Conclusie
Nummer22/01340
Inleiding
Het eerste middel
Het procesverloop
Het tweede middel
De aangifte van [slachtoffer] , voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende:Op 23 mei 2019 was ik in de woning te [plaats] om de bewoonster te helpen met huishoudelijk werk. Terwijl ik bezig was met de afwas kwam er ineens een man vanuit de slaapkamer gelopen. Deze man kwam de keuken ingelopen en sloeg mij vervolgens met een tas met hierin een steen vol op mijn hoofd. Hij deed dit uit het niks. De klap was zo hard en deed zoveel pijn. Ik werd door de klap helemaal duizelig, ik rende vervolgens gelijk naar de voordeur. In de hal voor de voordeur kreeg de man mij weer te pakken. Ik voelde dat de man mij meerdere malen in mijn gezicht sloeg. Ik voelde dat de man mij om mijn nek pakte. Ik ben de trap afgerend. Toen ik naar buiten wilde vluchten ontstond er in de hal voor de voordeur een worsteling tussen mij en de man. Hierbij kwam de man boven op mij te liggen en gaf hij mij meerdere vuistslagen in mijn gezicht. Toen ik op wilde staan pakte de man mij bij mijn nek. Ook voelde ik dat de man aan mijn nek trok. Hij maakte een beweging alsof hij mijn nek wilde breken. Ik bedoel hiermee dat hij zo'n beweging maakte zoals je altijd ziet in films. Dus door je hoofd heel snel te draaien ten opzichte van je romp, in de hoop dat je nek breekt. Ik denk echt dat de man mij dood wilde maken.
Het derde middel
vermoeddedat hem iets was toegediend. De overige stukken van het geding hielden niet in dat de verdachte het slachtoffer had gedrogeerd. De vergelijking met de onderhavige zaak gaat naar mijn idee mank. In de onderhavige zaak staat namelijk niet ter discussie dat de verdachte een handeling heeft verricht die het slachtoffer in de aangifte heeft omschreven als “een beweging alsof hij mijn nek wilde breken”.