Uitspraak
wonende te [woonplaats ] ,
gevestigd te Den Haag,
wonende te [woonplaats ] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
- i) [de minderjarige] , geboren in [geboortedatum] 2007 (hierna: de minderjarige), is erkend door de vader. De vader en de moeder hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag.
- ii) De minderjarige verblijft thans feitelijk bij de moeder.
- iii) De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis in kort geding van 23 november 2016 een voorlopige zorgregeling vastgesteld.
- iv) De kinderrechter in de rechtbank Den Haag heeft de minderjarige bij beschikking van 22 februari 2017 onder toezicht gesteld met ingang van 22 februari 2017 tot, na verlenging, 22 februari 2019.
- v) De gecertificeerde instelling heeft een verzoek ingediend tot wijziging van de hiervoor onder (iii) genoemde zorgregeling.
- vi) Op 17 januari 2018 heeft de gecertificeerde instelling aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende dat de hiervoor onder (iii) genoemde zorgregeling per direct wordt opgeschort tot aan de behandeling ter terechtzitting van het hiervoor onder (v) genoemde verzoek.
- vii) Bij tussenbeschikking van 1 februari 2018 in de hiervoor onder (v) bedoelde zaak heeft de kinderrechter de zorgregeling voorlopig gewijzigd. De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling verzocht uiterlijk één week voor de zitting een tussenrapport met recente ontwikkelingen omtrent de minderjarige en een evaluatie van de uitvoering van de zorgregeling in het geding te brengen.
4.Beslissing
14 december 2018.