Conclusie
Nummer22/00251
Inleiding
De zaak in het kort
De voor de middelen relevante onderdelen uit het arrest
Redengevende feiten en omstandigheden algemeen
Feit 1, [medeverdachte 2] , oplichting
Feit 2
Feit 3
“Oplegging van straffen
Het eerste middel
eerste deelklachtbetreft een voortzetting van het in feitelijke aanleg gevoerde verweer dat inhield dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig zou zijn en de dagvaarding daarom niet geldig verklaard zou moeten worden (de samenvatting en verwerping van dit verweer zijn hierboven weergegeven onder 3.2).
tweede deelklachtricht zich tegen de bewezenverklaring van de oplichting en spitst zich toe op de rol die het “verzwijgen” in die bewezenverklaring inneemt. Hiertoe wordt een tweetal argumenten aangevoerd.
Het tweede middel
Het derde middel
Het vierde middel
Het vijfde middel
Het zesde middel
Het zevende middel
Het achtste middel
eerste deelklachtis dat het hof had moeten reageren op het standpunt dat voor de bewezen verklaarde witwashandeling van ‘voorhanden hebben’ ontslag van alle rechtsvervolging had moeten volgen omdat het ging om witwassen van ‘uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen’.
Verhullen herkomst (art. 420bis, lid 1 onder a Sr): onderlinge bancaire overboekingen en cash opnames
tweede deelklachthoudt in dat het hof een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij zijn oordeel over het bewijs van ‘verbergen of verhullen wie de rechthebbenden waren’. De norm daarvoor is niet dat het handelen van de verdachte moet zijn gericht op transparantie, “zoals ’s Hofs overwegingen doen vermoeden”, aldus de steller van het middel.