Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaringen van de feiten met parketnummer 02-245431-19, kort gezegd de betrokkenheid van verdachte bij een drugslaboratorium in [plaats] , meer in het bijzonder dat het hof daarbij gebruik heeft gemaakt van “schakelbewijs”.
in criminalibusdenk ik er dan maar even bij - op nahielden lijkt mij evenmin onbegrijpelijk. Al met al – dus de gehele bewijsvoering in ogenschouw nemend – lijkt mij het bewijsoordeel van het hof met inbegrip van het hanteren van schakelbewijs niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middel. Dat klaagt dat het hof de opgelegde straf van acht jaren onvoldoende heeft gemotiveerd, gelet op het door de verdediging te dien aanzien ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
.Het in artikel 359 lid 2 Sv Pro neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”
derde middel. Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.