Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen
als relaas van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
als relaas van verbalisant:
als verklaring van [betrokkene 2]:
3.Het middel
medeplegenvan het opzettelijk
telenvan hennep. Evenals in de onderhavige zaak ging het in beide arresten om de echtgenote van de medeverdachte en om het telen van hennep in de echtelijke woning. Anders dan in de onderhavige zaak had de echtgenote in beide zaken verklaard dat zij wist van de kwekerij.
NJ2018/50, had het hof de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep. Het hof had daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat (i) de verdachte wist dat de hennepplantage in haar woning aanwezig was, (ii) zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde had gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, (iii) zij had toegestaan dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en (iv) zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij. De Hoge raad casseerde en overwoog dat deze omstandigheden niet zonder meer voldoende zijn om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd nu zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen. De bewezenverklaring was in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
daarinonder meer hennepresten en henneppotten en
daarnaasthennep gerelateerde goederen als assimilatielampen, een koolstoffilter en een luchtafzuiger. [9] Verder heeft het hof vastgesteld dat
inde tent een hennepgeur is geroken en dat er een stroomvoorziening is aangelegd buiten de meter om.
medeplegervan het opzettelijk
telenvan hennep kan worden aangemerkt, heeft het hof ten grondslag gelegd dat (i) de hennepkwekerij zich bevond in de eigen woning van de verdachte en haar partner, (ii) beide verdachten feitelijk in de woning verbleven en over de kwekerij konden beschikken (iii) en beide verdachten geen verklaring hebben afgelegd over hun rol bij de kwekerij. In het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn deze door het hof voor het bewijs redengevend geachte feiten en omstandigheden ten aanzien van de gebleken rol van de verdachte niet voldoende voor de bewezenverklaring van het
medeplegenvan het opzettelijk
telenvan hennep. De steller van het middel klaagt hierover terecht.