Conclusie
Nummer21/04782
Het cassatieberoep
poging tot doodslag, meermalen gepleegd” en “
het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en vier maanden. Ook heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
De middelen
hij in de nacht van 10 op 11 maart 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 4] en [betrokkene 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere malen in de richting van die [betrokkene 4] en die [betrokkene 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;”
. Anders dan de rechtbank hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt. Voorts kan bewezen worden verklaard dat verdachte die bewuste nacht een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat hij heeft gehandeld in cocaïne in de ten laste gelegde periode.
Op 9 maart 2017 en 10 maart 2017 hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 4] elkaar berichten gezonden. Daarin communiceren zij over – kort gezegd – ‘een Turk waar je makkelijk 100 van kan pakken’ en dat [betrokkene 4] dat niet kan doen. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben verklaard dat deze berichtenwisseling niet gaat over het rippen van [slachtoffer] . Naar het oordeel van het hof valt het standpunt van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] niet uit te sluiten. Het kan – zoals ter zitting naar voren is gekomen – zowel gaan om rippen als om kopen/aanschaffen. Deze omstandigheid levert noch op zich, noch in combinatie met andere omstandigheden naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op. De inhoud van de berichtenwisseling levert noch op zichzelf noch in combinatie met andere omstandigheden naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op.
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [slachtoffer] is aangetroffen met zijn broekzakken naar buiten gekeerd. Niet is vast komen te staan of dat bij de gedragingen in de auto is gebeurd of nadat hij aan de schotverwonding was bezweken.
De omstandigheid dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] vuurwapens bij zich hadden levert eveneens onvoldoende ondersteuning op. Het valt niet in te zien waarom zij die niet om dezelfde reden bij zich zouden hebben gehad als [verdachte] , die als verklaring geeft dat men ‘het’ niet vertrouwde, zoals het hof hun verklaringen begrijpt.
Het feit dat de telefoons van [slachtoffer] niet op de plaats delict zijn aangetroffen maar op een locatie waar [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] na het vuurgevecht zijn langsgereden levert noch op zichzelf, noch in combinatie met ander bewijsmateriaal naar het oordeel van het hof voldoende ondersteuning op, alleen al omdat daarmee niet gezegd is dat tevoren sprake was van een voornemen tot een ripdeal.
[betrokkene 4]: [betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard en daarna diverse malen herhaald (waaronder bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris in het kader van de vordering tot inbewaringstelling) dat hij na het gevecht met [slachtoffer] zijn revolver heeft gebruikt om daarmee meerdere keren te schieten. Door het gebruik van een revolver zijn er geen hulzen achtergebleven op de plaats delict. Het forensisch onderzoek heeft geen bevindingen kunnen opleveren over (de frequentie van) het schieten door [betrokkene 4] . De verklaring van [betrokkene 4] wordt bevestigd door de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , die daarvan niet in latere verklaringen zijn teruggekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft [betrokkene 4] echter ontkend dat hij heeft geschoten en heeft hij gesteld dat hij zijn revolver enkel op [verdachte] heeft gericht. Het hof acht die latere verklaringen ongeloofwaardig onder meer op basis van de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , waarin ook specifiek wordt gesproken over mondingsvuur in de nabijheid van een voorwerp dat [betrokkene 4] vasthield.
[betrokkene 1]: [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een Glock-pistool aangereikt heeft gekregen van [betrokkene 3] toen zij op weg waren naar de carpoolplaats. De vijf hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum die op de carpoolplaats en de huls in de auto van [slachtoffer] , zijn vermoedelijk verschoten met een pistool van het kaliber 9 mm Parabellum van het merk Glock, aldus het forensisch rapport. [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat het Glock-pistool is afgegaan, zowel in de auto als daarbuiten. Dat brengt met zich dat [betrokkene 1] buiten de auto in ieder geval vijf keer heeft geschoten.
[verdachte]: [verdachte] heeft verklaard dat hij die avond een Tokarev-pistool voorhanden heeft gehad en daarmee heeft geschoten. De vijf hulzen van het kaliber 7.62 mm Tokarev die op de carpoolplaats zijn aangetroffen, zijn vermoedelijk verschoten met een Tokarev of een daarvan afgeleid pistool, aldus het forensisch rapport. Dat brengt met zich dat [verdachte] buiten de auto in ieder geval vijf keer heeft geschoten.
[betrokkene 2] en [betrokkene 3]: Uit de aanvankelijke verklaringen van [betrokkene 4] en [verdachte] zou kunnen worden afgeleid dat ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats vuurwapens voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt. Volgens die verklaringen zou [betrokkene 2] dekking hebben gegeven en zou [betrokkene 3] ook daadwerkelijk hebben geschoten. Zowel [betrokkene 4] als [verdachte] is echter teruggekomen van zijn verklaringen op dit punt. In het dossier is geen ondersteunend bewijs voorhanden op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats buiten de auto waarmee zij daar naartoe waren gekomen, vuurwapens voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op de carpoolplaats een vuurwapen voorhanden hebben gehad en hebben gebruikt.
[betrokkene 4]: Hierboven heeft het hof reeds aangesloten bij de eerdere verklaringen van [betrokkene 4] dat hij heeft geschoten. [betrokkene 4] heeft daarbij ook nog verklaard dat hij meerdere keren in de richting van [slachtoffer] en [verdachte] heeft geschoten.
[betrokkene 1]: [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij heeft geschoten in de richting van [verdachte] . Ondersteuning daarvoor ziet het hof nog in het in de hand van [verdachte] aangetroffen manteldeel dat waarschijnlijk afkomstig is van een patroon van het kaliber 9 mm Parabellum, welk patroon is gefragmenteerd na een eerste impact op een ander object. [slachtoffer] heeft na het verlaten van de auto enige tijd in de richting en nabijheid van [verdachte] gerend. Het hof leidt daaruit af dat [betrokkene 1] ook in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten.
[verdachte]: [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn wapen heeft gepakt en dat het slechts een paar seconden duurde om het wapen te laden en om er vervolgens mee te schieten. Hij schoot al rennend in de richting van de auto van [slachtoffer] . [betrokkene 4] en [betrokkene 1] zijn in de tegenovergestelde richting van [verdachte] gelopen en zij bevonden zich daarmee in het verlengde van de auto van [slachtoffer] . Het hof stelt vast dat [verdachte] daarmee in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft geschoten. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudend dat hij door het schieten niet bewust in de richting van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] heeft geschoten, acht het hof niet aannemelijk.
3. eenproces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 858, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent bij politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 15 november 2017, als bijlage op pagina’s 310-317, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – alsverklaring van verdachte [betrokkene 1]:
9. Noodweer algemeen
De raadsman dupliceert als volgt.
Strafbaarheid van de verdachte
De toelichting op het eerste middel
het bewijs" van een poging tot afpersing de verklaring van de verdachte als beslissend moet worden aangemerkt, terwijl het hof (iets verderop) bovendien voldoende (objectief) steunbewijs eist om de verklaring van de verdachte als voldoende waarheidsgetrouw aan te merken. Aan de verdachte is geen poging tot afpersing ten laste gelegd. Bij de beoordeling van de aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten grondslag gelegde feiten over, kort gezegd, de poging tot afpersing, heeft het gerechtshof daarom een onjuiste maatstaf aangelegd: het heeft kenbaar gemaakt dat die poging tot afpersing moet worden ‘bewezen’ en dat voor de verklaring van de verdachte steunbewijs moet bestaan, terwijl als eis slechts kan worden gesteld dat de aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten grondslag gelegde feiten ‘voldoende aannemelijk’ zijn geworden.
De toelichting op het tweede middel
noch op grond van de bedoeling noch naar de uiterlijke verschijningsvorm" als ‘verdedigend’ kunnen worden aangemerkt maar (integendeel) waren gericht op een confrontatie dan wel deelneming aan het nog voortdurende gevecht, nadere motivering. Iemand die vlucht, ontsnapt en wegrent verricht geen handelingen die zijn gericht op een confrontatie of op deelneming aan een gevecht dat nog voortduurt. Zo iemand verdedigt zich, nadat de eerste kogel door de tegenpartij is afgevuurd, aldus de steller van het middel.
Juridisch kader
De beoordeling van het eerste middel
De beoordeling van het tweede middel
kanzijn voor de beoordeling van een beroep op noodweer. Echter, zelfs al zou moeten worden aangenomen dat een poging tot een ripdeal heeft plaatsgehad, dan nog kan een beroep op noodweer op andere gronden afstuiten.
kennelijk sprake was van een meningsverschil” dat uitliep op een “
gelijktijdig” ingezette worsteling tussen de verdachte en [betrokkene 1] .
zoals eerder overwogen” terwijl het hof er dan pas voor het eerst expliciet over spreekt, doet daaraan niet af. Tot slot heeft het hof vastgesteld dat de verdachte ook buiten de auto bleef deelnemen aan het gevecht, waarbij de verdachte en [betrokkene 1] gelijktijdig schoten. Dat laatste oordeel is niet in strijd met de gebezigde bewijsmiddelen waaruit, anders dan de steller van het middel meent, niet duidelijk valt af te leiden wie als eerste heeft geschoten.