Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde
de verklaring van verdachte [verdachte];
de verklaring van [benadeelde], opgenomen op pagina’s 1001 en 1002 van het voornoemde politie proces-verbaal.
de verklaring van [benadeelde], opgenomen op pagina 2;
de verklaring [betrokkene 1], opgenomen op pagina’s 1022 en 1023 van het voornoemde politie proces-verbaal.
de verklaring van [betrokkene 1], opgenomen op pagina 2.
het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], opgenomen op pagina 1048 van het voornoemde politie proces-verbaal.”
verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld en de straf te zwaar te achten. Hieraan voegt hij - zakelijk weergegeven - het volgende toe:
NJ2015/347, m.nt. Schalken, heeft de Hoge Raad dienaangaande onder meer overwogen:
NJ2009/285 was door het hof bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen het transport van drugs in een vrachtauto had geregeld – door onder meer het benaderen/regelen van een vrachtwagenchauffeur, het huren/aanschaffen van een truck en een oplegger, en het verzorgen van een (legale) deklading –, de drugs had opgeslagen en in die vrachtauto had gelaten/verborgen en de drugs naar Finland had vervoerd. De verdachte bekende tijdens de terechtzitting in hoger beroep dat hij samen met anderen betrokken was geweest bij de uitvoer van drugs naar Finland, maar ontkende expliciet zijn betrokkenheid bij het regelen van de vrachtwagenchauffeur. Gelet hierop overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig had bekend onbegrijpelijk was. Mijn voormalig ambtgenoot Jörg had zich in zijn conclusie op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar iets op zijn rol had afgedongen, maar dat dit onvoldoende was om niet meer te kunnen spreken van het bekennen van medeplegen van het drugsdelict. De Hoge Raad volgde de AG dus niet in dat standpunt.
NJ2007/267, waar door het hof was bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer had bewogen tot afgifte van € 350,-. De verdachte had de bewezenverklaarde gedragingen bekend, maar daarbij ook verklaard dat het om een buitgemaakt bedrag van ongeveer € 200,- à € 300,- ging. De Hoge Raad wist de bewezenverklaring en bewijsvoering in die zaak te redden door het bewezenverklaarde bedrag van € 350,- als een kennelijke misslag aan te merken en in de bewezenverklaring met verbetering van deze misslag “een geldbedrag” te lezen. Hier is echter van meer betekenis HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:1342,
NJ2015/347, m.nt. Schalken. Het hof had bewezenverklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een pistool, kogelpatronen en een busje pepperspray voorhanden had gehad. De verdachte had niet bekend dat hij opzet had op het medeplegen of op het voorhanden hebben van de kogelpatronen, noch had hij iets verklaard over de locus delicti. Mijn ambtgenoot Aben concludeerde, na zich afgevraagd te hebben welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij het cassatiemiddel had, dat gelet op de strenge lijn van de Hoge Raad ten aanzien van art. 359, derde lid, Sv, het oordeel van het hof dat de verdachte een bekennende verklaring had afgelegd niet zonder meer begrijpelijk was. [3] De Hoge Raad overwoog evenwel als volgt:
onderhavigezaak anders. De reden voor de verdachte om tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep aan te tekenen is niet alleen hierin gelegen dat hij de straf te zwaar vond, maar (juist) óók omdat hij meende ten onrechte te zijn veroordeeld door de rechtbank. Zwaarwegend, lijkt mij, is dat zich hier niet de omstandigheid voordoet dat de verdachte zich over een bepaald aspect van de bewezenverklaring niet heeft uitgelaten, maar dat hij een wezenlijk onderdeel daarvan nadrukkelijk bestrijdt. Juist het mes tegen de keel van het slachtoffer houden, ontkent de verdachte te hebben gedaan. Daarbij komt dat het hof deze aan de verdachte verweten gedraging ten volle meeweegt in de strafoplegging. Het hof overweegt immers in de strafmotivering dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige bedreiging met de dood door daarbij een groot en scherp mes op de keel van het slachtoffer te zetten en houden, en dat hij het slachtoffer dodelijk had kunnen verwonden. Naar het mij voorkomt doet daaraan niet af dat zonder twijfel ook met weglating van het door de verdachte ontkende gedeelte van de bewezenverklaring er nog genoeg overblijft om de gedragingen van de verdachte te kwalificeren als ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’. [4] Dat betreft immers de kwalificatie en niet het voorschrift waarvan art. 359, derde lid eerste volzin, Sv nu eenmaal gewag maakt.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
onderdeel avan art. 6:106, eerste lid, BW. [6] Daarmee gaat de steller van het middel eraan voorbij dat naar het oordeel van het hof sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ van de benadeelde partij als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en
onderdeel b, BW.
Het derde middel en de bespreking daarvan
Slotsom