klaagster aangevoerde argumenten te betrekken en heeft de rechtbank in haar motivering van de verwerping van de namens de klaagster gevoerde verweren dat sprake is van de bovengenoemde weigeringsgronden enkel verwezen naar (de onderliggende stukken, waaronder) de brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024.
3.8
De rechtbank heeft overwogen dat de weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv zich in het onderhavige geval niet voordoen en heeft daarbij verwezen naar (de onderliggende stukken, waaronder) de brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024. Het in die brief vervatte oordeel dat geen sprake is van een discriminatoire vervolging of een (relatief) politiek delict steunt op (ten minste) twee onderzoeken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit de brief blijkt bovendien dat het laatste onderzoek naar de uitvoerbaarheid van de rechtshulpverzoeken niet alleen is verricht naar aanleiding van het klaagschrift van de klaagster inclusief de daarbij gevoegde stukken, maar ook dat bij dat onderzoek acht is geslagen op die stukken. Verder heeft de rechtbank blijkens haar overwegingen ook acht geslagen op de in het klaagschrift beschreven strafrechtelijke onderzoeken onder gezag van de Oekraïense autoriteiten en daarover geoordeeld dat – gelet op de concrete verdenking die ten grondslag ligt aan de rechtshulpverzoeken – die niet maken dat sprake is van de bovengenoemde weigeringsgronden. De klacht dat de rechtbank ten onrechte louter op grond van de brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 5 maart 2024 heeft aangenomen dat de weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv zich in het onderhavige geval niet voordoen zonder daarbij de namens de klaagster aangevoerde argumenten te betrekken, mist in zoverre feitelijke grondslag, zodat de klacht reeds om die reden faalt.
3.9
Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen dat – zoals de rechtbank overweegt – de door de Oekraïense autoriteiten gedane rechtshulpverzoeken zijn gebaseerd op het EVR en derhalve worden beheerst door het interstatelijke vertrouwensbeginsel, faalt ook de klacht dat de rechtbank ten onrechte de juistheid van de door Oekraïne verstrekte informatie tot uitgangspunt heeft genomen.
3.1
De eerste deelklacht faalt.
3.11
In de
tweede deelklachtwordt geklaagd dat de overweging van de rechtbank dat zij, gelet op het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de onderliggende stukken door de Oekraïense autoriteiten, niet kan voorzien in een nadere toelichting, meebrengt dat de beslissing van de rechtbank [tot ongegrondverklaring van het beklag] onvoldoende met redenen is omkleed en voorts betekent dat de Hoge Raad die beslissing niet, althans onvoldoende kan toetsen, zodat de beslissing ook hierom niet in stand kan blijven.
3.12
Dat de rechtbank – zoals zij overweegt – in de onderhavige zaak niet kan voorzien in een nadere toelichting is het onvermijdelijke gevolg van het verzoek van de Oekraïense autoriteiten tot geheimhouding (zie randnr. 3.6, een na laatste volzin). Dat impliceert echter niet dat de ongegrondverklaring van het klaagschrift onvoldoende met redenen is omkleed en de Hoge Raad niet, althans onvoldoende die beslissing kan toetsen. Hoewel de motivering van de rechtbank summier is, heeft de rechtbank, gelet op de inhoud van de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken, die ook aan de Hoge Raad zijn toegezonden, samengevat overwogen dat (i) de rechtshulpverzoeken zijn gebaseerd op het ERV, (ii) van de inwilliging van die verzoeken slechts kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het ERV en/of art. 5.1.5 leden 4 en 5 Sv dan wel door de inwilliging wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht, (iii) aan de wettelijke vereisten voor de inzet van de vordering als bedoeld in art. 126nd Sv, in verbinding met art. 5.1.8 Sv, is voldaan en (iv) geen sprake is van een discriminatoire vervolging als bedoeld in art. 5.1.5 lid 4 Sv en/of een (relatief) politiek misdrijf of daarmee verband houdende feiten als bedoeld in art. 5.1.5 lid 5 Sv. Deze motivering geeft blijk van toepassing van de juiste criteria (zie randnrs. 3.3 en 3.4) en is, gelet op de inhoud van de (voor de klaagster afgeschermde) stukken, niet onbegrijpelijk. Weliswaar kan ik mij de frustratie van de klaagster dat er geen zicht is op (de aard van) de feiten waarop de rechtshulpverzoeken zien voorstellen, maar dat is inherent aan de plicht tot geheimhouding bij rechtshulpverzoeken als de onderhavige.
3.13
De tweede deelklacht faalt.
3.14
In de
derde deelklachtwordt geklaagd dat gehandeld is in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde, omdat de klaagster niet heeft beschikt over de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken, waardoor zij in aanzienlijke mate is beperkt in haar mogelijkheid effectief verweer te voeren.
3.15
Ik stel voorop dat het klaagschrift, de pleitnota van de raadsman, het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 14 maart 2024 en de bestreden beschikking niet inhouden dat door of namens de klaagster is verzocht om verstrekking en/of kennisneming van (de inhoud van) de rechtshulpverzoeken en/of de onderliggende stukken. Evenmin blijkt uit de gedingstukken dat door of namens de klaagster het verweer is gevoerd dat door het niet kennis kunnen nemen van de inhoud van de voor haar afgeschermde stukken, zij in aanzienlijke mate is beperkt in haar mogelijkheid effectief verweer te voeren, zodat gehandeld wordt in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het verzoek niet is gedaan en het verweer niet is gevoerd. Reeds daarom faalt de derde deelklacht. Overigens wil ik niet onopgemerkt laten dat de vraag of het niet kennis kunnen nemen van (de inhoud van) de voor de klaagster afgeschermde stukken maakt dat zij in aanzienlijke mate is beperkt in haar mogelijkheid effectief verweer te voeren, zodanig is verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat deze vraag in cassatie maar zeer beperkt kan worden getoetst.
3.16
Ten overvloede merk ik nog op dat de derde deelklacht ook faalt in verband met het volgende. De rechtshulpverzoeken zijn gebaseerd op het ERV. Het verzoek om vertrouwelijke behandeling is (kennelijk) gebaseerd op art. 25 Tweede Pro aanvullend Protocol bij het ERV. Dergelijke verzoeken worden beheerst door het interstatelijke vertrouwensbeginsel, hetgeen met zich brengt dat die verzoeken worden geacht rechtsgeldig te zijn gedaan en dat er voor Nederland als ontvangende staat weinig ruimte is deze verzoeken af te wijzen. Uit de overwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat zij zich van dit uitgangspunt rekenschap heeft gegeven. In die overwegingen ligt besloten dat het belang van het onderzoek in Oekraïne ernstig wordt geschaad als de rechtbank zou besluiten de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken te verstrekken aan de klaagster en dat de klaagster, ondanks de omstandigheid dat haar niet alle stukken ter beschikking zijn gesteld, niet dermate is gehinderd in haar mogelijkheid effectief verweer te voeren dat sprake is van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde. Gelet op de omstandigheid dat door de autoriteiten van Oekraïne is verzocht om vertrouwelijke behandeling c.q. geheimhouding en in aanmerking genomen dat door of namens de klaagster noch is verzocht om verstrekking of kennisneming van de rechtshulpverzoeken en de onderliggende stukken, noch het verweer is gevoerd dat het niet verstrekken van die stukken in strijd is met beginselen van een behoorlijke procesorde, geven de oordelen van de rechtbank niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting of toepassing van een onjuiste maatstaf. Gelet op hetgeen ik onder randnr. 3.6 over de omvang van de motiveringsverplichting heb uiteengezet, zijn deze oordelen bovendien niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.17
De derde deelklacht faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

3.HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:ZD2927,
4.Vgl. HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1153, rov. 2.5 en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9212,
5.‘Oogmerk’ moet worden gelezen als ‘in verband met’. Zie hierover J.M. Sjöcrona,
6.HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0342,
7.P.A.M. Verrest in T&C Strafvordering, art. 5.1.5 Sv, aant. 3 onder e (actueel tot en met 1 oktober 2024).
8.Vgl. HR 18 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5297,
9.Vgl. HR 23 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1203,
10.Vgl. bijv. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2326; HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8999; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783,
11.Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
13.Zie uitgebreider over het interstatelijke vertrouwensbeginsel T. Kraniotis,
14.Vgl. T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning’,