Conclusie
1.Feiten
Ten tijde van het ongeval had u te veel alcohol gedronken om aan het verkeer deel te mogen nemen. Op grond van onze voorwaarden bent u niet verzekerd voor de door u veroorzaakte schade.” [3]
u
2.Procesverloop
Eerste aanleg
TVM Zakelijk N.V.)). Daarbij is geoordeeld dat betrokkene dus ook niet redelijkerwijs had hoeven te begrijpen dat de door hem veroorzaakte schade van dekking onder de WAM-verzekering was uitgesloten. Uit deze rechtspraak volgt dat niet als feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat een verzekeraar van een auto geen schade vergoedt als die schade is ontstaan terwijl de bestuurder onder invloed van alcohol was. Volgens die uitspraak is er dus ook geen reden om te oordelen dat [verweerder] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.”
London/Aegon [8] en
TVM Zakelijk N.V. [9] ):
TVM Zakelijk N.V.niet richtinggevend is voor het onderhavig geschil, dat immers niet over de uitleg en toepassing van een opzetclausule gaat en de gevolgen daarvan voor de vraag of de verzekeringnemer dekking kan ontlenen aan de polis. Het ontbreken van dekking staat in de onderhavige zaak niet ter discussie. [verweerder] heeft namelijk niet het standpunt van Univé bestreden dat de schade die door het ongeval is ontstaan niet onder de verzekering is gedekt vanwege de daarin opgenomen alcoholclausule. Het onderhavige geschil beperkt zich tot de vraag of Univé verhaal kan nemen op [verweerder] , wat het geval is als hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (rov. 4.14.).
London/Aegonwél van belang is voor de beoordeling van het onderhavige geschil:
3.Het verhaalsrecht van de verzekeraar op grond van art. 15 lid 1 WAM Pro
Plan van behandeling
feiten van algemene bekendheid” als bedoeld in art. 149 lid 2 Rv Pro en maak daarin duidelijk dat dergelijke feiten weliswaar een aanknopingspunt kunnen bieden bij de vaststelling of iemand niet te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM, maar het bestaan van een feit van algemene bekendheid geen vereiste is om goede trouw afwezig te achten (iv). Ik vermoed dat Univé zich op art. 149 lid 2 Rv Pro heeft gericht vanwege hetgeen Uw Raad in verband met het opnemen van alcoholclausules door WAM-verzekeraars heeft geoordeeld in het arrest
London/Aegon. [11] Ik bespreek dit arrest dan ook kort en zet daarbij uiteen dat de inhoud daarvan niet bruikbaar is bij de beantwoording van de vraag of een verzekerde die niet de verzekeringnemer is – ik spreek hierna in navolging van het hof in rov. 4.16. van het bestreden arrest van ‘derde-verzekerde’ [12] – te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM (v). Ik sluit af met enkele bevindingen (vi).
De WAM in enkele hoofdlijnen
hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt”.
[…] /HAV Bank [31] oordeelde Uw Raad dat blijkens de wetsgeschiedenis van de WAM [32] de verzekeraar jegens de derde-verzekerde een voorbehouden verhaalsrecht alleen kon uitoefenen, indien deze zijn rechten uit de polis had verspeeld door
na het ongevalniet te voldoen aan een of meer verplichtingen jegens de verzekeraar. Het gaat dan om verplichtingen die de derde-verzekerde had moeten nakomen om niet op grond van de wet of op grond van enig beding in de polis zijn aanspraak op verzekeringsdekking te verliezen. Denk bijvoorbeeld aan het niet-nakomen van de verplichting tot het aanmelden van een schadegeval of het verstrekken van inlichtingen aan de verzekeraar. [33] Was van schending door de derde-verzekerde van een dergelijke verplichting sprake, dan werd in de feitenrechtspraak nog als nadere voorwaarde aan verhaal door de WAM-verzekeraar gesteld dat hij door dit niet-nakomen in een redelijk belang was geschaad. [34] Dit betekende uiteindelijk dat de verzekeraar vaak geen verhaal kon nemen op de derde-verzekerde. Vaak zal het bij een derde-verzekerde echter juist gaan om een schending van een verplichting jegens de verzekeraar die voor of tijdens het ongeval plaatsvindt (denk aan het rijden zonder geldig rijbewijs). Om in zo’n geval toch verhaal te kunnen nemen op de derde-verzekerde, namen verzekeraars wel hun toevlucht tot het ‘kopen’ van de vordering van de benadeelde op de derde-verzekerde en cessie daarvan aan hen. [35]
de werknemerdie schade had veroorzaakt met een motorrijtuig dat hij in opdracht van zijn werkgever bestuurde. In de memorie van toelichting werd deze uitzondering als volgt toegelicht: [38]
aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer”, met dien verstande, als gezegd, dat verhaal op hem alleen mogelijk is, wanneer hij “
niet te goeder trouw” mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Deze uitbreiding werd als volgt toegelicht: [39]
Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij (…)”) een verhaalsrecht op grond van art. 15 lid Pro 1, eerste volzin, WAM heeft op de derde-verzekerde. Daarom mag worden aangenomen dat het de verzekeraar is die moet stellen en bij betwisting moet bewijzen dat de tenzij-bepaling van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM van toepassing is en dienovereenkomstig dat de derde-verzekerde er niet op had mogen vertrouwen dat de schade die door zijn handelen is veroorzaakt, gedekt zou zijn onder een verzekering. [41]
niet te goeder trouw” is ten aanzien van WAM-dekking voor zijn aansprakelijkheid. De parlementaire geschiedenis geeft niet aan hoe dit moet worden getoetst, maar het ligt voor de hand om aan te sluiten bij art. 3:11 BW Pro. [42] Deze bepaling geeft een algemene regeling met betrekking tot (het ontbreken van) goede trouw, die in het vermogensrecht én ingevolge de schakelbepaling van art. 3:15 BW Pro zelfs ook buiten het vermogensrecht kan worden gebruikt. Natuurlijk wordt bij het vermogensrecht in eerste instantie gedacht aan het in het BW terug te vinden vermogensrecht, maar er is geen enkele reden de toepassing van de algemene begripsbepaling van art. 3:11 BW Pro daartoe te beperken. Uit art. 15 lid 1 WAM Pro of zijn parlementaire geschiedenis blijkt niet dat een specifieke, van art. 3:11 BW Pro afwijkende, invulling van het begrip ‘goede trouw’ aan de orde is. Ook de door art. 15 WAM Pro geregelde rechtsbetrekking tussen WAM-verzekeraar en derde-verzekerde vraagt daar niet om. [43] Bij de toepassing van art. 15 lid 1 WAM Pro kan en moet daarom worden aangeknoopt bij art. 3:11 BW Pro.
niet billijk is” de werknemer (en door de latere aanpassing van het artikellid geldt dat nu in wezen voor ‘iedere aansprakelijke persoon’ in de zin van dit eerste lid) “
het risico te laten lopen van het aflopen of de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst, van ongebruikelijke bedingen tot uitsluiting van bepaalde risico's, en van bedingen voor eigen risico en franchise”. Dat is niet billijk, omdat niet van hem kan worden verwacht “
dat hij deze mogelijkheden onderzoekt en hij erop moet kunnen vertrouwen dat zijn aansprakelijkheid gedekt is”. [49] Ook de nota van wijziging stelt dat “
de huurder of de bruiklener van een motorrijtuig” erop moeten “
kunnen vertrouwen dat hun aansprakelijkheid volgens de gebruikelijke voorwaarden is gedekt” en dat zij “
niet geconfronteerd[moeten]
worden met een verhaalsactie die zij niet hadden behoeven te verwachten”. [50] Hieruit kan worden afgeleid dat met art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM werd beoogd de derde-verzekerde te beschermen tegen verhaalsacties van verzekeraars in verband met ongebruikelijke uitsluitingsclausules. [51] Met dergelijke verhaalsacties hoeft een derde-verzekerde geen rekening te houden. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat deze bescherming ook zou moeten gelden voor verhaalsacties in verband met gebruikelijke uitsluitingsclausules. Voor gebruikelijke uitsluitingsclausules geldt juist dat de derde-verzekerde deze behoort te kennen of in ieder geval met gezond verstand kan bedenken – ook zonder de clausules als zodanig te kennen – dat de verzekeringsdekking zich niet zonder meer over de door de clausules geraakte gevallen uitstrekt. Omdat de derde-verzekerde met gebruikelijke uitsluitingsclausules rekening moet houden, kan van hem, in lijn met art. 3:11 BW Pro, ook worden verwacht dat hij bij twijfel of er dekking zou zijn voor zijn aansprakelijkheid, actie onderneemt om deze twijfel weg te nemen.
twijfelenover de vraag of dat implicaties heeft voor de dekking op een verzekering van zijn eventuele aansprakelijkheid, zeker indien er aanmerkelijk te veel alcohol is geconsumeerd. Die persoon hoeft weliswaar niet
precieste weten welke uitsluitingsclausules doorgaans in een WAM-polis zijn opgenomen en zal dat meestal ook niet precies weten, maar zou zich toch moeten afvragen of dekking wordt verleend voor een activiteit die – zo heeft althans de wetgever gemeend – inherent onaanvaardbare risico’s met zich meebrengt en daarom verboden is. Daarvoor is geen bijzondere juridische kennis nodig, omdat zowel het gevaarlijke als het verboden karakter van ‘rijden met (te veel) alcohol op’ reeds lang publiekelijk bekend is. [55] Een andersoortig, want rechtstreekser, aanknopingspunt is er natuurlijk indien dekking in een bepaald geval veelvuldig wordt uitgesloten in WAM-polissen en bestuurders van motorrijtuigen dat ook weten.
de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer”), brengt de parlementaire geschiedenis van deze bepaling enkel personen in beeld die het motorrijtuig met toestemming van de verzekeringnemer gebruiken (‘werknemer’, ‘huurder’ en ‘bruiklener’). [56] En dat ligt ook voor de hand: juist zulke personen moeten in het licht van art. 3 lid 1 WAM Pro kunnen rekenen op dekking tegen gebruikelijke voorwaarden van hun aansprakelijkheid op een WAM-verzekering. Tegen deze achtergrond spreekt het doortrekken van de bescherming die deze bepaling biedt naar personen die het motorrijtuig zonder toestemming van de verzekeringnemer gebruiken juist in het geheel niet aan.
slechtsniet te goeder trouw is indien hij onbekend is met een feit dat van algemene bekendheid is. Het antwoord op de vraag of een derde-verzekerde (niet) te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid 1 WAM Pro, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, met inachtneming van de richtlijnen die ik hiervoor in randnummers 3.19-3.24 heb genoemd. Het is geenszins beperkt tot het antwoord op de vraag of het opnemen (dan wel het zeer wel opgenomen kunnen zijn) van een uitsluitingsclausule in de toepasselijke polis, een feit van algemene bekendheid is in de zin van art. 149 lid 2 Rv Pro. De toets van art. 149 lid 2 Rv Pro (ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens moet zonder nader onderzoek geacht worden het te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten te kunnen komen) is dan ook een te strenge maatstaf voor de vraag of een derde-verzekerde (niet) te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM.
Het arrest London/Aegon
London/Aegon. [65] Om duidelijk te maken dat het arrest
London/Aegonniet bepalend is voor hoe de onderhavige zaak moet worden beslist, ga ik er hier kort op in.
London/Aegonbetrof in essentie een samenloop van twee WAM-verzekeringen en de vraag wie van de WAM-verzekeraars gehouden was om dekking te verlenen aan het slachtoffer van een verkeersongeval. De volgende casus, die zich afspeelde in 1999, lag hieraan ten grondslag. [66]
was veroorzaakt terwijl de feitelijk bestuurder niet wettelijk bevoegd is het motorrijtuig te besturen”. Nu vaststond dat A te veel alcohol had gedronken en rijden onder invloed van alcohol in art. 8 lid 2 WVW Pro 1994 is verboden, was A volgens Aegon niet wettelijk bevoegd om te rijden. A zou als gevolg van zijn alcoholgebruik daarom geen dekking kunnen ontlenen aan de WAM-verzekering van Aegon, zodat London geen beroep zou kunnen doen op haar samenloopclausule omdat de schade niet door een andere verzekering was gedekt. Daarom zou London de schade van B moeten dragen, aldus Aegon.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het besturen van een auto met teveel drank op wettelijk niet is toegestaan en strafbaar is, en veelal in WAM-verzekeringen van dekking is uitgesloten[cursivering van mij, A-G]. Het enkele feit dat in artikel 2.3.2 (…) het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank niet als zodanig expliciet is vermeld, acht het hof onvoldoende reden om te komen tot een ander oordeel. [Betrokkene 2] had derhalve redelijkerwijs moeten begrijpen dat schade veroorzaakt terwijl hij als bestuurder meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank had gedronken in artikel 2.3.2 van dekking was uitgesloten. (…)"
London/Aegonkomt er dus op neer dat het in 1999 geen feit van algemene bekendheid was dat het besturen van een auto met te veel drank op veelal in WAM-verzekeringen van dekking is uitgesloten. Ik merk hierbij op dat Uw Raad dit oordeel heeft gegeven in het kader van een geschil tussen partijen bij een verzekeringsovereenkomst, verzekeraar en verzekeringnemer, over de uitleg van een clausule die dekking uitsloot voor schade die was veroorzaakt terwijl de feitelijk bestuurder ‘niet wettelijk bevoegd was om een motorrijtuig te besturen’. Volgens Uw Raad behoefde de verzekeringnemer hier niet uit af te leiden dat hiermee ook schade veroorzaakt door rijden onder invloed van alcohol was uitgesloten, omdat, onder andere, het (in 1999) geen feit van algemene bekendheid was dat het besturen van een auto met te veel drank op veelal in WAM-verzekeringen van dekking is uitgesloten. Het ging in
London/Aegonniet alleen om een andere verhouding, WAM-verzekeraar tegen verzekeringnemer in plaats van de verhouding WAM-verzekeraar tegen derde-verzekerde, maar bovendien ook om een andere vraag. Centraal stond immers de vraag hoe een uitsluitingsbepaling moest worden uitgelegd en niet de vraag of de WAM-verzekeraar die de schade van de benadeelde heeft vergoed hoewel er geen polisdekking is, verhaal kon nemen op de aansprakelijke derde-verzekerde omdat deze niet te goeder trouw was ten aanzien van het bestaan van dekking voor zijn aansprakelijkheid in de zin van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM.
Bevindingen
London/Aegon, inhoudende dat het (in 1999) geen feit van algemene bekendheid was dat alcoholclausules veelal daadwerkelijk in WAM-verzekeringen worden opgenomen, niet doorslaggevend is voor de vraag die in de onderhavige zaak centraal staat: mocht [verweerder] , gezien de omstandigheden van het geval, uitgaan van dekking op de WAM-verzekering van zijn aansprakelijkheid voor de schade die hij zou veroorzaken bij het besturen van het motorrijtuig terwijl hij te veel alcohol had geconsumeerd? Het zojuist opgemerkte geldt ook voor de door Univé aangedragen variant waarin het niet gaat om het daadwerkelijk uitgesloten zijn van dekking als feit van algemene bekendheid in de zin van art. 149 lid 2 Rv Pro maar om het ‘zeer wel’ van dekking uitgesloten ‘kunnen’ zijn in een WAM-polis. [68] Voor het antwoord op de vraag of een derde-verzekerde niet te goeder trouw is in de zin van art. 15 lid 1 WAM Pro is ook een dergelijk feit uiteraard wel van belang, maar opnieuw niet vereist.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
feiten van algemene bekendheid” als bedoeld in art. 149 lid 2 Rv Pro (randnummers 3.25-3.27 hiervoor). De processuele problematiek die art. 149 lid 2 Rv Pro regelt, leert ons weinig over de juiste toepassing van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM. Wat in de zin van art. 149 lid 2 Rv Pro ‘algemeen bekend’ is, mag natuurlijk – in beginsel – ook bekend worden verondersteld in het kader van art. 3:11 BW Pro. Wat echter niet mag, maar in deze zaak wel is gebeurd, is dat de hoge drempel van art. 149 lid 2 Rv Pro wordt gehanteerd waar de lagere drempel van art. 3:11 BW Pro (bij twijfel is er reden voor navraag of onderzoek) van toepassing is.
London/Aegonen de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Strikwerda, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In
London/Aegonlag namelijk de vraag voor of het een feit van algemene bekendheid was dat dekking
veelal daadwerkelijkis uitgesloten, terwijl (in deze zaak) beslissend is of het een feit van algemene bekendheid is dat dekking
zeer wel kan zijnuitgesloten. In dat geval is, aldus Univé, geen sprake meer van goede trouw als bedoeld in art. 15 lid 1 WAM Pro.
zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt” (zie randnummers 3.19-3.24 hiervoor). Volgens mij kon het hof niet tot een ander oordeel komen dan dat [verweerder] daarover moest twijfelen. Vaststaat dat [verweerder] met een alcoholgehalte in zijn bloed van circa 1,26 mg/ml niet een motorrijtuig mocht besturen. Ik voeg daaraan toe dat dit alcoholgehalte niet een beetje te hoog was, maar in het licht van het destijds geldende art. art. 8 lid 3 sub b Wegenverkeerswet Pro 1994 veel te hoog. [71] Daar komt bij de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof in rov. 4.17. – waar Univé terecht op wijst – dat het algemeen bekend is (althans, zo begrijp ik het hof, ten tijde van het onderhavige voorval algemeen bekend was) dat (i) rijden onder invloed (a) gevaarlijk is en (b) strafrechtelijke consequenties kan hebben, (ii) er geregeld (ernstige) verkeersongevallen in het nieuws zijn waarbij alcohol in het spel was en (iii) verzekeraars in verzekeringsvoorwaarden uitsluitingen opnemen. Univé werpt terecht de vraag op welke uitsluitingen het hof op het oog heeft, indien dat niet de uitsluiting van de schade is die wordt veroorzaakt terwijl de bestuurder ‘in beschonken toestand’ is en daarom niet had mogen rijden. [72] Een bestuurder die moet begrijpen dat hij eigenlijk niet mag rijden omdat hij (veel) te veel alcohol heeft geconsumeerd, moet toch minstens twijfelen over de dekking onder een WAM-polis van zijn eventuele aansprakelijkheid voor schade die hij desondanks als bestuurder onder invloed heeft veroorzaakt. [73] Een en ander kan naar mijn mening tot geen andere conclusie leiden dan dat [verweerder] niet had mogen uitgaan van dekking van zijn aansprakelijkheid op de WAM-verzekering, daaraan juist had moeten twijfelen en daarom niet te goeder trouw was in de zin van art. 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM. In zoverre slagen de klachten van subonderdelen 1.1, 1.4, 1.5 en 1.6. De subonderdelen behoeven voor het overige geen bespreking. [74]
nietheeft te gelden als een feit van algemene bekendheid, in het licht van enkele door Univé ingenomen stellingen, onvoldoende gemotiveerd. Met subonderdeel 1.3 klaagt Univé dat het hof onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat in 1999 slechts 35% van de WAM-verzekeraars een alcoholclausule hanteerde, nu Univé gemotiveerd heeft gesteld dat in 2011 35% van de WAM-verzekeraars een alcoholclausule hanteerde. [75] En met subonderdeel 1.7 klaagt Univé dat het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het geen feit van algemene bekendheid is dat dekking voor schade als gevolg van het gebruik van alcohol zeer wel kan zijn uitgesloten, terwijl het volgens het hof wel een feit van algemene bekendheid is “
dat iemand die schade lijdt als gevolg van een aanrijding door een bestuurder die onder invloed is van alcohol, niet met de schade blijft zitten”. [76] Volgens Univé begrijpt het algemeen publiek enerzijds dat een benadeelde (van een verkeersongeval waarin alcohol een rol speelde) zijn schade vergoed krijgt van een verzekeraar, en anderzijds dat die verzekeraar de schade mogelijk kan verhalen op de aansprakelijke bestuurder omdat de verzekeraar in zo’n geval ook niet met de schade hoeft te blijven zitten.
op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen tot een ander oordeel in deze zaak dienen te leiden” en vervolgens de bewijsaanbiedingen als “
niet ter zake dienend” te passeren.