ECLI:NL:PHR:2023:507

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
15 mei 2023
Zaaknummer
21/03255
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 359a SvArt. 440 SvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen voorhanden hebben wapens en munitie ondanks vormverzuim en DNA-discussie

De zaak betreft een verdachte die op 23 juni 2017 te Breda samen met anderen werd betrapt op het voorhanden hebben van een omgebouwd alarmpistool, een pistoolmitrailleur en bijbehorende munitie in een personenauto. De wapens lagen onder de passagiersstoel, terwijl de verdachte op de achterbank zat. DNA-onderzoek bracht mengprofielen aan het licht, waarbij het DNA van de verdachte op één van de wapens werd aangetroffen.

De verdediging voerde aan dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was en dat dit een vormverzuim opleverde dat bewijsuitsluiting rechtvaardigde. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat een schending van artikel 8 EVRM Pro niet automatisch leidt tot bewijsuitsluiting indien het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro) niet is geschonden. Ook stelde het hof dat de verdachte bewust was van de aanwezigheid van de wapens, gelet op de locatie en het DNA-bewijs.

In cassatie klaagde de verdediging onder meer over de motivering van het hof, de mogelijkheid van DNA-contaminatie en de overschrijding van de inzendtermijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de motivering toereikend had gegeven en dat de enkele stelling van contaminatie onvoldoende was onderbouwd. Wel werd de overschrijding van de inzendtermijn erkend, wat leidde tot vernietiging van de strafoplegging, maar niet van de bewezenverklaring.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de veroordeling voor medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie, maar bepaalde dat de strafoplegging opnieuw moet worden vastgesteld binnen de wettelijke termijnen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie, vernietigt de strafoplegging wegens overschrijding inzendtermijn en verwijst de zaak terug voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03255
Zitting16 mei 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 30 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 243 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave aan de rechthebbende gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven BMW personenauto. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03452 en 21/03354. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
4. Het eerste middel klaagt dat het hof de resultaten van een onrechtmatige doorzoeking van de auto waarin de verdachte zat, heeft gebruikt voor het bewijs, terwijl het bij de verwerping van het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat strekte tot bewijsuitsluiting niet de juiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd, zodat het bestreden arrest hetzij berust op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij op dit punt ontoereikend is gemotiveerd.
5. In hoger beroep is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
“1.
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een (omgebouwd) alarmpistool (merk Valtro), en/of munitie van categorie III, te weten 29 centraalvuur eenheids kogelpatronen (kaliber 7.65 mmBr) en/of 7 eenheids kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 7.65 Br), voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 23 juni 2017 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur (merk Ceska Zbrojovka type Vz61 “Skorpion”, kaliber 7.65 mm Br) voorhanden heeft gehad”.
6. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging het in het middel bedoelde verweer van de raadsvrouw van de verdachte als volgt samengevat en verworpen: [1]

Standpunt verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat het onderzoek aan de personenauto van de [medeverdachte 1] onrechtmatig is geweest, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv en dient te leiden tot bewijsuitsluiting; dat zou ertoe moeten leiden dat de verdachte wordt vrijgesproken. […]
Het oordeel van het hof
Het hof verwerpt het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer. Ook indien er met de verdediging vanuit moet worden gegaan dat zich met betrekking tot de doorzoeking van de personenauto een vormverzuim heeft voorgedaan in die zin dat deze doorzoeking zonder een redelijk vermoeden van schuld heeft plaatsgevonden, zou het hof niet tot bewijsuitsluiting zijn overgegaan. Het aannemen van het door de verdediging gestelde verzuim en de aanname dat de verdachte zou zijn getroffen in een belang dat de geschonden norm beschermt, zou betekenen dat de verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM Pro gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Een zodanige inbreuk levert echter niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM Pro vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM Pro behoeft dan ook in de regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, mits het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro wordt gewaarborgd. Dat verdachtes recht op een eerlijk proces in deze is geschonden is niet aan de orde, dus bewijsuitsluiting evenmin. Ook strafvermindering is niet aan de orde, aangezien niet is gebleken dat de verdachte door het gestelde verzuim in enige mate daadwerkelijk nadeel heeft geleden dat door middel van strafvermindering kan worden gecompenseerd. Zou het hof dus inderdaad het gestelde verzuim hebben geconstateerd, dan zou het hebben volstaan met die enkele constatering en daar geen verdere rechtsgevolgen aan hebben verbonden.
Aan de enkele stelling van de raadsvrouw dat een onrechtmatige doorzoeking tot de conclusie zou leiden dat er sprake is van détournement de pouvoir, gaat het hof als onvoldoende onderbouwd voorbij.”
7. Het middel klaagt in het bijzonder dat het hof bij de beoordeling van het door de raadsvrouw gevoerde verweer niet heeft beoordeeld of vastgesteld of sprake was van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel die gelet op alle omstandigheden van het geval noodzakelijk maakte dat de resultaten van de doorzoeking van het bewijs werden uitgesloten van het bewijs.
8. Zoals steller van het middel ook aangeeft, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, – voor zover hier van belang – het volgende overwogen over gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel:
“2.4.4 […] In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.” [2]
9. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat in hoger beroep door de verdediging een beroep is gedaan op de categorie van gevallen waarin sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.
10. Het hof heeft het in hoger beroep gevoerde verweer kennelijk niet zo opgevat, maar als een beroep op de categorie van gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro aan de orde is. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, nu de raadsvrouw volgens haar in de schriftuur aangehaalde pleitnota heeft aangevoerd:
“Het geschonden belang is: Inbreuk op artikel 8 EVRM Pro en schending van artikel 6 EVRM Pro.
Het is een schending van artikel 8 EVRM Pro en artikel 6 EVRM Pro, alsmede schending van het vrij verkeer van personen en goederen, als het enkele feit dat iemand zich in de nabijheid heeft bevonden van een persoon die eerder met justitie in aanraking is geweest, zou noodzaken alle personen in de omgeving van die persoon te onderwerpen aan een identiteitscontrole.
De sanctie dient te zijn: bewijsuitsluiting. […]”
11. Het middel mist daarmee feitelijke grondslag en faalt.
Het tweede middel
12. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en de munitie. Het klaagt dat dit niet, althans niet in overtuigende mate, blijkt uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zodat de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van wapens en munitie onvoldoende met redenen is omkleed. Daarnaast klaagt het dat het gevoerde bewijsverweer is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, waardoor het arrest aan nietigheid lijdt.
13. Met het oog op de beoordeling van het middel, geef ik eerst de bewezenverklaring (onder 14), de bewijsvoering (onder 15-16), de beoordeling door het hof van het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer (onder 17) en tot slot het toepasselijke juridisch kader (onder 19-20) weer.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
14. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij op 23 juni 2017 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een (omgebouwd) alarmpistool (merk Valtro), en munitie van categorie III, te weten 29 centraalvuur eenheids kogelpatronen (kaliber 7.65 mmBr) en 7 eenheids kogelpatronen (merk Sellier & Bellot, kaliber 7.65 Br), voorhanden heeft gehad;
2. hij op 23 juni 2017 te Breda, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur (merk Ceska Zbrojovka type Vz61 “Skorpion”, kaliber 7.65mm Br) voorhanden heeft gehad”.
15. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen: [3]
“1. Het proces-verbaal relaas d.d. 29 augustus 2017 (pg. 2-8), voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 1]:
Op vrijdag 23 juni, omstreeks 04.00 uur, werd
(het hof begrijpt: te Breda)tijdens een algemene surveillance een algemene verkeerscontrole gedaan op een personenauto van het merk BMW, kenteken [kenteken] .
(Opmerking hof: Blijkens het proces-verbaal bevindingen d.d. 13 juli 2017 (pg. 95-96) vond die controle plaats op grond van de Wegenverkeerswet 1994.)
Tijdens de doorzoeking van de auto werden twee vuurwapens aangetroffen: een automatisch vuurwapen inclusief patroonhouders met daarbij behorende munitie en een handvuurwapen inclusief een patroonhouder met daarbij behorende munitie. Inbeslaggenomen werden een vuurwapen van het merk Valtro en twee patroonhouders met 7 stuks munitie en een vuurwapen van het merk Scorpio en twee patroonhouders met 29 stuks munitie. Zie los bijgevoegde kennisgevingen van inbeslagneming.
Op 23 juni 2017 werd aan verbalisant [verbalisant 2] , een pistoolmitrailleur en een pistool met munitie voor nader onderzoek overgedragen. Zie proces-verbaal van bevindingen determineren vuurwapens en munitie, bladzijde 100 en
(het hof begrijpt tot en met)103 en pv aanvraag extern forensisch onderzoek vuurwapens en munitie,
(het hof begrijpt vanaf)bladzijde 107.
2. De los in het dossier gevoegde
kennisgeving van inbeslagneming, registratienummer PL2000-2017147745-28, voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat] , [plaats]
Datum: 24
(het hof begrijpt: 23)juni 2017
Omstandigheden: patronen aangetroffen tijdens een controle van een voertuig
Goednummer: PL2000-2017147745-1738204
Object: munitie
Aantal: 29 stuks
Bijzonderheden: munitie voor kaliber 7.65
3. De los in het dossier gevoegde
kennisgeving van inbeslagneming, registratienummer PL2000-2017147745-29, voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat] , [plaats]
Datum: 24
(het hof begrijpt: 23)juni 2017
Omstandigheden: aangetroffen tijdens een controle van een auto
Goednummer: PL2000-2017147745-1738209
Object: munitie
Aantal: 7 stuks
Bijzonderheden: merk 7.65 mm selier&bullot
(het hof begrijpt: Sellier en Bellot)
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2017 (pg. 68-69), voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 3]:
Op 23 juni 2017 was ik, verbalisant [verbalisant 3] , belast met algemene surveillance in de omgeving van Breda. Ik was samen met collega [verbalisant 4] . Ik zag een personenauto rijden van het merk BMW, met kenteken [kenteken]
(het hof begrijpt: [kenteken] ). Ik besloot de BMW te onderwerpen aan een verkeerscontrole. Ik hield het voertuig staande aan de [a-straat] te [plaats] . Ik vroeg de bestuurder om een rijbewijs. Hij overhandigde mij een geldig rijbewijs. Ik zag dat de bestuurder was: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat mijn collega [verbalisant 4] het identiteitsbewijs van de bijrijder in ontvangst nam dat hij aan mij overhandigde. Ik zag dat de bijrijder was [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] . Ik hoorde van mijn collega dat de persoon die op de achterbank zat geen identiteitsbewijs bij zich had. Tijdens de doorzoeking van het voertuig trof ik onder de bijrijdersstoel twee vuurwapens aan. Ik heb daarop mijn bevindingen direct portofonisch doorgegeven aan mijn collega’s. Ik hoorde collega [verbalisant 5] tegen de drie verdachten roepen dat ze waren aangehouden en sommeerde hen de handen op het hoofd te leggen.
5. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 23 juni 2017 (pg. 47-48), voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 5]:
Op 23 juni 2017 omstreeks 04.23 uur hield ik op de locatie [a-straat] , [plaats] , als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2017 (pg. 73-74), voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 6]:
Ik, verbalisant, hoorde op 23 juni 2016
(het hof begrijpt: 2017)dat het Operationeel Centrum mij verzocht ter plaatse te gaan op de locatie [a-straat] te [plaats] . Ik was omstreeks 04.30 uur ter plaatse. Ik zag onder de bijrijdersstoel van een voertuig twee op vuurwapens gelijkende goederen liggen. Ik heb beide goederen veiliggesteld middels de zogeheten DNA-kit. Het eerste op een vuurwapen gelijkend voorwerp was gelijkend op een automatisch vuurwapen. Ik zag dat er een patroonhouder in het goed zat en dat deze was gevuld met patronen. Ik zag dat er een patroonhouder, eveneens gevuld met patronen, middels plakband was vastgemaakt aan de patroonhouder in het goed. Het andere goed was een op een handvuurwapen gelijkend goed. Ik zag dat er in het goed een patroonhouder aanwezig was. Ik zag dat deze patroonhouder gevuld was met patronen.
7. Het proces-verbaal betreffende een pistoolmitrailleur en een pistool met munitie d.d. 12 juli 2017 (pg. 100-103), BHV nummer: 2017147745, voor zover inhoudende als
relaas verbalisant [verbalisant 2]:
Op 23 juni 2017 werden aan mij, [verbalisant 2] , brigadier van politie, als materiedeskundige werkzaam bij de unit Wapens, Munitie en Explosieven, van de politie Eenheid Zeeland en West-Brabant, een pistoolmitrailleur en een pistool met munitie overgedragen. Bij verder onderzoek is gebleken:
Omschrijving pistoolmitrailleur goednummer 1737750
Het voorwerp is een centraal vuurwapen in de vorm van een pistoolmitrailleur van het merk Ceska Zbrojovka, type Vz61, kaliber 7.65 mm Br. Dit type “Skorpion” is een Tsjechoslowaaks wapen. Het wapen werd aangeleverd met twee patroonmagazijnen. Dit vuurwapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro II onder ten 2e van de WWM.
Omschrijving munitie goednummer 1738204 aangetroffen bij bovenomschreven pistoolmitrailleur.
In de patroonmagazijnen bevonden zich respectievelijk 11 en 18 centraalvuur eenheids kogelpatronen van het kaliber 7.65 mmBr. De munitie is munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III, van de WWM.
Omschrijving omgebouwd alarmpistool goednummer 1737749
Het in beslag genomen voorwerp is een naar scherp schietend vuurwapen omgebouwd alarmpistool van het merk Valtro. Door het plaatsen van een nieuwe open loop is het voorwerp geschikt gemaakt om projectielen door een loop af te schieten. Het is een vuurwapen in de zin van artikel I onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro III onder 1e van de Wet Wapens en munitie.
Omschrijving van bij het pistool aangetroffen munitie goednummer 1738209
In het patroonmagazijn van het hierboven omschreven omgebouwde alarmpistool bevonden zich zeven stuks eenheids kogelpatronen voorzien van bodemstempel “S&B 7,65”
(het hof begrijpt: 7.65Br). De munitie is gefabriceerd bij de firma “Sellier&Bellot”. De munitie is munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2 lid 23 categorie Pro III, van de WWM.
Op verzoek van het onderzoeksteam is door mij een forensisch onderzoek naar sporen verricht. Bij dit onderzoek zijn van de betreffende wapens biologische sporen afgenomen. Deze zijn met een formulier “aanvraag extern forensisch onderzoek” voorgelegd aan de officier van justitie.
8. De
aanvraag extern forensisch onderzoek(pg. 107-109), registratienummer: PL2000-2017147745-34, voor zover inhoudende:
Omschrijving: bezit vuurwapens, 23 juni 2017, 04.10 uur, Breda.
De officier van justitie wil graag vastgesteld hebben of er zich DNA sporen van de verdachten op het wapen bevinden.
Verdachten:
[medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] .
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .
Stukken van overtuiging:
SIN: AAJQ9284NL
Spooromschrijving: Epitheel
Plaats veiligstellen: Valtro alarmpistool, omgebouwd naar scherpschietend
Stukken van overtuiging:
SIN: AAJQ9285NL
Spooromschrijving: Epitheel
Plaats veiligstellen: CZ pistoolmitrailleur.
9. Het rapport “DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Breda op 23 juni 2017” van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 14 september 2017, zaaknummer 2017.07.24.138 (aanvraag 001), opgemaakt door de NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA dr. R.J. Brink, voor zover inhoudende als
relaas van rapporteur:
DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Breda op 23 juni 2017.
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AAJQ9284NL#01 Bemonstering (Valtro alarmpistool)
AAJQ9285NL#01 Bemonstering (op cz pistoolmitrailleur)
De DNA-profielen van de verdachten [medeverdachte 2] RAAK6814NL (geboren op [geboortedatum] 1984), [verdachte] RHP106 (geboren op [geboortedatum] 1981) en [medeverdachte 1] RAAT0152NL (geboren op [geboortedatum] 1981) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
In Tabel 1 staat vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Dit betekent dat als een persoon niet vermeld wordt, er op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek geen aanwijzing is voor de aanwezigheid van celmateriaal van deze persoon in die bemonstering.
Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
SIN
Beschrijving DNA-profiel/
celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans en/of bewijskracht
Toelichting
AAJQ9284NL#01
DNA-mengprofiel van minimaal drie personen
[medeverdachte 2] en minimaal twee andere personen
Niet berekend
1, 2
AAJQ9285NL#01
DNA-mengprofiel van minimaal twee personen
[medeverdachte 2] en minimaal één andere persoon
Niet berekend
1, 2
Toelichtingen:
1. De DNA-mengprofielen van het DNA in de bemonsteringen AAJQ9284NL#01 en AAJQ9285NL#01 zijn vooralsnog onvoldoende informatief om te kunnen beoordelen of de verdachten [verdachte] en/of [medeverdachte 1] donor kunnen zijn van een deel van het DNA in deze bemonsteringen, zie het onderdeel ‘Mogelijkheden voor aanvullend onderzoek’.
2. De bewijskracht van de matches met het DNA-profiel van de verdachte [medeverdachte 2] RAAK6814NL is vooralsnog niet berekend, zie het onderdeel ‘Mogelijkheden voor aanvullend onderzoek’.
Met aanvullend DNA-onderzoek kunnen van het DNA in de bemonsteringen AAJQ9284NL#01 en AAJQ9285NL#01 informatievere DNA-mengprofielen worden verkregen teneinde te trachten:
1. de bewijskracht van de gevonden match met het DNA-profiel van de verdachte [medeverdachte 2] RAAK6814NL te bepalen.
2. een uitspraak te kunnen doen of [verdachte] en/of [medeverdachte 1] al dan niet donor kunnen zijn van een deel van het DNA in deze bemonsteringen.
10. Het rapport “Aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Breda op 23 juni 2017” van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 23 januari 2018, zaaknummer 2017.07.24.138 (aanvraag 002), opgemaakt door de NFl-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA dr. S. van Soest, voor zover inhoudende als
relaas van rapporteur:
Op grond van het eerste resultaat van het standaard DNA-onderzoek is het standaard DNA onderzoek aan deze bemonsteringen herhaald om de reproduceerbaarheid van het verkregen resultaat te onderzoeken.
De DNA-profielen van de verdachten [medeverdachte 2] RAAK6814NL (geboren op [geboortedatum] 1984), [verdachte] RHPI06 (geboren op [geboortedatum] 1981) en [medeverdachte 1] RAAT0152NL (geboren op [geboortedatum] 1981) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
AAJQ9284NL#01(hof: alarmpistool)
Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen de DNA-profielen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAJQ9284NL#0I zijn de volgende aannames gedaan:
- de bemonstering AAJQ9284NL#01 bevat celmateriaal van drie of vier personen;
- de personen in deze bemonstering zijn niet onderling verwant.
Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek aan het celmateriaal in deze bemonstering is geconcludeerd dat deze resultaten passend zijn bij zowel drie als vier donoren. Daarom is de berekening van de ordegrootte van de bewijskracht uitgevoerd onder zowel de aanname dat er drie dan wel vier donoren celmateriaal hebben bijgedragen aan deze bemonstering.
Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
hypothese 1:
De bemonstering AAJQ9284NL#01 bevat celmateriaal van [medeverdachte 2] en twee of drie willekeurige onbekende personen.
hypothese 2:
De bemonstering AAJQ9284NL#01 bevat celmateriaal van drie of vier willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AAJQ9284NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.
hypothese 3:
De bemonstering AAJQ9284NL#01 bevat celmateriaal van [medeverdachte 1] en twee of drie willekeurige onbekende personen.
hypothese 4: De bemonstering AAJQ9284NL#01 bevat celmateriaal van drie of vier willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AAJQ9284NL#01 is, onder de aanname van vier donoren, circa 350 duizend keer waarschijnlijker als hypothese 3 waar is, dan als hypothese 4 waar is.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AAJQ9284NL#01 is, onder de aanname van drie donoren, circa 400 duizend keer waarschijnlijker als hypothese 3 waar is, dan als hypothese 4 waar is.
AAJQ9285NL#01(hof: pistoolmitrailleur)
Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht (zie ook het kader Instituut 'Bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek’) van de overeenkomsten tussen de DNA-profielen van [medeverdachte 2] en [verdachte] en het DNA-mengprofiel van het Onderwerp celmateriaal in de bemonstering AAJQ9285NL#01 zijn de volgende aannames gedaan: Aanvullend DNA-onderzoek
- de bemonstering AAJQ9285NL#01 bevat celmateriaal van vier personen;
- de personen in deze bemonstering zijn niet onderling verwant.
Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
hypothese 5:
De bemonstering AAJQ9285NL#01 bevat celmateriaal van [medeverdachte 2] en drie willekeurige onbekende personen.
hypothese 6:
De bemonstering AAJQ9285NL#01 bevat celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AAJQ9285NL#01 is circa 600 miljoen keer waarschijnlijker als hypothese 5 waar is, dan als hypothese 6 waar is.
hypothese 7:
De bemonstering AAJQ9285NL#01 bevat celmateriaal van [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen.
hypothese 8:
De bemonstering AAJQ9285NL#01 bevat celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AAJQ9285NL#01 is circa 50 duizend keer waarschijnlijker als hypothese 7 waar is, dan als hypothese 8 waar is.
11. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 juli 2017 (p. 97-98), voor zover inhoudende:

als relaas van verbalisant:

Op 18 juli 2017, werd als getuige gehoord [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] als zijnde ten naam gestelde van het in beslag genomen voertuig met kenteken [kenteken] .

als verklaring van getuige [betrokkene] :

[medeverdachte 1] is mijn oom. Ik leen nu mijn auto uit aan hem. Eigenlijk altijd. [medeverdachte 1] rijdt ermee. Ik heb namelijk nog geen rijbewijs. [medeverdachte 1] is de enige aan wie ik de auto uitleen.
12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda d.d. 5 juli 2018, voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte [verdachte]:
In Breda werd de BMW waarin we reden, gecontroleerd door de politie. Ik zat op de achterbank.”
16. In de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv heeft het hof ten aanzien van de gebruikte bewijsmiddelen overwogen dat de beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De verwerping van het gevoerde bewijsverweer
17. Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat – kort gezegd – in het dossier voldoende overtuigend bewijs is te vinden dat de verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad, zoals bedoeld in art. 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, verworpen. Ten aanzien van dit verweer heeft het hof als volgt overwogen:
“Aantreffen wapens en munitie
Het hof stelt vast dat bij een verkeerscontrole op 23 juni 2017 omstreeks 04.00 uur te Breda een personenauto, BMW met kenteken [kenteken] , door verbalisanten staande wordt gehouden op grond van de Wegenverkeerswet 1994. In de personenauto wordt [medeverdachte 2] als bijrijder op de passagiersstoel, samen met de verdachte (als bijrijder op de achterbank) en [medeverdachte 1] (als bestuurder) aangetroffen. Na een doorzoeking van de personenauto wordt er onder de passagiersstoel een omgebouwd alarmpistool en een pistoolmitrailleur, beide met bijbehorende munitie, aangetroffen. Deze voorwerpen lagen onverpakt onder die stoel.
DNA en alarmpistool
Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen, waarvan [medeverdachte 2] een van de donoren kan zijn (NFI-rapport d.d. 14 september 2017).
Uit aanvullend onderzoek van het NFI (NFI-rapport d.d. 23 januari 2018) volgt dat het, onder de in het rapport genoemde aannames, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 2] en twee of drie willekeurige onbekende personen bevat dan dat die bemonstering celmateriaal van drie of vier willekeurige onbekende personen bevat.
Ook blijkt uit dat aanvullend onderzoek dat het, onder de aanname van vier donoren, circa 350 duizend keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 1] en twee of drie willekeurige onbekende personen bevat dan van drie of vier willekeurige onbekende personen. Onder de aanname van drie donoren is dat circa 400 duizend keer waarschijnlijker.
DNA en pistoolmitrailleur
Uit het NFI- rapport van 14 september 2017 volgt dat op de pistoolmitrailleur een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is aangetroffen, waarvan [medeverdachte 2] een van de donoren kan zijn, terwijl uit voornoemd aanvullend onderzoek blijkt dat, onder de in het rapport genoemde aannames, het circa 600 miljoen keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [medeverdachte 2] en drie willekeurige onbekende personen, bevat dan dat de bemonstering celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.
Uit dat aanvullend onderzoek volgt eveneens dat het, onder de in het rapport genoemde aannames, circa 50 duizend keer waarschijnlijker is dat de bemonstering celmateriaal van [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan dat de bemonstering celmateriaal van vier willekeurige onbekende personen bevat.
Voorhanden hebben wapens en munitie
Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Vaststaat dat de wapens en munitie in de BMW zijn aangetroffen onder de bijrijdersstoel voor de achterbank waarop de verdachte zat. Er is DNA van de verdachte aangetroffen op een van de wapens. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven, anders dan de enkele stelling dat hij een “DNA-bom” is. Dat acht het hof niet een afdoende verklaring, zodat het hof er voor houdt dat de verdachte in contact is geweest met dat wapen. Nu de wapens en munitie in een kleine ruimte (onder de stoel van een auto) zijn aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte ook wetenschap had van de aanwezigheid van beide wapens en de munitie onder de passagiersstoel van de BMW. Hij kon over die wapens en munitie beschikken, nu deze voor hem onder handbereik waren, zodat bewezen verklaard kan worden dat hij de wapens en de munitie voorhanden heeft gehad.
Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de bestuurder van de BMW ( [medeverdachte 1] ) de enige was die in die auto reed, zijn DNA is aangetroffen op het omgebouwde alarmpistool en die wapens en munitie ook voor hem onder handbereik waren alsook dat het DNA van de passagier op de bijrijdersstoel ( [medeverdachte 2] ) op beide wapens is aangetroffen en ook voor hem geldt dat de wapens en munitie onder handbereik waren, acht het hof bewezen dat de verdachte de wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad.
Het hof verwerpt het verweer.”
Juridisch kader
18. Voordat ik overga tot de beoordeling van het middel, geef ik – zoals al aangegeven – eerst nog het toepasselijke juridisch kader weer.
19. Ten aanzien van het voorhanden hebben van wapens en munitie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, overwogen:
“2.3 Op grond van art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar op grond van art. 55 en Pro 56 WWM.
2.4
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.” [4]
20. Met betrekking tot het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938, overwogen:
“5.2.2 In het geval dat het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen of munitie is tenlastegelegd, moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen die was gericht op het voorhanden hebben van een wapen of munitie. Ook dan is vereist dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte tezamen met de mededader(s) feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de hiervoor onder 5.2.1 weergegeven zin.” [5]
De beoordeling van het middel
21. De steller van het middel voert in de toelichting allereerst aan dat het oordeel van het hof dat de verdachte de wapens en de munitie voorhanden heeft gehad niet begrijpelijk is in het licht van het verweer dat het DNA ook op andere wijze op het wapen kan zijn gekomen, nu het hof niets heeft overwogen over de mogelijkheid van contaminatie. Voorts klaagt de steller van het middel dat het hof niets heeft vastgesteld over de vraag of de wapens voor een op de achterbank gezeten persoon wel zonder meer zichtbaar waren. Tot slot is het feit dat wapens onder de bijrijdersstoel zijn aangetroffen en dat een geringe hoeveelheid DNA is aangetroffen op één van deze wapens in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende om zonder nadere motivering, die ontbreekt, te kunnen vaststellen dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens.
22. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat een omgebouwd alarmpistool en een pistoolmitrailleur, beide met bijbehorende munitie, zijn aangetroffen in de auto waarin de verdachte op dat moment zat samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was de bestuurder van de auto, [medeverdachte 2] zat op de passagiersstoel en de verdachte zat op de achterbank. De wapens en munitie lagen onverpakt onder de passagiersstoel. Op één van de wapens is DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven, anders dan de enkele stelling dat hij een “DNA-bom” is.
23. Verder heeft het hof overwogen dat het de enkele stelling dat de verdachte een “DNA-bom” is, niet een afdoende verklaring acht en dat het hof het er voor houdt dat de verdachte in contact is geweest met het wapen. Het hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het de door de verdediging geschetste voorstelling van zaken over het DNA niet aannemelijk acht. Dit feitelijke oordeel, dat in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, is in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft op dit punt immers niet meer naar voren gebracht dan de enkele stelling dat niet kan worden vastgesteld op welke wijze het DNA van de verdachte op het wapen is terechtgekomen en de niet verder gespecificeerde speculatie dat contaminatie “voor de hand ligt”. Het hof was niet tot een nadere motivering gehouden. [6] Voor zover de steller van het middel klaagt dat het hof het verweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, faalt het.
24. Voorts is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens en de munitie niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof kon dit afleiden uit de combinatie van de omstandigheid dat de wapens en de munitie zijn aangetroffen onder de passagiersstoel van de auto waarin de verdachte zat en de omstandigheid dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op één van die wapens. [7] Dat het hof niets heeft vastgesteld over de vraag of de wapens voor een op de achterbank gezeten persoon wel zichtbaar waren, doet hier niet aan af. De bewezenverklaring met betrekking tot het ‘voorhanden hebben’ is daarmee voldoende met redenen omkleed, zodat het middel ook in zoverre faalt.
25. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde middel
26. Het derde middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte in de cassatiefase niet meer kan plaatshebben binnen een redelijke termijn.
27. Op 2 augustus 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 3 augustus 2022 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met vier maanden en een dag overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. De overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak in cassatie worden gecompenseerd, aangezien de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken.
28. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
29. Het eerste faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel faalt. Nu de verdachte door het hof is veroordeeld voor feiten waarvoor hij door de rechtbank was vrijgesproken, terwijl in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering van deze feiten, ligt afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering ten aanzien van het tweede middel minder in de rede. [8] Het derde middel is terecht voorgesteld.
30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met weglating van voetnoten. Cursiveringen als in origineel.
2.HR 1 december 2020 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1889), ECLI:NL:HR:2020:1889,
3.Cursiveringen, onderstrepingen en vetgedrukt als in origineel.
4.HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,
5.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938,
6.Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864,
7.Vgl. HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1727,
8.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,