Conclusie
1.Korte aanduiding van de zaak en van het cassatieberoep
In het door de moeder ingestelde hoger beroep heeft het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar herhaalde verzoek tot netwerkplaatsing van de kinderen bij de grootmoeder op de grond dat appel van een dergelijke beslissing afstuit op het rechtsmiddelenverbod van art. 807 Rv Pro. Daarnaast heeft het hof de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de gezagsbeëindiging bekrachtigd.
In cassatie worden beide oordelen bestreden.
2.Feiten en procesverloop
Procesverloop [5]
De rechtbank heeft daarnaast bijzondere toegang tot de zitting verleend aan een drietal personen.
Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
- het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder af te wijzen, en
- het verzoek van de moeder tot plaatsing van de minderjarigen in het netwerkpleeggezin van de grootmoeder toe te wijzen. [10]
De griffie van de Hoge Raad heeft de raad, de gecertificeerde instelling, de pleegouders en de bijzondere curator – ingevolge art. 426b in verbinding met art. 276 Rv Pro – een afschrift van de procesinleiding toegezonden. Zij hebben geen verweer gevoerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar verzoek tot netwerkplaatsing van de minderjarigen bij de grootmoeder en de uitwerking daarvan in het dictum. De desbetreffende rov. 5.4 en 5.5 luiden als volgt (voor de leesbaarheid citeer ik ook rov. 5.3):
1. de betreffende regeling ten onrechte heeft toegepast (buiten het toepassingsgebied van deze regeling is getreden);
2. deze regeling ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of
3. bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, waarbij een motiveringsgebrek (zowel géén als een gebrekkige motivering) geen schending van een fundamenteel rechtsbeginsel oplevert.
(…)
Standpunten gezagsbeëindiging en contra-expertise
welde verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. [23] Aanvaardbare termijn
Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien, die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Het spreekt voor zich dat een zich over jaren uitstrekkende verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aansluit. Voor jongere kinderen zal de termijn over het algemeen korter zijn dan voor de oudere kinderen. De toepassing van dit uitgangspunt vereist maatwerk; precieze termijnen zijn niet te geven.” [27]
alleomstandigheden van het geval. In zoverre codificeert de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen de al bestaande praktijk/rechtspraak. [31] Dit brengt mee dat niet in alle gevallen waarin de ouders de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn op zich kunnen nemen, een gezagsbeëindiging moet volgen. [32]
Art. 8 EVRM Pro bepaalt, voor zover van belang, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. [39]
Strand Lobben/Noorwegen [44] en, nog uitdrukkelijker uit de uitspraak van het EHRM van 22 december 2020 in de zaak
M.L./Noorwegen, dat bij de toetsing aan de noodzakelijkheid van de maatregel van gezagsbeëindiging [45] het gehele traject vanaf de uithuisplaatsing dient te worden beoordeeld.
Huijer merkt hierover op dat de huidige uitvoeringsproblemen in het systeem van jeugdzorg in Nederland op dit punt knellen. [46]
Ik meen evenwel dat het hof – wellicht doordat het de moeder niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek tot netwerkplaatsing van de minderjarigen bij de grootmoeder en daarom niet is toegekomen aan een inhoudelijke herbeoordeling van dat door de rechtbank afgewezen verzoek – geen afweging heeft gemaakt of in het belang van de minderjarigen met hun netwerkplaatsing bij de grootmoeder kon worden volstaan.
Strand Lobben/Noorwegen: [49]
Strand Lobben/Noorwegente maken afweging ook omschreven als een “echte afweging tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s).” M.i. dient bij netwerkplaatsing eenzelfde belangenafweging plaats te vinden.