Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel averonderstelt dat in rechtsoverweging 3.6 besloten ligt dat BP naar het oordeel van de rechtbank huurt van een onbevoegd verhuurder ( [A] c.s.). Aldus berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis, iets wat de steller van het middel ook zelf onder ogen ziet in voetnoot 1 van de procesinleiding in cassatie. De rechtbank heeft niet geoordeeld of in dit geval wel of geen sprake is van onbevoegde verhuur. Zij heeft enkel overwogen dat de provincie de bevoegdheid van [A] c.s. om het perceelsgedeelte aan BP te verhuren, heeft betwist. De voorafgaande overweging volgens welke degene die huurt van een onbevoegd verhuurder niet als ‘huurder’ in de zin van art. 3 lid 2 Ow Pro kan worden aangemerkt, betreft geen oordeel over de rechten van BP, maar geeft slechts weer wat volgens de rechtbank onder het begrip ‘huurder’ in de zin van art. 3 lid 2 Ow Pro moet worden verstaan, namelijk niet mede de huurder die huurt van een onbevoegde verhuurder. [7]