Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel Awordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW Pro niet van toepassing is op ‘middellijke’ onterving.
Onderdeel Bklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onjuiste beweegreden die is opgenomen in de bijlage bij de uiterste wil, geldt als in de uiterste wil zelf aangeduid. In
onderdeel Cwordt geklaagd dat het hof de voorwaarden van art. 4:43 lid 2 BW Pro onjuist heeft toegepast en/of zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn. [22] Aangenomen wordt dat hetzelfde geldt voor de vernietiging in rechte. [23] De vraag in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van de tekst en/of strekking van de toepasselijke regel. [24] In het geval van een wilsgebrek zoals dwaling is dat normaliter de persoon die de rechtshandeling heeft verricht en daarop wenst terug te komen. [25]
onder 4is gericht tegen rov. 4.14 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat aan moeder een perceel van 12.50 are is toegedeeld. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat in hoger beroep vaststond dat de zoon een deel van het perceel (het verschil tussen 12.50 en 10.55 are, te weten: 195 m2) in bezit heeft genomen. De klacht
onder 5meent dat het hof, indien en voor zover zijn oordeel inhoudt dat in hoger beroep vaststond dat de zoon dat deel van de boomgaard in eigendom heeft verkregen op grond van verkrijgende verjaring, ten onrechte niet heeft beslist op de vordering van de dochter tot waardevergoeding, althans levering van het onrechtmatig verkregen deel van de boomgaard aan de nalatenschap.
onder 4) klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat partijen niet hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon de rest van de boomgaard in ieder geval vanaf 1991 in bezit heeft gehad. Het onderdeel gaat er echter aan voorbij dat de rechtbank daarvóór – kennelijk in primaire zin – heeft geoordeeld dat aan moeder een perceel van 10.55 are is toegedeeld, welk oordeel door het hof – kennelijk ten gunste van de dochter – is verlaten. Indien en voor zover partijen niet hebben gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de zoon de rest van de boomgaard in ieder geval vanaf 1991 in bezit heeft gehad, dan had dit de dochter niet (verder) kunnen baten, aangezien het hof reeds van oordeel was dat een perceel van 12.50 are tot de nalatenschap van moeder behoorde. Bovendien brengt het oordeel over de inbezitneming niet automatisch mee dat de zoon onrechtmatig jegens moeder heeft gehandeld door zich een deel van de boomgaard toe te eigenen. Zowel de rechtbank als het hof hebben geconcludeerd dat daarvan nu juist geen sprake is. Het ontbreekt de dochter dan ook aan belang, zodat de klacht faalt.
onder 5is voorwaardelijk opgeworpen, indien en voor zover het hof als vaststaand heeft aangenomen dat de zoon het resterende deel van de boomgaard in eigendom heeft verkregen op grond van verkrijgende verjaring. De overwegingen van het hof geven geen blijk van een dergelijk (impliciet) oordeel. Het hof heeft immers geoordeeld dat aan moeder een perceel van 12.50 are is toegedeeld en dat deel van het perceel tot haar nalatenschap behoorde. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
onderdeel Chebben betrekking op het principaal hoger beroep. De klacht
onder 6betreft een voortbouwende klacht. De klachten
onder 7 en 8zijn gericht tegen rov. 4.19, waarin het hof heeft geoordeeld, onder verwijzing naar rov. 4.10 t/m 4.14, dat moeder de erfstelling van de dochter en de impliciete onterving van de zoon heeft gemaakt onder invloed van onjuiste beweegredenen. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat toetsing aan art. 4:43 lid 2 BW Pro vergt dat van alle, in de bijlage genoemde beweegredenen moet worden vastgesteld of deze onjuist zijn, dan wel dat de stelplicht en bewijslast op de zoon rusten, ofwel dat het hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd door een en ander niet (kenbaar) bij zijn overwegingen te betrekken. De klachten
onder 9 en 10zijn gericht tegen rov. 4.20, waarin het hof heeft geoordeeld dat de dochter niet, althans onvoldoende gemotiveerd, de stelling van de zoon heeft betwist dat indien en voor zover moeder zou hebben geweten dat haar veronderstellingen onjuist waren, zij hem niet zou hebben onterfd en dat hij evenals de dochter voor 50% in de nalatenschap van moeder zou delen, zodat is voldaan aan de tweede voorwaarde van art. 4:43 lid 2 BW Pro. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
onder 6bouwt voort op de klacht onder 5 en deelt het lot daarvan.
onder 7 en 8merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 4.19 overwogen dat in de bijlage is vermeld dat moeder de zoon heeft onterfd, omdat moeder in de veronderstelling was dat de zoon een deel van de boomgaard zonder haar medeweten op zijn naam heeft gezet, terwijl hij volgens moeder daar geen recht op had, en dat de waarde van de blokhut door het verkleinen van het perceel aanzienlijk lager was geworden, waardoor moeder en de dochter zouden zijn benadeeld. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat in de bijlage een ‘veelheid aan beweegredenen’ wordt genoemd en iedere beweegreden dragend kan zijn geweest voor de erfstelling. De samenvatting van de beweegredenen van moeder in rov. 4.19 geeft ervan blijk dat het hof de toelichting als geheel voor ogen heeft gehad en meerdere beweegredenen in zijn beoordeling heeft betrokken, zodat de opgeworpen rechtsklacht faalt. Verder licht de klacht niet toe welke beweegreden(en) van moeder, in aanvulling op de beweegredenen zoals omschreven in rov. 4.19, het hof in aanmerking had moeten nemen, anders dan ‘het geschonden vertrouwen in haar zoon’ en de ‘slechte verhouding met haar zoon en schoondochter’. In het licht van de toelichting in de bijlage is niet onbegrijpelijk dat het hof aan eerstgenoemde omstandigheid geen zelfstandige betekenis heeft toegekend ten opzichte van de veronderstelling dat de zoon een deel van de boomgaard zonder medeweten van moeder op zijn naam heeft gezet. Ook blijkt uit de toelichting dat de laatstgenoemde omstandigheid door moeder als verklaring is opgeworpen voor het feit dat zij niet bij de zoon om opheldering heeft gevraagd en dus niet zozeer als beweegreden voor de erfstelling, zodat niet onbegrijpelijk is dat het hof daaraan voorbij is gegaan. Aldus kan niet worden gezegd dat het hof een onbegrijpelijke lezing heeft gegeven van de in de toelichting weergegeven beweegredenen van moeder voor de erfstelling, dan wel zijn oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarom faalt ook de motiveringsklacht.
onder 9 en 10is het volgende van belang. De partij die zich beroept op art. 4:43 lid 2 BW Pro moet stellen, en indien nodig, bewijzen dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van zijn beweegreden kennis had gedragen. Onder het oude recht (art. 4:937 BW Pro (oud)) was vereist dat uit de bewoordingen van de uiterste wil zelf bleek dat de daarin aangeduide omstandigheid een beweegreden tot de beschikking was geweest, maar die eis is onder het huidige recht verlaten. Volgens de wetgever zou de mogelijkheid tot vernietiging anders te zeer afhankelijk zijn van een toevallige woordkeus bij het in geschrift brengen van de uiterste wilsbeschikking. [32] Onder het huidige recht kan het bewijs van het beslissende karakter van de beweegreden ook worden geleverd aan de hand van omstandigheden buiten het testament om. [33] In de Toelichting Meijers is er verder op gewezen dat de wet het bewijs van het beslissende karakter van de beweegreden niet te veel moet bemoeilijken, omdat bijna iedere beweegreden ook een beslissende beweegreden is. [34] Volgens Breemhaar wordt deze eis onder het huidige recht dan ook niet streng gehandhaafd. [35]