Conclusie
adv.: mr. P.A. Fruytier
adv.: mr. J. Streefkerk
[eiser]respectievelijk Dennestaete.
1.Inleiding en samenvatting
[betrokkene 1]) heeft een geschil bestaan met betrekking tot een door [betrokkene 1] in juli 2011 van Dennestaete gekochte, gerenoveerde woning aan de [a-straat 1] te [plaats 1] . [betrokkene 1] heeft hangende de bodemprocedure, waarbij zij werd bijgestaan door advocatenkantoor Vlaskamp, conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken en bankrekeningen van Dennestaete. Ter opheffing van deze beslagen heeft Dennestaete twee bankgaranties van ABN AMRO Bank (hierna te noemen:
de bank) gesteld van in totaal € 266.660,-, die konden worden uitgewonnen bij een onherroepelijke uitspraak.
lening 1), 29 juni 2012 (hierna:
lening 2), 1 juli 2013 (hierna:
lening 3) en 29 april 2014 (hierna:
lening 4).
Esan). De aandelen in deze vennootschap behoorden daarvoor toe aan [betrokkene 1] .
de beslagdatum) uit kracht van voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 februari 2016 executoriaal beslag gelegd onder [eiser] op onder andere alle vorderingen die [betrokkene 1] op [eiser] mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen. Per datum beslaglegging bedroeg de vordering van Dennestaete op [betrokkene 1] € 315.127,44 (exclusief P.M. posten).
het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat de gesloten geldleningsovereenkomsten ten bedrage van in totaal € 350.000 op grond van art. 157 Rv Pro jegens Dennestaete geen dwingend bewijs opleveren van de gestelde geldleningen, nu Dennestaete daarbij geen partij is (rov. 4.3). Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de gestelde uitgaven niet met bescheiden zijn onderbouwd. [eiser] heeft daarom onvoldoende gegevens en bescheiden overgelegd ter staving van zijn verklaring dat ten tijde van het derdenbeslag geen rechtsverhouding meer tussen hem en [betrokkene 1] bestond uit hoofde waarvan [eiser] nog gelden aan [betrokkene 1] verschuldigd was, terwijl er in augustus 2014 € 266.660,- ten behoeve van [betrokkene 1] op de bankrekening van [eiser] was gestort (rov. 4.10). De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] vooralsnog niet heeft voldaan aan zijn verklaringsplicht ex art. 477a lid 2 Rv. Overeenkomstig zijn aanbod is [eiser] in de gelegenheid gesteld bij akte schriftelijke stukken (zoals facturen en betalingsbewijzen) in het geding te brengen, ter onderbouwing van de door hem gestelde gedane uitgaven ten behoeve van [betrokkene 1] tot het in geschil zijnde bedrag van € 266.660,-.
het eindvonnis) heeft de rechtbank vooropgesteld dat [eiser] geen enkel stuk in het geding heeft gebracht ter ondersteuning van zijn, [eiser] , stelling dat alle indirecte betalingen een vordering van [eiser] in privé op [betrokkene 1] in privé opleveren omdat ‘dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen’ (rov. 2.7-2.8). Verder heeft de rechtbank de bij akte aangevoerde (categorieën van) uitgaven beoordeeld en is zij – samengevat – tot het oordeel gekomen dat [eiser] een bedrag van € 199.003,- genoegzaam met verificatoire bescheiden heeft gestaafd, zodat dit bedrag niet onder het beslag valt. Het resterende bedrag van € 67.657,- had [eiser] onder zich voor [betrokkene 1] (rov. 2.32). Nu Dennestaete haar stelling dat [eiser] wel degelijk een groter bedrag van [betrokkene 1] onder zich had niet nader heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen (rov. 2.33). De rechtbank heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 67.657,- aan Dennestaete en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
Bewijskracht leningen 1-4
4.Juridisch kader
verzwaarde stel- of(beter:)
motiveringsplichtrust ten aanzien van zijn verweer, in die zin dat hij zijn verklaring zoveel mogelijk moet staven met gegevens en bescheiden als bedoeld in art. 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv. [29] In het genoemde arrest van 13 februari 2009 hield dit verweer in dat niet de derde-beslagene zelf, maar een derde een schuld had aan de beslagene. Het verweer betrof aldus het bestaan van een (initiële) vordering van de beslagene op de derde-beslagene als zodanig. In een arrest van 25 maart 1994 heeft uw Raad de hier bedoelde verdeling van stelplicht en bewijslast echter ook toegepast op een verweer dat buiten het geval van beslaglegging pleegt te worden gekwalificeerd als een
bevrijdendverweer, ten aanzien waarvan de stelplicht en bewijslast op de debiteur rusten: een beroep op bevrijdende betaling aan een onbevoegde derde (art. 6:34 BW Pro). Uw Raad overwoog dat op de beslaglegger de bewijslast rust van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de derde-beslagene niet op redelijke gronden heeft aangenomen dat de derde tot de betaling gerechtigd was, waarbij van de derde-beslagene wel kan worden verlangd dat hij voldoende gegevens verstrekt ter motivering van zijn stelling dat hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat hij de derde als de schuldeiser mocht beschouwen. [30] De verklaring voor deze afwijking c.q. processuele bescherming van de derde-beslagene moet mogelijk worden gezocht in de gedachte dat de derde-beslagene buiten het geschil tussen beslaglegger en beslagene staat en alleen maar een verklaring hoeft af te leggen; het is aan de beslaglegger om te stellen en zo nodig te bewijzen dat die verklaring onjuist is. [31]
totverbruikleen bestaan. [37]
aan een derdeheeft betaald met het oog op het leveren van goederen of diensten door deze aan de lener, op basis van een met de lener gemaakte afspraak dat die dit bedrag zal terugbetalen (kort gezegd: in het geval van voorschieten van een geldsom door betaling daarvan aan een schuldeiser van de lener). [38]
dooreen ander dan de uitlener. Voor zover mij bekend heeft uw Raad zich over deze vraag nooit gebogen.
aaneen ander dan de inlener kwalificeert als afgifte in de zin van art. 7A:1793 (oud) BW, kunnen overeenkomen dat afgifte
dooreen ander dan de uitlener kwalificeert als afgifte in de zin van die bepaling.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
ontstaanvan betalingsverplichtingen. Een rekening-courant schept immers geen vorderingen en schulden, zij veronderstelt juist het bestaan ervan. In het laatste processtuk in appel [50] is toegelicht dat de stelling van [eiser] dat partijen ‘feitelijk een rekening-courantverhouding hebben gecreëerd’ aldus moet worden verstaan dat partijen zijn overeengekomen dat door [eiser] ten behoeve van [betrokkene 1] verrichte en te verrichten betalingen evenzovele schulden van [betrokkene 1] aan [eiser] (zullen) opleveren. Het gaat dan in wezen om een in gedeelten opneembare kredietfaciliteit van € 350.000.
Althans zou het hof miskennen dat partijen kunnen overeenkomen dat betalingen die zijn verricht dóór de ene partij dan wel een aan haar gelieerde vennootschap áán of ten behoeve van de andere partij dan wel een aan haar gelieerde vennootschap, kwalificeren als lening. Deze kwalificatie kan volgens het middel ook plaatsvinden nadat de betalingen door de leninggever of de aan deze gelieerde vennootschap zijn verricht.
eerstekennelijk over de overweging van het hof dat geen bewijs is geleverd van “
overmaking van de geldbedragen”en dat er “
niet (...) in vier tranches geldbedragen door hem aan [betrokkene 1] zijn uitgeleend.” (zie subonderdeel 1.1 onder (i)).
Bewijskracht leningen 1-4”), waarin het hof respondeert op de grief van [eiser] tegen het oordeel van de rechtbank dat de vier overgelegde leningsovereenkomsten op grond van art. 157 Rv Pro jegens Dennestaete geen dwingend bewijs opleveren van de gestelde geldleningen, nu Dennestaete daarbij geen partij was. [52] Het hof oordeelt dat [eiser] bij die grief geen belang heeft. Indien art. 157 lid 2 Rv Pro al van toepassing zou zijn in het onderhavige geschil tussen [eiser] en Dennestaete, heeft volgens het hof te gelden dat Dennestaete het in die bepaling bedoelde dwingend bewijs heeft ontzenuwd door (i) er onweersproken op te wijzen dat zij [eiser] meermaals heeft gevraagd bewijs van overmaking van de geldbedragen te verschaffen, maar [eiser] dit heeft nagelaten en (ii) erop te wijzen dat ook uit de stellingen van [eiser] zelf kan worden afgeleid dat er niet – zoals uit de bewoordingen van lening 1-4 zou volgen – in vier tranches geldbedragen door hem aan [betrokkene 1] zijn uitgeleend. Het hof komt tot het oordeel dat [eiser] zijn betwisting de schuldenaar van [betrokkene 1] te zijn niet kan staven met een beroep op dwingende bewijskracht van de vier overgelegde onderhandse leningsovereenkomsten.
(uitleg van) alleen die akte zelf” [55] , waarmee kennelijk gezegd is dat bij de uitleg wat betreft de in aanmerking te nemen omstandigheden alleen mag worden gelet op de akte zelf. [56] Het hof heeft die (taalkundige) uitleg gegeven (“–
zoals uit de bewoordingen van lening 1-4 zou volgen –”). Het leest in elk van de vier overeenkomsten de verklaring van [betrokkene 1] dat er
een geldbedrag door [eiser] aan [betrokkene 1] is uitgeleend c.q. overgemaakt. [57] Het bestreden oordeel van het hof houdt dus niet méér in dan dat de waarheid van die verklaring door Dennestaete is weerlegd.
tweedeplaats keert het subonderdeel zich kennelijk tegen de overwegingen van het hof (in rov. 5.9 en 5.10) dat voor het ontstaan van vorderingen van [eiser] op [betrokkene 1] uit hoofde van de voldoening door aan [eiser] gelieerde vennootschappen van de Vlaskamp-facturen nodig is dat (uit door [eiser] in het geding gebrachte gegevens en bescheiden) blijkt dat er een afspraak is gemaakt tussen [eiser] , [betrokkene 1]
en de betreffende vennootschappen, die inhield dat het aldus betalen van de facturen van Vlaskamp zou resulteren in een geldschuld van [betrokkene 1] in privé aan [eiser] in privé (zie subonderdeel 1.1 onder (ii) en (iii)).
dat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen” [59] ofwel “
tussen alle betrokkenen is overeengekomen” [60] (zie ook rov. 5.7 van het bestreden arrest). Het hof oordeelt slechts dat [eiser] onvoldoende bescheiden en gegevens heeft overgelegd ter staving van hetgeen hij zelf heeft aangevoerd, te weten het bestaan van een meerpartijenovereenkomst tussen [betrokkene 1] , [eiser] en de betalende vennootschappen.
subonderdeel 1.4dat het hof zijn oordeel met betrekking tot de Vlaskamp-facturen onvoldoende heeft gemotiveerd. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel om een zestal redenen ((a) t/m (f)) niet in te zien waarom de betalingen door (aan) [eiser] (gelieerde vennootschappen) van de Vlaskamp-facturen niet – zoals [eiser] heeft aangevoerd [61] – zijn aan te merken als voldoening van de verplichting van [eiser] tot uitbetaling van de op grond van de leningsovereenkomsten aan [betrokkene 1] geleende bedragen, althans door [eiser] en [betrokkene 1] krachtens de leningsovereenkomsten als lening aan [betrokkene 1] zijn aangemerkt.
3.5 Die betalingen heeft [eiser] altijd bijgehouden in een Excel-bestand met verschillende tabbladen. (...)
uitlegvan de vier overeenkomsten van geldlening (...). De stellingen van [eiser] komen erop neer dat hij vele betalingen heeft verricht voor [betrokkene 1] en dat van meet af aan duidelijk was dat die betalingen geen giften betroffen, maar dat die moesten worden terugbetaald. Ter vastlegging daarvan hebben [eiser] en [betrokkene 1] de vier overeenkomsten van geldlening opgesteld waarin ook met zoveel woorden staat dat het verstrekte bedrag (gedeeltelijk) is aangewend ter voldoening van diverse kosten (door [eiser] voor [betrokkene 1] ). Ook hield [eiser] de vele betalingen bij in Excel-bestanden. Deze handelwijze heeft de advocaat van [eiser] samengevat als een rekening-courantverhouding en nader toegelicht in (paragraaf 3.4 en verder van) de conclusie van dupliek in eerste aanleg.”
dat zo is overeengekomen tussen [eiser] en [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen”. [67] In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof de leningsovereenkomsten niet heeft betrokken in zijn oordeel aangaande de Vlaskamp-facturen en in rov. 5.9 uitsluitend heeft onderzocht of het bestaan van een meerpartijenovereenkomst ter zake voldoende is gestaafd.
Volgens
subonderdeel 1.6is het oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] meermaals (specifiek) te bewijzen heeft aangeboden dat is overeengekomen dat de (indirecte) betalingen (via de gelieerde vennootschappen) zijdens [eiser] van de Vlaskamp-facturen hebben geleid tot een lening van [eiser] aan [betrokkene 1] . [68] Het hof mocht dat (tegen)bewijsaanbod niet passeren, nu (i) het gaat om een stelling die relevant is voor de beslissing van het geschil en (ii) gelet op de op [eiser] rustende betwistingslast aan zijn bewijsaanbod geen specificiteitseis mocht worden gesteld.
subonderdeel 2.2miskent het hof met dit oordeel dat een leninggever zijn verplichting tot uitbetaling van het aan de leningnemer geleende bedrag ook kan nakomen door de voldoening door de leninggever van betalingsverplichtingen van de leningnemer jegens derden, althans dat partijen (achteraf) kunnen overeenkomen dat zulke betalingen worden aangemerkt als lening.
In ieder geval, zo klaagt
subonderdeel 2.3, is het oordeel van het hof in rov. 5.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) ingaat op [eiser] essentiële betoog dat de betalingen geschiedden uit hoofde van de leningsovereenkomsten, althans dat die overeenkomsten zijn gesloten om het leningskarakter daarvan vast te leggen. Indien het hof de overwegingen in rov. 5.6 aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, vormen die geen begrijpelijke reactie op dat betoog, aldus de klacht.
en Esanis gesloten met de strekking dat die betalingen een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] opleveren; een overeenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] volstaat.
In ieder geval, zo klaagt
subonderdeel 3.3, is het hof niet (voldoende kenbaar) ingegaan op [eiser] essentiële stelling dat de betalingen aan Esan werden gedaan ter nakoming van [eiser] verplichting tot uitbetaling van de geleende bedragen uit hoofde van de leningsovereenkomsten althans de leningsovereenkomsten deze betalingen als lening kwalificeren.
omdatdat zo is overeengekomen tussen [eiser] , [betrokkene 1]
en de betrokken vennootschap.
subonderdelen 3.4 en 3.5bevatten een herhaling van de klachten in de subonderdelen 1.5 respectievelijk 1.6. Deze falen op de hiervoor onder 5.26 aangegeven gronden.
betalingen, maar dat het overgelegde overzicht niet voldoet ter staving van het bestaan van een
schuldverhoudingtussen [betrokkene 1] in privé en [eiser] in privé.
subonderdeel 4.4heeft het hof miskend dat voor het ontstaan van een schuldverhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] met betrekking tot de door (naar ik begrijp:) [A] respectievelijk [B] aan Esan verrichte betalingen niet is vereist dat een overeenkomst tussen [eiser] , [betrokkene 1] , [A] / [B] en Esan is gesloten met de strekking dat deze betalingen een geldschuld van [betrokkene 1] aan [eiser] opleveren. Daartoe volstaat volgens het subonderdeel een overeenkomst tussen [eiser] en [betrokkene 1] .
en de betrokken vennootschappen.
subonderdeel 4.6,
eersteklacht, is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de betalingen door [A] en [B] aan Esan en aan de andere derden niet werden gedaan ter nakoming van [eiser] verplichting tot uitbetaling van het op grond van de leningsovereenkomsten uitgeleende bedrag, althans de leningsovereenkomsten deze betalingen als lening kwalificeren, zoals [eiser] heeft aangevoerd. Het ontbreken van een overeenkomst tussen [betrokkene 1] , [eiser] [A] respectievelijk [B] en Esan vormt daarop volgens het subonderdeel geen begrijpelijke respons, aangezien een dergelijke overeenkomst niet vereist is, terwijl de leningsovereenkomsten en [eiser] stellingen daarover wel tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] als gevolg van deze betalingen aan [eiser] .
Volgens de
tweedeklacht is de overweging dat [A] en Esan in de leningsovereenkomsten niet zijn genoemd geen begrijpelijke respons op [eiser] betoog, althans is het oordeel van het hof onjuist. Ook zonder expliciet alle partijen te vermelden door wie of aan wie betalingen zijn gedaan, kunnen partijen immers beoogd hebben te voldoen aan de uitbetalingsverplichting uit de leningsovereenkomst respectievelijk kunnen partijen de betalingen als lening hebben willen betitelen, aldus het subonderdeel.
De
derdeklacht in subonderdeel 4.6 gaat uit van de lezing dat het hof rov. 5.6 aan zijn oordeel ten grondslag heeft willen leggen. Het klaagt dat dit geen voldoende gemotiveerde respons is op [eiser] stellingen.
dat zo is overeengekomen tussen [eiser] en [betrokkene 1] en de betrokken vennootschappen”. [78] In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof in zijn oordeel aangaande de door [A] en [B] verrichte uitgaven uitsluitend heeft onderzocht of het bestaan van een meerpartijenovereenkomst ter zake voldoende is gestaafd. De derde klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 4.7, 4.8 en 4.9behelzen in de kern een herhaling van de klachten in de subonderdelen 1-5-1.6 en 3.4-3.5. Zij falen mutatis mutandis op dezelfde gronden als vermeld hiervoor onder 5.26.
bijdrage” naar [betrokkene 1] in privé overgeboekte bedragen hebben geresulteerd in een schuld van [betrokkene 1] aan [eiser] . De aard en omvang van de vele betalingen die [eiser] – rechtstreeks dan wel via zijn vennootschappen – over een langere periode ten behoeve van [betrokkene 1] heeft gedaan of laten doen wijzen erop dat hij zich heeft ingespannen om een bepaalde door zijn relatie [betrokkene 1] nagestreefde levensstijl mogelijk te maken zonder dat dit in een terugbetalingsplicht aan de zijde van [betrokkene 1] zou resulteren. De onder de noemer “bijdrage” door de rechtbank genoemde betalingen van uiteenlopende aard versterken volgens het hof bij gebreke van contra-indicaties dat beeld veeleer dan dat zij het ondergraven. Wat de betalingen van [eiser] aan Esan betreft verwijst het hof naar hetgeen het daarover heeft opgemerkt in rov. 5.14. [80]
vanuit privé” ten bedrage van in totaal € 32.488,24:
(a) twee betalingen “
naar Esan”, in totaal € 4.600,42 [81] ;
(b) een betaling “
naar OZB Gem. Wassenaar” ad € 1.637,82 [82] ;
(c) voor het overige: betalingen “
naar privé”, in totaal € 26.250. [83]
respectievelijk Esanovermaken van bedragen van in totaal
€ 26.500niet in een schuld van [betrokkene 1] aan hem hebben geresulteerd (rov. 5.18, eerste volzin). Dat is echter niet waarover wordt geklaagd. De klacht dat de betalingen
aan [betrokkene 1]optellen tot een bedrag van € 27.887,82 en niet van € 26.500 faalt bij gemis aan feitelijke grondslag, want zij tellen op tot € 26.250. Voor zover daarmee geklaagd wordt dat het hof in rov. 5.18 naast de betalingen aan [betrokkene 1] ad € 26.250 niet ook de OZB-betaling aan de gemeente c.q. Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland ad € 1637,82 (tezamen € 27.887,82) in de beoordeling heeft betrokken, faalt de klacht. Zij ziet eraan voorbij dat het hof deze post reeds heeft beoordeeld in rov. 5.13, waar het respondeert op de incidentele grief 5 van Dennestaete, die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank (eindvonnis, rov. 2.18) dat de betreffende betaling kwalificeert als lening. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 2 (hiervoor onder 5.28).
niet vereistis. [86]
schuldenvan [betrokkene 1] (zullen) opleveren (zie hiervoor onder 5.5). [eiser] heeft zich voorts (juist) niet beroepen op doorlopende verrekening van rechtswege op de voet van art. 6:140 BW Pro, dat wil zeggen door boeking van de uitgaven c.q. schulden van [betrokkene 1] in een ‘echte’ rekening-courant.