3.3Het hof heeft, naast de bewijsmiddelen, ten aanzien van de bewezenverklaringen met betrekking tot dit laboratorium het volgende overwogen, zonder voetnoten (p. 60 e.v. arrest):
“Ter zake van het onder parketnummer 02-245431-19 tenlastegelegde heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 aan de verdachte tenlastegelegde.
Daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Er is slechts één dactyloscopisch spoor aangetroffen, te weten op een flesje ‘Vitamin water’. Dit flesje is niet delictgerelateerd en bevond zich in een kartonnen doos. Zowel het flesje als de doos zijn verplaatsbare objecten. Het flesje is bovendien niet in het drugslab aangetroffen maar bij de deur bij de ingang. De door getuige [betrokkene 1] - eigenaar van de schuur – opgegeven signalementen passen niet bij de verdachte. De partner van [betrokkene 1] - getuige [betrokkene 2] - heeft een week voor het aantreffen van het laboratorium weliswaar een auto gezien, maar deze is niet delictgerelateerd want deze stond er een week voor ontdekking van het lab. Verder kenden de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] elkaar ten tijde van de tenlastegelegde feiten nog niet. Het schakelbewijs is niet specifiek genoeg om te kunnen gebruiken. Het enige bewijs betreft dus het dactyloscopisch spoor en er is geen sprake van enig steunbewijs, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
In het drugslab te [plaats] is een dactyloscopisch spoor aangetroffen op een flesje ‘Vitamin water’ dat afkomstig blijkt van de verdachte. Het flesje is aangetroffen in de opslagruimte van het drugslab, die onderdeel uitmaakt van het drugslab. Bovendien stonden buiten bij de ingang van het laboratorium grote klemdekselvaten en IBC’s. De verdachte heeft in zijn verhoor d.d. 2 augustus 2021 verklaard dat het aangetroffen flesje mogelijk via een medegebruiker van de Volkswagen Passat- waarin de verdachte heeft gereden - in het drugslab terecht is gekomen, maar dit acht het hof mede gelet op het navolgende hoogst onwaarschijnlijk.
Getuige [betrokkene 2] - echtgenote van getuige [betrokkene 1] , die eigenaar en verhuurder van de schuur was - heeft verklaard bij hun huis een Volkswagen Passat te hebben gezien met het kenteken [kenteken] . Het signalement dat zij vervolgens opgeeft van de bestuurder is weliswaar algemeen, maar komt overeen met het signalement van de verdachte. Dat [betrokkene 1] signalementen opgeeft waar de verdachte niet mee overeenkomt, doet daaraan niet af, nu het signalement dat getuige [betrokkene 2] heeft gegeven gekoppeld kan worden aan de Volkswagen Passat met kenteken [kenteken] . Daar komt bij dat zij het kenteken naar eigen zeggen heeft genoteerd omdat zij bang was en iets in handen wilde hebben. Deze auto is weliswaar een week aangetroffen voor de ontdekking van het lab, maar het lab was op dat moment reeds aanwezig.
Voormelde Volkswagen Passat met kenteken [kenteken] stond op naam van getuige [betrokkene 3] , die daarover verklaart dat hij deze aan verschillende metselaars heeft uitgeleend. Hij verklaart ook dat hij een stuk of zes a zeven personen in dienst heeft, waaronder iemand met de naam ‘ [verdachte] ’. Uit de bedrijfsadministratie van het bedrijf van deze getuige bleek dat ‘ [verdachte] ’ de verdachte is. De verdachte verklaart zelf ook bij gelegenheid van zijn verhoor d.d 2 augustus 2021 dat hij in de Volkswagen Passat met het ‘desbetreffende’ kenteken – naar het hof begrijpt het kenteken [kenteken] - heeft gereden.
Uit het vorengaande leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die door getuige [betrokkene 2] is gezien bij de woning aan het [a-straat] te [plaats] .
Ook van medeverdachte [medeverdachte 2] werden sporen aangetroffen, te weten op een blikje ‘Dr Pepper’ dat stond op een houten tafel in de hoek van de linkerzij- en achtergevel. Ook werd -ter hoogte van de toegangsdeur in de rechterzijgevel van de schuur - eveneens een flesje ‘Vitamin water’ aangetroffen dat aangebroken was maar nog deels gevuld. De drinkopeningen hiervan zijn bemonsterd op de aanwezigheid van eventueel, humaan biologisch celmateriaal. De uit deze monsters afkomstige DNA-profielen bleken overeen te komen met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 2] .
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor d.d. 5 augustus 2021 verklaard dat hij wel op de locatie te [plaats] is geweest omdat hij was gevraagd rond dat schuurtje op te ruimen, waarbij hij ook even binnen is geweest maar dat er op dat moment niets stond. Daarbij zou hij wat gedronken hebben samen met de daar aanwezige(n), en zodoende zou van hem daar een flesje drinken kunnen zijn gevonden.
Deze verklaring, met name het gedeelte dat er op dat moment niets stond, acht het hof ongeloofwaardig. Er is immers tevens een blikje ‘Dr Pepper’ aangetroffen, dat zich naast verschillende klemdekselvaten bevond, en op welke tafel ook twee glazen kolven - naar het hof begrijpt laboratoriumhardware - en een veiligheid bril lagen. Dat hieruit - zoals door de verdediging in eerste aanleg heeft betoogd - niet blijkt of dit in de productieruimte is geweest, acht het hof geen beletsel, nu op diezelfde plek de klemdekselvaten en glazen kolven zijn aangetroffen.
Het hof is dan ook van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 2] eveneens op de locatie van het drugslab te [plaats] aanwezig is geweest. Daaraan doet niet af dat er andere DNA-sporen zijn aangetroffen, nu niet ondenkbaar is dat er (ook) een of meer ander(en) aanwezig kunnen zijn geweest.
Nu het hof heeft vastgesteld dat beide verdachten ter plaatse aanwezig zijn geweest bij het lab in [plaats] , ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in het laboratorium in [plaats] amfetamine hebben geproduceerd, of zij daar voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet hebben gepleegd, en of zij daar - kort gezegd - drugsafval via de riolering hebben afgevoerd.
Uit het enkele gegeven dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] daar ter plaatse zijn geweest, kan dit niet worden afgeleid. Het hof heeft echter - evenals de rechtbank - vastgesteld dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] in zowel Zevenaar als in Rijen amfetamine hebben geproduceerd en zich schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen. Bovendien zijn tussen die laboratoria verschillende overeenkomsten. In zowel het lab in Zevenaar als het lab in Rijen werden bijvoorbeeld niet alleen preprecursoren omgezet naar precursoren, maar werden precursoren ook gebruikt om amfetamine te vervaardigen. Daarnaast heeft zowel de verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] in beide laboratoria zelf omgezet en geproduceerd, en zijn zij bezig geweest melde opbouw.
Verder heeft getuige [betrokkene 4] verklaard dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] door de andere mannen - betrokken bij het lab in Rijen - bestempeld werden als het ‘gouden duo’. Uit die bewoordingen leidt het hof af dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] een reputatie en relatie hadden die van duurzamer aard was dan slechts het lab in Rijen. Het hof acht het dan ook ongeloofwaardig dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] elkaar ten tijde van de tenlastegelegde feiten in [plaats] nog niet kenden.
Met betrekking tot feit 3 overweegt het hof als volgt.
Er is ter plaatse vastgesteld dat er vervuilde afvoerslangen vanuit het drugslaboratorium uitkwamen op het gemeentelijk riool. Deze werden gebruikt voor de afvoer van drugsafval, hetgeen het hof afleidt uit de vervuildheid van de afvoerslangen en het feit dat uit onderzoek van het Waterschap Brabantse Delta blijkt dat er vervuiling is opgetreden. Nu verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] op deze zelfde plek amfetamine hebben geproduceerd, kan het niet anders zijn dan dat zij ook degenen zijn geweest die zich (mede) schuldig hebben gemaakt aan het - kort gezegd -ter plekke dumpen van het afval dat bij deze productie ontstond middels het afvoeren daarvan via de riolering.
Gelet op voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het vervaardigen van amfetamine, het verrichten van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet, en het - kort gezegd - dumpen van drugsafval.
Tot slot. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het lozen van drugsafval nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) ontstaan, zoals ook door het Waterschap Brabantse Delta is gerelateerd.”