1 Volgens de inleidende dagvaarding trad Vesteda Management B.V. op als gevolmachtigde van de eigenaresse, Dutch Residential Fund II B.V. In feitelijke instanties is dit wel gesignaleerd, maar is - in cassatie onbestreden - aangenomen dat de huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen.
2 Zie het vonnis van 30 juli 2001 onder 1b. Het hof heeft deze feitenvaststelling overgenomen in rov. 3 van zijn arrest.
3 Zie het slot van de akte zijdens de huurders d.d. 26 februari 2001. Naast de eerder al gevorderde matiging van de huurprijs hebben zij een veroordeling van de verhuurster gevorderd om bepaalde herstellingen uit te voeren en een vergoeding voor, kort gezegd, verloren werkdagen en schade aan de inboedel.
4 In cassatie is gedagvaard Vesteda Groep B.V. als rechtsopvolgster van Vesteda Management B.V. Ter rolzitting van de Hoge Raad heeft mr. Stoutjesdijk zich voor verweerster gesteld. Klaarblijkelijk is de rechtsopvolging voor partijen geen punt van discussie.
5 Kennelijk bij vergissing vermeldt het middel art. 1632n in plaats van 1623n.
6 De Hoge Raad verwerpt de opvatting dat van de mogelijkheid van ontbinding een terughoudend gebruik moet worden gemaakt in dier voege dat, ook indien zich niet het geval voordoet dat wegens de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming ontbinding ongerechtvaardigd is, het de schuldeiser niet zou vrijstaan te kiezen voor ontbinding wanneer aan hem een - voor de schuldenaar - minder bezwaarlijke mogelijkheid van redres ter beschikking staat: HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 m.nt. JBMV. Volgens E.E. de Wijkerslooth-Vinke, Handboek Huurrecht, aant. 53 op art. 7A:1623n BW, is nog een open kwestie of de leer van dit arrest onverkort voor de ontbinding van huur van woonruimte kan gelden. Gelet op de gelaagde structuur van het BW, ga ik ervan uit dat deze algemene regel ook voor de ontbinding van huur van woonruimte geldt.
7 HR 31 december 1993, NJ 1994, 317; HR 27 november 1998, NJ 1999, 197.
8 HR 7 mei 1976, NJ 1977, 83; HR 10 juni 1988, NJ 1988, 873.
9 De s.t. zijdens de huurders, blz. 3, verwijst in dit verband naar jurisprudentie. Ktr. Rotterdam 1 februari 1984, NJ 1985, 731, heeft echter betrekking op één huurachterstand en niet op een herhaald patroon van huurachterstanden. Uit de andere genoemde uitspraken (HR 4 januari 1991, NJ 1991, 723; HR 26 april 1991, NJ 1991, 456; HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 691 en HR 11 januari 2002, NJ 2003, 255 m.nt. JH), blijkt geenszins het bestaan van een regel dat een huurachterstand van maximaal 2 maanden niet zodanig ernstig is dat de huurovereenkomst moet worden ontbonden. M.i. is beter vergelijkingsmateriaal te vinden in Rb. Amsterdam 18 november 1998, Prg 1999, 5090 m.nt. P. Abas; Hof Amsterdam 9 oktober 2003, WR 2004, 1.
10 HR 29 oktober 1971, NJ 1972, 40; HR 11 juni 1982, NJ 1983, 695 m.nt. CJHB. Zie ook: Asser-Abas, 2e supplement (2001), nrs 218 en 218a; R.A. Dozy en Y.A.M. Jacobs, Hoofdstukken huurrecht voor de praktijk (1999), blz. 213-216; Handboek huurrecht, aant. 9, 32, 51 en 52 op art. 7A:1623n BW (E.E. de Wijkerslooth-Vinke).
11 Bij MvG onder 5 hebben de huurders gesteld dat met de verhuurder is afgesproken dat het ontruimingsvonnis van de kantonrechter hangende het hoger beroep niet ten uitvoer zal worden gelegd, mits de verhuurder beschikt over 1 maand huur vooruit en de huurders steeds op tijd de huur voldoen.
12 Bij MvG onder 12 hebben de huurders gesteld dat, door een wijziging in de wijze van uitbetaling van de huursubsidie (per maand, bij vooruitbetaling), in de toekomst niet meer behoeft te worden gevreesd voor huurachterstanden. De verhuurder heeft dit bij MvA blz. 5 bestreden.