Conclusie
Inleiding
De middelen
Het vonnis van het Hof
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
de Rijkswet (artikel 22)- hogere wetgeving dan het Wetboek van Strafvordering - kunnen stukken bestemd voor alle gerechten in eerste aanleg bij iedere griffie worden ingediend. Het artikel regelt de inrichting van het Hof en de Gerechten.
Art. 445, eerste lid:
Art. 446, aanhef en onder a:
Art. 447, eerste lid:
Art. 1, aanhef en onder e en f:
Art. 10, eerste tot en met derde lid:
Art. 15, eerste lid:
Art. 22, eerste en tweede lid:
Grondslag van het voorstel
afleggenvan een verklaring ter griffie en dat daarvan door de griffier een akte wordt opgemaakt. [7] Ik neem aan dat daarmee gezegd wil zijn dat zo’n verklaring anders van karakter is dan stukken en zaken (waaronder bijvoorbeeld bewijsstukken) en daarom niet onder de reikwijdte van art. 22 Rijkswet Pro valt. Hoe dan ook, vaststaat dat in art. 445 Sv Pro BES is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het afleggen van een verklaring op de griffie van het Gerecht in eerste aanleg. Indien in afwijking van hetgeen het Hof heeft overwogen, zou moeten worden aangenomen dat art. 22 Rijkswet Pro te dezen wel van toepassing is, dan nog zou dit de steller van het middel niet baten. In dat geval is art. 445 Sv Pro BES aan te merken als een uitzondering op de hoofdregel zoals in art. 22, tweede lid, Rijkswet wordt bedoeld: stukken en zaken ten behoeve van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg kunnen worden ingediend bij alle vestigingen van de griffie,
tenzijbij landsverordening of wet anders is bepaald.
NJ2015/473 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn hand van 15 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2238 gesteld dat de raadsvrouw in de onderhavige zaak mocht vertrouwen op de juistheid van de door de griffier aan haar verstrekte ambtelijke informatie. In de zaak die tot dat arrest en mijn conclusie heeft geleid, betrof het de situatie waarin een senior administratief medewerker van de griffie aan de raadsman had meegedeeld dat de volmacht voor het instellen van cassatie per e-mail kon worden toegestuurd, terwijl dat destijds nog niet mogelijk was. In mijn conclusie schreef ik dienaangaande onder meer het volgende (de voetnoten heb ik hier weggelaten):
ad hoc‘oplossing’ van de griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao is hierin gelegen, dat een template beschikbaar is gesteld waarop niet dit Gerecht wordt vermeld, terwijl deze template daar feitelijk wel is opgemaakt, maar het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, zittingsplaats Curaçao. Ik weet niet of de betrokken griffiemedewerker al dan niet op eigen houtje heeft gehandeld, maar nu gezien de gedingstukken er geen reden is om aan te nemen dat daarvoor een rechtstitel aanwezig was, meen ik dat de raadsvrouw niet op de rechtsgeldigheid van deze template had mogen vertrouwen. Ik neem daarbij in aanmerking dat de raadsvrouw ter ’s Hofs terechtzitting heeft meegedeeld dat zij weet dat zij als rechtsgeleerd raadsvrouw niet blind mag vertrouwen op toezeggingen die worden gedaan door een griffiemedewerker. Dat zij naar haar zeggen een transparant overleg met de desbetreffende griffiemedewerker had, maakt dat niet anders. Een andersluidende opvatting zou immers impliceren dat op die manier de mogelijkheid wordt geopend dat hoger beroep wordt ingesteld in een ander Koninkrijkland, zonder dat daaraan de in art. 10, derde lid, Rijkswet bedoelde beslissing van het bestuur van het Gemeenschappelijk Hof vooraf gaat. [11]
Slotsom