Conclusie
Nummer21/03769
‘Oplegging van straf
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan de verdachte in eerste aanleg opgelegde straf geen recht zou doen aan de aard en de ernst van het feit. Daartoe is aangevoerd dat de verwijzing van het hof – ter motivering van de hogere straf – naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betrekking heeft op de persoon van de verdachte en niet op de aard of ernst van het feit als zodanig. Daarbovenop heeft het hof volgens de steller van het middel niet aangegeven waarom het in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding heeft gezien om de op te leggen straf te matigen.
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof in het bestreden arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake de strafmaat. Gesteld wordt dat door de verdediging ter terechtzitting is verzocht om in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 180 uur op te leggen, en dat daartoe is aangevoerd dat de verdachte na jarenlang dak- en thuisloos te zijn geweest inmiddels over een eigen huurwoning beschikt en een uitkering ontvangt, dat de verdachte graag wil werken en niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest, dat hij zich als vrijwilliger actief inzet voor de opvang van dak- en thuislozen en dat de verdachte heeft gesteld dat een gevangenisstraf zou betekenen dat hij weer ‘terug bij af’ is. Doordat het hof slechts heeft overwogen dat het in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding ziet om de op te leggen straf te matigen, heeft het hof volgens de steller van het middel niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van de door de raadsman betoogde strafvermindering.