Conclusie
eiseres tot cassatie
verweerster in cassatie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Exploitatie van het gehuurde door derden
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Tenzij-arrest [5] is uitgemaakt dat de hoofdregel en de tenzij-bepaling uit het algemene ontbindingsartikel art. 6:265 BW Pro de materiële rechtsregel tot uitdrukking brengt dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Pas dan kan van een schuldeiser niet gevergd worden dat hij met een tekortschietende wederpartij als contractspartner verder moet. Deze inhoudelijke maatstaf stoelt op de redelijkheid en billijkheid. Bij de afweging in het kader van de tenzij-bepaling van art. 6:265 lid 1 BW Pro vindt plaats aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
onderdeel I), structurele te late huurbetalingen (
onderdeel II) en schending exploitatieplicht (
onderdeel III) – en
onderdeel IVis gericht tegen het oordeel dat elk van deze tekortkomingen op zichzelf ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen. De cassatietechniek brengt mee dat vanwege de drie ‘afzonderlijk dragende’ door het hof aangenomen ontbinding rechtvaardigende wanprestaties de onderdelen I-III allemaal moeten slagen wil kunnen worden gecasseerd. Het door onderdeel IV bestreden oordeel zal in dat geval dan ook geen stand meer kunnen houden. Indien één of meer van de onderdelen I-III niet slagen, dan zal ook onderdeel IV moeten slagen om tot cassatie te kunnen leiden.
Onderdeel IIklaagt daarover met betrekking tot de feitenvaststelling in rov. 2.10 en het oordeel in (de tweede) rov. 3.3 (op p. 6) [6] dat dit betalingspatroon een zodanig ernstig tekortschieten oplevert, dat dit ontbinding rechtvaardigt. Als deze cassatieklachten geen doel treffen, bestaat bij de klachten tegen de overige door het hof aangenomen tekortkomingen, aangevallen in de Onderdelen I en III, geen belang meer, nu de drie aangenomen tekortkoming zelfstandig dragen voor ontbinding, zoals hiervoor besproken en kan de verdere inhoudelijke bespreking in wezen achterwege blijven.
huurbetalingenen dat zijn de betalingen van de overeengekomen huurprijs per kwartaal. Volgens Huurder is geen enkele huurbetaling 39 dagen te laat verricht. De betaling die 39 dagen te laat was verricht, betreft namelijk de jaarafrekening Servicekosten 2017 [8] .
servicekostenbetaling resteert een overweldigend aantal te late
huurtermijnbetalingen, te weten 13 van de 16 volgens Huurders
eigenoverzicht bij s.t. 3.2 over de jaren 2018 (derde kwartaal) tot met 2022 (tweede kwartaal) – dus maar drie keer op tijd in een periode van vier jaar. Dat het hof ook bedoelde overschrijding van 39 dagen voor de jaarafrekening Servicekosten 2017 meeneemt, komt doordat het hof het begrip
huurbetalingenin navolging van partijen ruim heeft opgevat als: betalingen verband houdend met de huur in brede zin, waar servicekosten ook onder vallen. Zo heeft Verhuurder in hoger beroep aangevoerd dat onweersproken vaststaat dat Huurder alle verplichte
huurbetalingenna april 2018, variërend van 2 tot 39 dagen, te laat heeft betaald, behalve de huurbetaling over het eerste kwartaal van 2019 [9] . Huurder hanteert vervolgens zelf ook het begrip
huurbetalingenals kopje in haar pleitnota boven de passages waar zij (ook) de afrekeningen servicekosten bespreekt [10] . Het is dus goed te volgen – en dit behoefde gelet op het partijdebat ook geen nadere motivering – dat het hof deze term in navolging van partijen heeft gehanteerd in dezelfde brede zin, in plaats van als alleen ziend op de huurpenningen
sec. Dit volgt ook uit rov. 2 van het bestreden arrest, waarin het hof erop wijst dat de feitenvaststelling in eerste aanleg niet in geschil was en ook het hof tot uitgangspunt diende. Tot die feitenvaststelling in eerste aanleg behoort volgens rov. 1.12 onder meer dit:
sec, maar ook overige betalingen die verband houden met de huurverhouding, zoals de afrekening servicekosten [11] . Het is dan ook in weerwil van Huurders betoog bij repliek 3.2 duidelijk van welke overschrijdingen het hof is uitgegaan en dat het hof een enge uitleg zou hebben gegeven aan de term ‘huurbetalingen’ mist feitelijke grondslag. Daar ketsen de klachten van subonderdelen II.4.1-II.4.3 op af.
op de overeengekomen wijze en tijdstippente voldoen. Een huurder die niet of niet tijdig betaalt, schiet tekort in de nakoming van zijn verplichting [19] . In dit geval hadden partijen afgesproken dat Huurder de huur per kwartaal bij vooruitbetaling was verschuldigd [20] . Tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding, tenzij deze niet van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling daarvan kunnen veel omstandigheden een rol spelen, zoals de duur en omvang van de betalingsachterstand [21] . Er bestaan geen algemene regels over welke mate van termijnoverschrijding ontbinding rechtvaardigt. Het vergt een feitelijke waardering die aan de feitenrechter is voorbehouden [22] .
[…] /Vesteda [24] was er ten tijde van de beslissing in hoger beroep bijvoorbeeld geen huurachterstand meer, maar was voldoende voor ontbinding dat herhaaldelijk te laat werd betaald. In de literatuur wordt hieromtrent wel van ‘slepers’ gesproken: huurders die de huur stelselmatig te laat betalen, bijvoorbeeld niet vooraf, maar steevast pas halverwege de maand waarop de huur betrekking heeft [25] . Er kan weliswaar anders over de ernst van de tekortkoming worden gedacht (zoals de kantonrechter heeft gedaan in rov. 16), maar dat maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht. Subonderdeel II.4.4 kan daarom niet tot cassatie leiden.
subonderdeel II.4.5dat het voorgaande meebrengt dat het oordeel dat de tekortkoming ter zake van de huurprijs ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen, vanwege onbegrijpelijkheid ook niet in stand kan blijven, behoeft geen afzonderlijke bespreking en faalt ook.
vanaf 29 april 2019een aan Huurder gelieerde vennootschap was en is (rov. 3.2.2 eerste volzin), kan dit oordeel volgens de klacht niet in stand blijven [27] . Gelet op de standpunten van partijen en het vonnis van de kantonrechter is het oordeel in rov. 3.2.2 onbegrijpelijk en gebrekkig gemotiveerd.
in de periode 1 oktober 2018 tot 29 april 2019nog geen gelieerde partij was van Huurder en dat in die periode geen toestemming tot exploitatie door Baresco van Verhuurder voorhanden was. Huurder stelt dat Baresco toen in oprichting zou zijn geweest, maar omdat het geen gelieerde partij was in de zin van de huurovereenkomst en er geen voorafgaande schriftelijke toestemming was, kon het hof over in ieder geval die periode oordelen dat sprake was van een tekortkoming op dit punt [29] .
geentoestemming is vereist, maar dat Verhuurder in dat geval wel binnen 14 dagen schriftelijk daarvan in kennis moet worden gesteld. Voor onderhuur/ingebruikgeving aan niet-gelieerde ondernemingen is
welvoorafgaand schriftelijke toestemming nodig van Verhuurder. Deze bepaling is ook door partijen in feitelijke instanties op deze wijze uitgelegd. Verhuurder heeft uiteengezet dat het op grond van de huurovereenkomst Huurder is toegestaan om het gehuurde zonder toestemming van Verhuurder onder te verhuren aan gelieerde entiteiten [32] .
instemmingvan Verhuurder nodig was, zoals het hof overweegt in rov. 3.2.2, lijkt niet uit de overeenkomst of het partijdebat te volgen. Of het hof moet hiermee het oog hebben op de clausule dat exploitatie in de vorm van onderverhuur aan een gelieerde onderneming binnen 2 weken schriftelijk moet zijn gemeld aan Verhuurder, waarvan niet is gebleken; dat zou nog kunnen, maar dan is ‘instemming’ wel een ongelukkig gekozen formulering. Uit de geciteerde bepalingen van de overeenkomst blijkt juist dat voor onderhuur/ingebruikgeving aan gelieerde vennootschappen geen
toestemmingis vereist; er lijkt mij hier niet veel licht te zitten tussen ‘toestemming’ en ‘instemming’. Dus ja, dit is lastig te volgen als hier echt instemming/toestemming bedoeld is voor gelieerde ondernemingen, zodat de motiveringsklacht in beginsel terecht is voorgesteld. Tot cassatie lijkt mij dit echter niet te kunnen leiden, omdat het oordeel dat hier sprake is van een tekortkoming in de vorm van ingebruikgeving (ter exploitatie) aan derden zonder de benodigde toestemming hier niet op is gegrond, zodat belang ontbreekt bij deze klacht. Ik kom daartoe als volgt.
voor rekening en risico van Baresco exploiteren”– niet concludent is en het oordeel dat de door Huurder beschreven constructie een niet toegestane vorm van ingebruikgeving aan een derde oplevert, niet kan dragen. De geciteerde bewoordingen betekenen immers dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de horecaonderneming juist niet voor eigen rekening en risico exploiteren, zodat van onderhuur of ingebruikgeving in ieder geval geen sprake is.
[…] /[…] [45] , waar Huurder een beroep op doet bij repliek 2.9. In die zaak had werkgever, anders dan in onze zaak, wel voldoende concrete stellingen betrokken en mocht het hof het bewijsaanbod niet passeren met als reden dat bepaalde stukken niet in het geding waren gebracht. De subonderdelen I.3.7-I.3.11 zijn tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel III.5.1klaagt Huurder in
subonderdeel III.5.2dat het hof voorbij is gegaan aan een groot aantal volgens haar essentiële stellingen over door de rechtbank eigener beweging vastgestelde openingstijden [46] . Zij heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd over het zich houden aan de door de rechtbank vastgestelde openingstijden [47] :
subonderdeel III.5.3klaagt Huurder verder dat doordat het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op al deze onderdelen van het verweer, het onduidelijk en onnavolgbaar is om welke redenen het hof daaraan voorbij is gegaan. Dat geldt ook voor de stellingen met betrekking tot de coronaperiode en de andere omstandigheden. Het is ondoorzichtig hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat Huurder te vaak gesloten was en waarom haar verweer geen rechtvaardiging oplevert voor de dagen dat de bar gesloten was. Het is tevens ondoorzichtig waarom de exploitatieplicht in zodanige mate geschonden zou zijn dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen zoals in rov. 3.6 van het arrest is geconcludeerd door het hof.
subonderdeel IV.6.1en een voortbouwklacht
subonderdeel IV.6.2, klaagt Huurder Esrein in
subonderdelen IV.6.3 en IV.6.4dat zelfs als wordt uitgegaan van een of meer tekortkomingen die noch ieder voor zich noch bij elkaar genomen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, althans dat het hof zijn beslissing gebrekkig heeft gemotiveerd. Bij de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn [56] . Huurder wijst vervolgens op de volgende door haar in feitelijke instanties genoemde omstandigheden:
Tenzij-arrest (al aangehaald) is overwogen dat weinig behoefte bestaat aan en weinig ruimte overblijft voor (de werking van) de redelijkheid en billijkheid, omdat en doordat reeds met alle omstandigheden van het geval rekening dient te worden gehouden bij het beantwoorden van de ontbindingsvraag c.q. het toetsen aan de ‘tenzij-clausule’ van art. 6:265 lid 1 BW Pro. Het hof heeft dus volgens de klacht een te beperkte maatstaf aangelegd door uitsluitend te toetsen aan de redelijkheid en billijkheid, terwijl een meer omvattende toets c.q. beoordeling had moeten plaatsvinden met verdiscontering van alle omstandigheden van het geval.
Tenzij-arrest is weliswaar overwogen dat voor de werking van de redelijkheid en billijkheid slechts een beperkte ruimte is opengelaten en dat weinig behoefte bestaat aan en dus weinig ruimte overblijft voor de werking van de redelijkheid en billijkheid, maar daarmee is aangegeven dat in het kader van art. 6:265 lid 1 BW Pro al alle omstandigheden van het geval verdisconteerd kunnen worden, met name ook met betrekking tot de toepassing van de tenzij-bepaling die zelf ook op de redelijkheid en billijkheid is gebaseerd. Dat oordeel behelst dat los van de werking van de redelijkheid en billijkheid waarop de maatstaf van art. 6:265 lid 1 BW Pro al is gestoeld, geen ruimte is voor een daarvan te onderscheiden werking van de redelijkheid en billijkheid – er is hier dus niet zoiets als een dubbele redelijkheidstoets. Van blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting lijkt mij hier geen sprake. De klacht is tevergeefs.