ECLI:NL:PHR:2023:1060

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
21/03043
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 lid 1 WWMArt. 1 onder 3 WWMArt. 2 eerste lid WWMArt. 1 onder 4 WWMArt. 2 tweede lid WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring voorhanden hebben vuurwapen en munitie

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op een doorzoeking van een bedrijfspand waar het wapen en munitie werden aangetroffen. De verdachte was vennoot van de bedrijven die in het pand gevestigd waren en verklaarde bewust te zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen.

Het cassatieberoep richtte zich tegen de bewezenverklaring omtrent de munitie, met name de munitie die in een andere ruimte dan het wapen was aangetroffen. De verdediging voerde aan dat onvoldoende was vastgesteld dat de verdachte feitelijke macht over deze munitie had en dat hij zich bewust was van de aanwezigheid daarvan.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte zich bewust was van het vuurwapen en de daarin aanwezige munitie, maar dat het oordeel omtrent de munitie elders in het pand onvoldoende was gemotiveerd. Dit leidde echter niet tot cassatie, omdat het hof slechts bewezen had verklaard dat de verdachte een aantal patronen voorhanden had gehad, wat voldoende was gedekt door de bewijsconstructie.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, maar de opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03043
Zitting5 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/02959, 21/03019, 21/02994, 21/03079, 21/03102, 21/03282, 21/03101 en 21/03103. In de laatste twee zaken is reeds arrest gewezen. In de overige zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel bevat een klacht over de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering ten aanzien van dit feit weer.

2.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 30 november 2011 te Tilburg een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk
Star) en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen, voorhanden heeft gehad.”
2.2
Het hof heeft het onder 4 bewezen verklaarde feit op een zogenaamde PROMIS-wijze als volgt gemotiveerd (met weglating van verwijzingen):
“Ten aanzien van het onder. 4 tenlastegelegde vuurwapen met munitie komt het hof met de rechtbank tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben, nu de verdachte heeft verklaard weet te hebben gehad van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie en dat vastgesteld kan worden dat de verdachte over dat wapen feitelijke macht kon uitoefenen.
(…)
Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Doorzoeking [c-straat] te Tilburg
Op 30 november 2011 werd het perceel [c-straat] te Tilburg doorzocht. Dit betrof een bedrijfspand van [verdachte] en zijn vader [betrokkene 7]. Zij zijn beiden vennoot van de bedrijven [A] en [B] die op 30 november 2011 in de [c-straat] gevestigd waren.
In de kantoorruimte onder een bureaublad, in een foedraal werd een geladen pistool en een doosje munitie met 16 patronen, en in het pistool een houder met munitie aangetroffen. Het wapen is onderzocht en het betrof een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie. De munitie (kogelpatronen) betrof munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie.
In een ruimte achter het plafond in de keuken, werden in draagtasjes twee doosjes aangetroffen met daarin munitie 9 mm. De munitie is onderzocht en het betrof in totaal 100 kogelpatronen, zijnde munitie in de zin van artikel 1, onder 4, gelet op artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie.”
Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat dit wapen er lag en dat het van zijn vader was.”

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van de overtreding van de Wet Wapens en Munitie (verder: WWM) met betrekking tot de ten laste gelegde munitie niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, hetgeen meebrengt dat de bewezenverklaring onvoldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed. Daartoe is in de toelichting op het middel aangevoerd dat de bewijsoverwegingen uiterst summier zijn en dat hieruit niets blijkt over de vraag wat de relatie van de verdachte was tot het pand waarin het wapen is aangetroffen en evenmin blijkt op welk moment de verdachte wetenschap heeft gekregen van de aanwezigheid van het wapen. Derhalve kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en aanvullende bewijsmotiveringen niet worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs in de gelegenheid is geweest om afstand te nemen van het wapen en de munitie, terwijl evenmin kan worden afgeleid dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad in de zin dat hij daarover beschikkingsmacht kon uitoefenen.
3.2
Juridisch kader
3.2.1
Inzake de beantwoording van de vraag wanneer kan worden gezegd dat een persoon een wapen voorhanden heeft gehad in de zin van art. 26 lid 1 WWM Pro heeft de Hoge Raad in een arrest van 31 maart 2020 [1] het volgende overwogen:
“2.4
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”
3.3
Bespreking van het middel
3.3.1
Voordat ik het middel bespreek, citeer ik – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – de pleitnota die door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting is overgelegd (met weglating van verwijzingen):
“Tenslotte werd bij de doorzoeking in de kantoorruimte nog een omgebouwd alarm- c.q. start pistool (oorspronkelijk van het merk Tanfoglio) aangetroffen (…). Dit bevond zich in een foedraal onder een bureaublad (pag. 08 057). In de houder zaten 7 patronen (categorie III (…)) en naast het pistool lagen in een doosje nog 16 patronen (…). Ook dit pistool is bemonsterd maar dit leverde geen bruikbare sporen op.
[betrokkene 7] heeft zowel bij de politie (…) als ter zitting van de rechtbank (22 november 2016 (…)) erkend dat dit wapen en munitie van hem zijn en hij dit had aangeschaft voor zijn eigen veiligheid.
Client heeft bij de politie aangegeven dat hij wist dat onder het bureau van zijn vader een klein wapen lag. Hij heeft het wel eens gezien en dacht dat dit een alarmpistool was (dit was het oorspronkelijk ook) (…). Ook op zitting (22 november 2016) heeft hij aangegeven dat hij wist dat dit wapen daar lag. Hij weet niet meer of hij het gezien heeft of dat zijn vader het verteld heeft, maar hij dacht dat het om een alarmpistool ging. Hij heeft hier verder niets over gezegd.
Zoals gezegd weet cliënt niet meer of hij het wapen nu gezien heeft of dat zij vader hier over verteld heeft, maar dacht dat het om een alarmpistool ging. Uit niets blijkt dat hij wist dat dit omgebouwd zou zijn. Een alarmpistool valt weliswaar ook onder de wet wapens en munitie, maar is van een heel andere orde dan het wapen dat op de ten laste legging staat (geldboete versus gevangenisstraf).
De verdediging stelt dan ook dat cliënt zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van een wapen zoals als ten laste gelegd. Ten aanzien van de munitie blijkt al helemaal niet dat hij wist dat dit daar lag. Gelet op de aangehaalde jurisprudentie is zelfs het aannemen van de enkele wetenschap en het niet distantiëren niet voldoende. Een bewezenverklaring kan dan ook niet volgen.
Hier komt nog eens bij dat een bewezenverklaring zoals ten laste gelegd te meer niet kan volgen, gelet op de verklaring van zijn vader dat het wapen van hem is en hij dit aldus (ook) voorhanden had.”
3.3.2
Ik merk allereerst op dat het middel strikt genomen alleen klaagt over het oordeel van het hof inzake het voorhanden hebben van de munitie en niet het voorhanden hebben van het vuurwapen. Nu in de toelichting op middel echter ook wordt geklaagd over het voorhanden hebben van het vuurwapen ga ik er bij de bespreking van het middel van uit dat het de steller van het middel om beide te doen is. [2]
3.3.3
Ten aanzien van de klacht dat de bewijsvoering niets inhoudt “met betrekking tot de vraag wat de relatie was van requirant tot het pand waarin het wapen is aangetroffen” meen ik dat deze feitelijke grondslag mist, omdat daaruit wel degelijk blijkt dat verdachte vennoot was van de bedrijven die in het pand waar het wapen is aangetroffen, gevestigd waren. In dit verband wijs ik er ook op dat in de pleitnotities van de raadsman van de verdachte die deel uitmaken van het proces-verbaal van de zitting op 28 juni 2021 wordt gerept over het “bedrijfspand van cliënt en zijn vader”. Voor zover het middel verder nog klaagt over de begrijpelijkheid van dit oordeel, faalt het. Als vennoot van de bedrijven die in het pand waren gevestigd, had de verdachte het immers mede voor het zeggen in de ruimtes waar het wapen en de munitie zijn aangetroffen. [3]
3.3.4
Inzake de klacht over verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van het wapen meen ik dat het hof deze wetenschap uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden. Hij heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het wapen daar lag. Dat hij dacht dat het slechts een alarmpistool betrof, doet hier niet aan af, nu de bewustheid van de verdachte zich niet over de precieze categorisatie van het wapen hoeft uit te strekken. [4]
3.3.5
Dan de vraag of dit ook geldt voor de aangetroffen munitie. Ik meen dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zich in het wapen bevindende munitie en de munitie die is aangetroffen naast het vuurwapen en in de keuken. Ik ga eerst in op de zich in het wapen bevindende munitie.
3.3.6
De vraag die hier speelt, is of in het algemeen kan worden gezegd dat een verdachte die zich bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van een wapen ook bewust is van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van munitie die zich in dit wapen bevindt. Meestal kan dit wel worden aangenomen, zeker als uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het wapen heeft aangeraakt of in handen heeft gehad. [5]
3.3.7
Dan de munitie die elders in het kantoor is aangetroffen. Daarvoor verwijs ik naar een arrest van de Hoge Raad van 4 april 2023. [6] In deze zaak was tijdens een doorzoeking van een mogelijk illegaal prostitutiepand in de koelkast een met een doek omwikkelde patroonhouder die vijftien stuks patronen bevatte, aangetroffen. Daarnaast werd in de kamer waar de koelkast zich bevond een geweer aangetroffen, welk geweer geschikt was om de voornoemde munitie te verschieten. De verdachte had tijdens zijn verhoor verklaard dat hij het geweer had gekocht van een kennis die hem had verteld dat het een luchtbuks was. Pas later had deze kennis hem geïnformeerd over het feit dat het geweer ook geschikt was om “andere” munitie mee af te schieten. Over de aangetroffen munitie had de verdachte verklaard dat deze niet van hem was en dat hij wist dat dit de week voorafgaand aan de doorzoeking in de koelkast had gelegen, maar dat hij “niet anders [wist] dan dat het weg was”, omdat hij in de veronderstelling was dat zijn kennis die de munitie had meegenomen deze ook weer mee terug had genomen en hij ervan uitging dat de munitie op de vrijdag vóór het aantreffen daarvan weg zou zijn. In aanmerking genomen dat het hof deze verklaring voor de bewijsvoering had gebruikt, oordeelde de Hoge Raad dat het “oordeel van het hof dat de verdachte zich op 19 maart 2018 [
de dag waarop de munitie werd aangetroffen AG TS] bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de munitie en hij deze munitie toen voorhanden heeft gehad, […] niet zonder meer begrijpelijk [is]”.
3.3.8
In deze zaak ging het om munitie die zich niet in het wapen bevond. Bovendien had de verdachte een reëel alternatief scenario gepresenteerd inzake het ontbreken van zijn wetenschap omtrent de aanwezigheid van deze munitie en had het hof zijn verklaring hieromtrent tot het bewijs gebezigd. Met name vanwege dat laatste, zo neem ik aan, achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de munitie, niet zonder meer begrijpelijk.
3.3.9
Terug naar de onderhavige zaak. Uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte blijkt dat hij slechts heeft verklaard dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen, niet dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de munitie. Het (kennelijke) oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de verdachte de aanwezigheid van een wapen heeft getolereerd, meebrengt dat kan worden gezegd dat hij zich bewust was van de waarschijnlijke aanwezigheid van munitie
indit wapen is begrijpelijk.
3.3.10
Dat ligt mijns inziens anders voor de aanzienlijke hoeveelheid munitie die in de keuken van het kantoor in een ruimte achter het plafond is aangetroffen. Uit de verklaring van de verdachte valt niet af te leiden dat de verdachte wist dat zijn vader daar ook munitie bewaarde. Andere vaststellingen waaruit deze wetenschap blijkt, bevat het arrest niet. Het (kennelijke) oordeel van het hof dat de verdachte door zijn bewustheid van de aanwezigheid van het wapen zich ook bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van deze munitie is dan ook ontoereikend gemotiveerd.
3.3.11
Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, nu het hof slechts bewezen heeft verklaard dat de verdachte “een aantal patronen” voorhanden heeft gehad, welke bewezenverklaring wordt gedekt door de bewijsconstructie.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende overweging worden afgedaan.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds ruim twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [7] Dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers (noot is te vinden onder NJ 2020/252). Zie ook HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507, NJ 2020/253, m.nt. Sackers, rov. 2.4 en – inzake art. 13 lid 1 WWM Pro – HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:510, NJ 2020/252, m.nt. Sackers, rov. 2.4.
2.A.J.A van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, tiende druk, p. 109-110.
3.Zie in dit verband T.M. de Groot & W. Albers, Het ‘voorhanden hebben’ in de zin van de Wet wapens en munitie: een nadere duiding van de vereiste bewustheid van en beschikkingsmacht over het wapen, DD2020/65, onder 2.3. Zie ook G. Knigge, ‘Hoofdstuk 4: Delicten I: het voorhanden hebben van wapens en munitie’, in: De Wet wapens en munitie, Een strafrechtelijk commentaar (onder redactie van D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe), Alphen aan den Rijn: Samson H.D. Tjeenk Willink 1989, p.86.
4.HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:507, NJ 2020/253, m.nt. Sackers, rov. 2.5. Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Paridaens (onder 12-16) voorafgaand aan dit arrest.
5.Zie bijvoorbeeld HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers en HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504, NJ 2020/251, m.nt. Sackers.
6.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:527.
7.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.