Conclusie
middelziet op de bewezenverklaring en de bewijsvoering. Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de overwegingen in het vonnis weer op grond waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken. Vervolgens geef ik de bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen in het bestreden arrest, de bewijsmiddelen en een deel van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg weer. Ten slotte citeer ik uit de pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep is overgelegd.
4. Waardering van het bewijs
Bewijsvoering
2016) omstreeks 00:15 uur kregen wij het verzoek om te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] . Aldaar zou een inbraakalarm afgaan bij [B] .
met SIN AAKW2862NL en AAKW2863NL). Dit omdat de schoen enorm stonk naar benzine. Dit is ook gemeten door team brandonderzoek.
Tabel I Overzicht te onderzoeken materiaal
Tabel 2 Conclusie onderzoek naar ontbrandbare vloeistof
SIN Conclusie
Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal
Tabel 2 Conclusie onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen
SIN Conclusie
waarschijnlijkerwanneer hypothese A1 waar is dan wanneer hypothese A2 waar is.
waarschijnlijkerwanneer hypothese B1 waar is dan wanneer hypothese B2 waar is.
het hof begrijpt: 2016) hebben wij het inbraakalarm opgeschroefd. Toen was voor de deur een auto in de brand gestoken. Toen plaatsten wij een sensoren bij de roldeur. Voor het geval een auto door de rolluik zou rijden.
BFK: meldingenrapport [D])
letsel op de rechtervoet), was brandletsel.
medicijnen (amoxicilline/clavulaanzuur) betreffen antibiotica die vaak gegeven worden bij infecties, dan wel preventief gegeven worden bij een verhoogde kans op infecties.
BFK: foto’s 1 en 2)
BFK: foto’s 3 en 4)
BFK: foto’s 5 en 6)
BFK: foto’s 7 en 8)
BFK: foto’s 9 en 10)
BFK: foto’s 11 en 12)
ongeveer even waarschijnlijkals hypothese DNA1 waar is, als wanneer hypothese DNA2 waar is. Uitgangspunt daarbij, is dat de kleding door de onbekende dader gedurende hoogstens enkele minuten is gedragen, en daaraan voorafgaand minstens enkele uren door de verdachte. Naarmate de kleding door de onbekende dader langer is gedragen, zal het onderzoeksresultaat in een bepaalde mate onwaarschijnlijker worden onder hypothese DNA2, omdat er geen prominentere hoeveelheid DNA van een onbekende persoon is aangetroffen in de bemonsteringen. Omdat bij de DNA-deskundige geen informatie bekend is over de duur en frequentie van dragen van de kleding door de verdachte voorafgaand aan het incident, of over de duur van dragen door de onbekende dader, kan deze de bewijskracht van het onderzoeksresultaat niet nauwkeurig bepalen.
waarschijnlijkerwanneer hypothese FG1 waar is dan wanneer hypothese FG2a waar is.
ongeveer even waarschijnlijkonder hypothese FG1 als onder hypothese FG2b.
zeer veel waarschijnlijkerals de brand in de nacht van 18 op 19 juni 2016 in [B] is ontstaan door brandstichting (Hypothese 1a) dan als de brand op een andere manier is ontstaan (Hypothese 2a).
ten minste waarschijnlijkerwanneer verdachte [verdachte] in de nacht van 18 op 19 juni 2016 de brand in [B] heeft gesticht (Hypothese 1b) dan wanneer iemand anders dat heeft gedaan en verdachte [verdachte] niets met de brand te maken heeft (Hypothese 2b).
‘ten minste waarschijnlijker’ is opgebouwd uit een combinatie van de bewijskracht van enerzijds het forensisch geneeskundig onderzoek en anderzijds het DNA-onderzoek en het chemisch brandonderzoek. De duiding ‘ten minste’ komt doordat de DNA-deskundige op basis van een zeer korte draagtijd van de kleding (hoogstens enkele: minuten) door de onbekende dader een minimumwaarde voor de bewijskracht heeft gerapporteerd.
waarschijnlijker’ de ondergrens van de bewijskracht aangeeft. Zoals door de DNA-deskundige is aangegeven, zal de bewijskracht van het DNA-onderzoek toenemen in de richting van Hypothese 1 naarmate uit mag worden gegaan van een langere draagtijd van de kleding door de onbekende dader (daar is nu hoogstens enkele minuten draagtijd voor aangenomen). Indien de bewijskracht van het DNA-onderzoek toeneemt, zal ook de hierboven gerapporteerde bewijskracht van de gecombineerde bevindingen verder toenemen in de richting van Hypothese 1b.
De verdachteverklaart:
Proces-verbaal forensisch onderzoek alarmen en alarmering d.d. 9 februari 2020
tijdenshet blussen in de brandpot gedaan en waren toen hoogstwaarschijnlijk al vermengd met bluswater, dat op zichzelf weer was vermengd met de benzine uit de lekkende personenauto’s in de loods.
zeer veel waarschijnlijkerdat de brand is ontstaan door brandstichting dan de brand op een andere manier is ontstaan.
zeer veel waarschijnlijkerworden beschouwd als de brand is ontstaan door brandstichting dan als de brand op een andere manier is ontstaan, kan m.i. niet overeind blijven nu de aanwijzingen en aannames die deze conclusie dragen op diverse punten onjuist c.q. onvolledig zijn, De feiten en omstandigheden zijn niet gewijzigd, maar in de recentere rapportages zijn voornoemde ontlastende punten niet meegenomen.
Dactyloscopisch onderzoek: ongeschikt spoor
Chemisch brandonderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer de motorbenzine in de kleding/schoen en de motorbenzine in de restanten van de jerrycan afkomstig zijn van dezelfde bron dan deze afkomstig zijn van een verschillende bron.
Technisch brandonderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
waarschijnlijkerwanneer de brand is ontstaan door brandstichting dan deze op een andere manier is ontstaan.
Biologische sporen en DNA-onderzoek: de resultaten van het vergelijkend onderzoek zijn
ongeveer even waarschijnlijkerwanneer de kleding door cliënt is gedragen bij het plegen van het delict als wanneer een ander deze gedragen zou hebben bij het plegen van het delict.
Forensisch geneeskundig onderzoek: De onderzoeksbevindingen betreffende de verwondingen aan de handen zijn
ongeveer even waarschijnlijkerwanneer deze zijn ontstaan op 19 juni als eerder dan op 19 juni. Wat betreft de enkel is de
waarschijnlijkerdat de verwonding is ontstaan op 19 juni dan 6 jaar eerder.