Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en feit 2
“diefstal”.
NJ2003/39, overwogen dat:
uitgereiktheeft te gelden als de datum van indiening van de vordering, faalt.
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014 088427 van 29 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina’s 82 t/m 84).
“Grondslag van de vordering
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
“geen profijt heeft gehad van enige oogst”. De eerste oogst, bestaande uit vier à vijf hennepplanten, is verdeeld onder vrienden en gedeeltelijk voor eigen gebruik achtergehouden. De tweede oogst is volledig in beslag genomen en vernietigd, terwijl deze planten nog geen volledige kweekcyclus hadden ondergaan en dus niet gebruiksklaar waren. Van enig wederrechtelijk verkregen voordeel is dan ook geen sprake.
“het financieel onderzoek zeer ongefundeerd is geweest”waardoor het hof daaraan bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel “
ten onrechte rechten” heeft ontleend. Het feit dat het hof de ontnemingsvordering vermindert met de helft van het schikkingsvoorstel van € 10.000,- duidt reeds op een onjuiste grondslag van de (verminderde) vordering omdat het schikkingsvoorstel ook niet is onderbouwd op zijn juiste juridische merites, bewijzen en wettelijke grondslag, aldus de steller van het middel.
ten minsteéén eerdere oogst moet zijn geweest.
“zeer ongefundeerd is geweest”niet met argumenten heeft gestaafd.