Conclusie
BNB2021/150 (navordering successierecht) wegens nieuwe HvJ EU-rechtspraak
1.Overzicht
BNB2021/150 [1] in zijn zaak en om alsnog rekening te houden met het nadien op 27 januari 2022 gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak C-788/19,
Commissie/Spanje. [2] Dat arrest betrof een Spaanse regeling die het voor de Spaanse fiscus mogelijk maakte om ter zake van niet-gemeld buitenlands vermogen eeuwig aanslagen te corrigeren of op te leggen en daarbij reeds verstreken verjaringstermijnen te negeren. Het HvJ EU overwoog dat de nationale wetgever voor grensoverschrijdende gevallen een langere verjaringstermijn kan stellen om de doeltreffendheid van belastingcontroles te waarborgen en belastingfraude en -ontwijking door verzwijging van activa in het buitenland te bestrijden, maar dat mechanismen die in de praktijk neerkomen op onbepaalde verlenging van de periode waarin belasting kan worden geheven het vrije EU-verkeer disproportioneel beperken. Verwijzende naar zijn arrest 52/69,
Geigy/Commissieoordeelde het HvJ EU dat de fundamentele eis van rechtszekerheid zich ertegen verzet dat de overheid tot in het oneindige bevoegdheden kan gebruiken om een einde te maken aan onwettige situaties.
BNB2021/150 betrof navordering van erfbelasting over buitenlands vermogen dat via een
Edelweiss-route voor de fiscus was verhuld. Op basis van de HvJ EU-zaken
Xen
Passenheim-Van Schoot [3] oordeelde u dat de bevoegdheid van de Inspecteur tot temporeel onbeperkte navordering van erfbelasting over buitenlandse nalatenschapsbestanddelen (art. 66(4) Successiewet 1956 (Sw)) gebruikt moet worden op een wijze die niet verder gaat dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen. Wordt langer dan daarvoor nodig over navordering gedaan, dan is zij een EU-rechtelijk verboden beperking van de verkeersvrijheden, maar u achtte de navorderingstermijn in art. 66(4) Sw niet in algemene zin onevenredig met de doelstelling de naleving van de belastingwetgeving te verzekeren; in concreto was de navorderings-bevoegdheid niet verdergaand gebruikt dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen, nu vaststond dat de Inspecteur voortvarend had gehandeld na 13 jaar na dato op de hoogte te zijn gesteld van de vermogensverhulling.
Commissie/Spanjeen het daarin genoemde HvJ-arrest
Geigy/Commissieop dat weliswaar de onbeperkte navorderingstermijn in art. 66(4) Sw mogelijk
in abstractoin strijd is met ‘de fundamentele eis van rechtszekerheid,’ maar ook dat van schending van EU-recht in belanghebbendes geval
in concretogeen sprake is, nu vast staat dat de fiscus in zijn geval – net als de Europese Commissie in de zaak
Geigy– voldoende voortvarend heeft gehandeld na op de hoogte geraakt te zijn van het op dat moment al dertien jaar verzwegen vermogen. Het HvJ EU bevestigde in
Commissie/Spanjeimmers zijn
X en Passenheim-Van Schoot-arrest en wraakte alleen mechanismen die erop neerkomen dat de fiscus in grensoverschrijdende gevallen geen enkele temporele beperking wordt gesteld als niet voldaan is aan een formele regel en belastingplichtigen eeuwig in rechtsonzekerheid gelaten kunnen worden. In Nederland gelden echter steeds het voortvarendheidsvereiste ex HR
BNB2010/199 en
BNB2010/200 en de - in belanghebbendes zaak HR
BNB2021/150 gestelde – eis dat de navorderingsbevoegdheid ex art. 66(4) Sw alleen gebruikt mag worden op een wijze die niet verder gaat dan nodig is om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen, waardoor de Nederlandse fiscus niet ‘tot in het oneindige’ zijn navorderingsbevoegdheid kan gebruiken. Uw arrest HR HR
BNB2017//105 bewerkstelligt bovendien dat, anders dan onder de Spaanse wetgeving, een al verlopen verjaring niet alsnog met een beroep op art. 66(4) Sw door de fiscus kan worden doorbroken..
in concretogeen EU-rechtelijke vragen oproept. Die eisen bewerkstelligen de EU-rechtelijke vereiste evenredigheid tussen doel en middel en ook het HvJ zelf oordeelde in de door hem in
Commissie/Spanjeaangehaalde mededingingszaak
Geigy/Commissiedat een
wettelijkweliswaar onbeperkte onderzoeks- en beboetingsbevoegdheid niet in de weg staat aan onderzoek en beboeting van Geigy als de Commissie
in concretovoldoende voortvarend handelt.
Commissie/Spanjenaar nationaal of EU-recht grond zou kunnen bieden voor herziening, zou die herziening mijns inziens dus slechts leiden naar bevestiging van de ongegrondverklaring van belanghebbendes oorspronkelijke cassatieberoep.
acte éclairédat dat arrest geen grond biedt voor herziening, noch nationaalrechtelijk, noch EU-rechtelijk. De ninternrechtelijke bevoegdheid ex art. 8:119 Awb Pro
junctoart. 29 AWR Pro tot herziening van onherroepelijke rechterlijke uitspraken bestaat slechts bij feiten en omstandigheden die (i) plaatsvonden vóór die rechterlijke uitspraak, (ii) bij de verzoeker toen niet bekend waren, noch redelijkerwijs konden zijn, en (iii) tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij de rechter wél bekend waren geweest. Evenmin als in het precedent HR
BNB2011/245 is in casu aan deze voorwaarden voldaan: (i) het arrest
Commissie/Spanjestamt van ná HR
BNB2021/150 en (ii) posterieure rechtspraak kan niet gelden als “feiten of omstandigheden” in de zin van de regelingen voor herziening van rechterlijke uitspraken. Naar intern recht is herziening van uw arrest dus niet mogelijk en moet belanghebbendes verzoek worden afgewezen.
Kapferervolgt expliciet dat het EU-recht de nationale rechter in omstandigheden als de litigieuze niet verplicht om onherroepelijke uitspraken te herzien in verband met posterieure arresten van het HvJ EU als hij daartoe naar intern recht niet bevoegd is. Het HvJ EU heeft de
Kapferer-lijn sindsdien in vaste rechtspraak voortgezet in onder meer de zaken
Impresa Pizzarotti,
Târșia,
Telecom Italia SpA (II)en
XC, YB & ZA. Het lijdt daarmee geen twijfel dat een in het licht van posterieure EU-jurisprudentie mogelijk onjuiste uitspraak van een (hoogste) nationale rechter, gegeven hetzelfde belang van rechtszekerheid, niet op grond van de doeltreffendheid van EU-recht hoeft te worden herzien, aangenomen dat het nationale recht de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit eerbiedigt. De belanghebbende heeft niet gesteld en evenmin is gebleken of aannemelijk dat die beginselen in zijn zaak zouden zijn geschonden.
2.Wet- en regelgeving en parlementaire toelichting
BNB2021/150 waarvan de belanghebbende herziening vraagt van de volgende feiten uit:
VN2021/33.17 tekende onder meer aan:
BNB2021/150) had ‘een zeker gevoel van onbehagen’ bij uw arrest:
Passenheim-Van Schootbetroffen prejudiciële vragen van de Hoge Raad over de verlengde navorderingstermijn in art. 16(4) AWR (12 jaar), dus niet over de onbeperkte navorderingstermijn in art. 66(4) Sw die in ons geval aan de orde is. U wilde weten, kort gezegd, (i) of die twaalfjaarstermijn, die zeven jaar langer is dan in binnenlandgevallen, gerechtvaardigd wordt door geschiktheid om fraude en misbruik te bestrijden en evenredigheid aan dat doel en (ii) of de hogere boete die een langere termijn meebrengt door procentuele koppeling van de boete aan de achterhaalde heffingsgrondslag verenigbaar is met de vrijheden van diensten- en kapitaalverkeer in de EU.
X en Passenheim-Van Schootniet is achterhaald en sinds 2017 aangenomen moet worden dat de reikwijdte van art. 66(4) Sw, althans wat bankgegevens betreft, moet worden beperkt tot niet-EU-Staten die de
Common reporting standard(CRS) van de OECD [18] niet hebben onderschreven.
Commissie tegen Spanje.
X en Passenheim-Van Schootook de hogere beboeting in buitenlandgevallen toe die volgt bij een gerechtvaardigd langere navorderingstermijn in buitenlandgevallen:
Derde vraag in zaak C-155/08
X en Passenheim-Van Schootvan 26 februari 2010,
BNB2010/199 [21] en
BNB2010/200 [22] heeft u het antwoord van het HvJ geoperationaliseerd als een ‘voortvarendheid’-eis:
Commissie tegen Spanjeis een infractieprocedure op basis van art. 258 VwEU Pro en gaat over abstracte wetgeving, niet over concrete toepassing van wetgeving op een bepaald geval. Volgens de Spaanse belastingwetgeving leidde niet-nakoming van de verplichting om informatie over activa in het buitenland te verstrekken op - of te late indiening van - een “formulier 720” er onder meer toe dat zulke activa als “niet-onderbouwde vermogenswinst” werden gekwalificeerd, zonder mogelijkheid voor belastingplichtigen om zich te beroepen op verjaring, en tot (cumulerende) hoge boeten. Ter zake van binnenlandse activa bestond geen dergelijke verplichting of kwalificatie en waren de boeten lager.
zondermogelijkheid van verjaring, in het licht van het gerechtvaardigde doel van fraude- en misbruikbestrijding. Daarover overwoog het HvJ:
V-N2022/9.14 vroeg zich af of uw arrest HR
BNB2021/150 (zie 3.1-3.4 hierboven) in het licht van C-788/19
Commissie/Spanjestand kan houden:
Geigy/Commissie [24] waarnaar het HvJ in r.o. 39 van de zaak
Commissie/Spanjeverwijst, betrof onder meer beboeting, door de Commissie, van mededingingsvervalsende onderling afgestemde feitelijke gedragingen (oafg’s) van ondernemingen. Geigy stelde dat de Commissie te lang over het instellen van een onderzoek had gedaan en dat haar bevoegdheid ten onrechte niet door een verjaringstermijn werd beperkt. Hoewel de Europese mededingingswetgeving inderdaad geen verjaringstermijn bevatte, verwierp het HvJ Geigy’s klacht omdat de Commissie in concreto voldoende voortvarend had gehandeld:
Het middel betreffende de verjaring
in abstractoin strijd is met “de fundamentele eis van rechtszekerheid”, maar ook dat van schending van EU-recht in belanghebbendes geval
in concretogeen sprake is, nu vast staat dat de fiscus in zijn geval – net als de Europese Commissie in de zaak
Geigy- voldoende voortvarend heeft gehandeld na op de hoogte geraakt te zijn van het op dat moment al dertien jaar opzettelijk door de belanghebbende verzwegen vermogen. Het HvJ bevestigt in punt 38 dan ook zijn
X en Passenheim-Van Schoot-leer, en wraakt daar alleen mechanismen die erop neerkomen dat de fiscus in grensoverschrijdende gevallen geen enkele reden heeft om binnen een aanvaardbare termijn op aanwijzingen te reageren bij personen die geen formulier 720 hebben ingeleverd en dat belastingplichtigen eeuwig in rechtsonzekerheid gelaten kunnen worden. In Nederland geldt echter hoe dan ook altijd het voortvarendheidsvereiste dat u in HR
BNB2010/199 en
BNB2010/200 (zie 4.6 hierboven) heeft gesteld, en de - in belanghebbendes zaak HR
BNB2021/150 gestelde - eis dat de bevoegdheid ex art. 66(4) Sw alleen gebruikt mag worden op een wijze die niet verder gaat dan nodig om belastingfraude te bestrijden en doeltreffende fiscale controles te waarborgen; overschrijding van die grens is een verboden beperking van de EU-verkeersvrijheden. Er is dus geen sprake van dat de Nederlandse fiscus ‘tot in het oneindige’ van zijn navorderingsbevoegdheden gebruik zou kunnen maken. HR
BNB2017/105 [25] bewerkstelligt bovendien dat, anders dan onder de Spaanse belastingwetgeving, naar Nederlands recht een reeds verlopen verjaring
nietmet een beroep op art. 66(4) Sw door de fiscus kan worden doorbroken. Tenslotte merkt de Staatssecretaris terecht op dat art. 66(4) Sw alleen op successiegevallen ziet, die zich slechts één keer per generatie voordoen en dat die bepaling gericht is tegen gebleken opzettelijke en frauduleuze frustratie (via de
Edelweiss-route) van de - bij voldoende voortvarendheid - gerechtvaardigde verlengde navorderingstermijn van art. 16 AWR Pro, waardoor die bepaling een veel beperkter bereik en een veel gerichter en toegespitster anti-fraude-effect heeft dan de door het HvJ gewraakte Spaanse wetgeving.
Geigy/Commissie-arrest zijn mijns inziens uw beperking van art. 66(4) Sw tot gevallen die niet verder gaan dan nodig voor belastingfraudebestrijding en doeltreffende fiscale controles en de combinatie van uw voortvarendheidseis en de verplichte automatische uitwisseling van bank-, verzekerings- en vastgoedgegevens (die ‘aanwijzingen’ produceert waarop de fiscus voortvarend moet reageren) al voldoende om de - daardoor alleen nog in abstracto en theorie - temporeel onbeperkte navorderingstermijn in art. 66(4) Sw door de EU-rechtelijke beugel te helpen. Die voortvarendheid- en noodzakelijkheideisen bewerkstelligen de EU-rechtelijk vereiste evenredigheid tussen doel en middel, en het HvJ kan mijns inziens bij ‘de fundamentele eis van rechtszekerheid’ niet met twee maten te meten door aan de lidstaten strengere eisen te stellen dan aan EU-bestuursorganen zoals de Commissie. Zijn verwijzing in
Commissie/Spanjenaar r.o. 21 van
Geigy/Commissieimpliceert mijns inziens dat die r.o. 21 geldend recht is.
Commissie/Spanjenaar nationaal of EU-recht grond zou kunnen bieden voor herziening (
quod non; zie de onderdelen 8 en 9 hieronder), die herziening niet zou leiden tot het door de belanghebbende gewenste resultaat, maar slechts tot bevestiging van de ongegrondverklaring van zijn oorspronkelijke cassatieberoep.
Edelweiss-ontmoedigende maar overleefbare termijn (40 jaar?) of (ii) uw in 5.7 hierboven genoemde rechtspraak inzake vereiste voortvarendheid, niet-doorbreking van voltooide verjaring en evenredigheid
stricto sensucodificeren.
Commissie/Spanjenauwelijks of niet ingegaan op de betekenis, voor verlengde navorderingstermijnen in grensoverschrijdende gevallen, van de sinds 2017 bestaande vergaande automatische uitwisseling tussen lidstaten ter zake van bankgegevens en (inkomsten uit) financiële en levensverzekeringsproducten en onroerende zaken. Hij overwoog slechts niet-onderbouwd dat de nationale autoriteiten over activa die hun ingezetenen in het buitenland bezitten, over het algemeen minder weten dan over activa die zich op hun grondgebied bevinden, “zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de bestaande mechanismen voor informatie-uitwisseling en administratieve samenwerking tussen de lidstaten”, en concludeerde dat de Spaanse wetgeving hoe dan ook het rechtszekerheidsbeginsel schond, zodat niet meer “behoeft te worden nagegaan welke consequenties moeten worden getrokken uit het bestaan van mechanismen voor de uitwisseling van informatie of administratieve bijstand tussen de lidstaten” (r.o. 41).
X en Passenheim-Van Schoot. In punt 86 haalt hij rechtspraak van het HvJ EU aan waaruit volgens hem blijkt dat als de mechanismen voor wederzijdse bijstand voldoende zijn om een lidstaat tot de nodige controles in staat te stellen, de lidstaten zich
nietmeer kunnen beroepen op moeilijkheden bij de vergaring van noodzakelijke inlichtingen of op tekortkomingen in de samenwerking tussen hun belastingdiensten ter rechtvaardiging van beperking van de fundamentele vrijheden, zelfs niet als die samenwerking in de praktijk niet steeds bevredigend en feilloos functioneert. In dat laatste geval is het zijns inziens aan de betrokken lidstaat om contact op te nemen met de andere lidstaat om het probleem te verhelpen en om daarover eventueel met de Commissie te communiceren. Het is een lidstaat zijns inziens dan niet toegestaan om een verlengde navorderingstermijn voor grensoverschrijdende gevallen toe te passen om te ondervangen dat de benodigde inlichtingen hem niet zijn verstrekt.
Commissie/Spanjede cruciale vraag of de automatische uitwisseling ingevolge Richtlijn 2011/16 (DAC2) voldoende is om de Spaanse belastingdienst in staat te stellen tot de controles benodigd voor juiste vaststelling van de belastingschuld. De door het HvJ EU in
X en Passenheim-van Schootgenoemde gronden voor het aannemen van de noodzaak van een verlengde verjaringstermijn gelden volgens hem weliswaar in beginsel ook in de zaak Commissie/Spanje, maar omdat de Commissie voor in het buitenland aangehouden
nieuwebankrekeningen genoegzaam had vastgesteld dat de Spaanse belastingdienst op het relevante moment kon beschikken over voldoende inlichtingen om de belastingschuld vast te stellen, ging de litigieuze verjaringstermijn volgens de A-G voor deze categorie activa verder dan nodig.
6.Het herzieningsverzoek
restitutio in integrum, nu de wetgever bewust heeft gekozen geen nadere wettelijke voorzieningen te treffen voor de doorbreking van de formele rechtskracht van nieuwe of gewijzigde supranationale jurisprudentie;
Commissie/Spanje, waardoor het zijns inziens vereiste rechtsherstel niet kan worden geëffectueerd omdat die afwijzing niet objectief in rechte kan worden getoetst. Hij verzoekt u daarover prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
Restitutiokan immers pas aan de orde komen als een tot amotie of schadevergoeding verplichtende onrechtmatigheid zou zijn geconstateerd. [26] Het beginsel van formele rechtskracht – bedoeld zal zijn: het beginsel van kracht van gewijsde, want het gaat hier over een onherroepelijk arrest – is geenszins onrechtmatig, maar expliciet als van groot belang erkend door het HvJ, die het uiteraard zelf ook toepast in verband met het grote belang van rechtszekerheid en
litis finiri oportet, zoals hieronder zal blijken. Herziening van onherroepelijke uitspraken na een
EHRM-arrest dat een schending van het
EVRMconstateert, is hier niet aan de orde en overigens alleen mogelijk in strafzaken (art. 457(1) Sv.), niet in belastingzaken. [27] Een door de Tweede-Kamerleden Van Nispen en Sneller op de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022 ingediend (gewijzigd) amendement om ook herziening – alleen in strafzaken – mogelijk te maken na HvJ-uitspraken, [28] is verworpen. [29] Maar ook als het in belanghebbendes geval wél om (i) een strafzaak én (ii) een posterieur
EHRM-arrest zou zijn gegaan, zou zijn verzoek afgewezen moeten worden, nu het posterieure arrest waarop hij zich beroept niet gewezen is in zijn eigen zaak; herziening is alleen mogelijk als het de veroordeelde zelf betrof (‘de gewezen verdachte’) die door het EHRM in het gelijk werd gesteld. Ook het verworpen amendement was op dat uitgangspunt gebaseerd. Pijl [30] wijst erop dat de Raad van State in zijn jaarverslag 2003 adviseerde om art. 8:88 (nu art 8:119) Awb aan te vullen met de mogelijkheid van herziening in bestuursrechtelijke zaken op grond van rechtspraak van het EHRM en het HvJ EU. [31] Op 12 augustus 2005 liet Minister van Justitie Donner de Tweede Kamer weten aanpassing van art. (nu) 8:119 Awb overbodig te achten, gezien de mogelijkheden die art. 4:6 Awb Pro voor de overgrote meerderheid van de zaken biedt. [32]
de Hoge Raad, waarvoor art. 8:68 Awb Pro dus niet geldt, een tot schadevergoeding verplichtend
Köblertje [34] zou hebben begaan door destijds in zijn zaak geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen over de verhouding tussen art. 66(4) Sw en de EU-verkeersvrijheden, is die stelling mijns inziens kansloos, nu van een tot schadevergoeding nopende ‘gekwalificeerde schending’ van EU-recht geen sprake kan zijn, gegeven het toen onverkort vigerende arrest
X en Passenheim-Van Schooten het vaststaande feit dat de fiscus in belanghebbendes zaak niet ‘eindeloos’ heeft getalmd, maar voortvarend heeft gehandeld nadat hij ‘aanwijzingen’ had gekregen. [35]
nietop basis van nieuwe rechtspraak. [37]
nova, zodat alleen onderdeel 4) van het verzoek tot een oordeel noopt.
7.Reactie van de Staatssecretaris
Commissie/Spanjeblijkt dat het HvJ EU niet terugkomt van
X en Passenheim-Van Schoot. Aan de door u in HR
BNB2021/150 bij dat arrest gezochte aansluiting komt de grond volgens hem dan ook niet te ontvallen.
Commissie/Spanje, dat zijns inziens impliceert dat het rechtszekerheidsbeginsel niet ongeclausuleerd tot de conclusie leidt dat een onbeperkte navorderingstermijn onder alle omstandigheden is verboden. Commissie/Spanje betrof onevenredige gevolgen verbonden aan het niet naleven van een formeel voorschrift. Arresten van het HvJ EU moeten gelezen en begrepen worden in de context van de voorgelegde kwestie. Bij onze belanghebbende gaat het zijns inziens om belastingfraude en -ontwijking en dan past het om bij de beoordeling van de vereiste evenredigheid tot de noodzaak van doeltreffendheid van belastingcontroles en bestrijding van belastingfraude en -ontwijking de eventuele consequenties te bezien in het licht van mechanismen voor de uitwisseling van informatie of administratieve bijstand tussen de lidstaten. In die lijn past ook uw arrest HR
BNB2021/150, aldus de Staatssecretaris.
BNB2021/150 niet onverenigbaar is met
Commissie/Spanje, althans dat
Commissie/Spanjegeenszins dwingt tot de conclusie dat belanghebbendes cassatieberoep destijds gegrond verklaard had moeten worden.
BNB2021/150 wijst de Staatssecretaris op uw arrest HR
BNB2011/245 (zie onderdeel 8.1 hieronder) en de conclusie voor dat arrest. Hij ziet geen rechtspolitieke ontwikkelingen in het Unierecht, noch nieuwe gezichtspunten in de rechtspraak van het HvJ EU of die van het EHRM die maken dat de in HR
BNB2011/245 neergelegde lijn zou zijn achterhaald. Hij wijst daartoe op het arrest
XC, YB & ZA, [39] waarin het HvJ EU in de punten 53 en 54 zijn lijn uit zijn arrest in de zaak
Kapferer [40] voortzet.
8.Herziening van een kracht van gewijsde - nationaal recht
BNB2011/245 [41] wees u een verzoek om herziening (van uw arrest HR BNB 2003/193 [42] ) op basis van nieuwe HvJ-rechtspraak af. De vraag was of de uitspraak van een verwijzingsplichtige nationale rechter op de voet van art. 8:88 (nu 8:119) Awb herzien moet worden als uit posterieure jurisprudentie van het HvJ EU zou volgen dat de uitspraak van die nationale rechter onjuist is. U oordeelde dat noch nationaal recht, noch EU-recht daartoe verplicht:
BNB2011/245 constateert op basis van HvJ
Van Schijndel en Van Veen [43] dat belanghebbenden bij ontbreken van procedurele regels op EU-niveau hun materiële op EU-recht gebaseerde rechtsaanspraken moeten halen door gebruikmaking van het nationale procesrecht, en dat daarbij in beginsel nationale procedurele autonomie geldt zolang het nationale recht EU-rechtelijke aanspraken maar niet procedureel ongunstiger behandelt dan vergelijkbare zuiver internrechtelijke aanspraken (gelijkwaardigheidsbeginsel) en realisering van EU-rechtelijke aanspraken maar niet excessief moeilijk of nagenoeg onmogelijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel). Aan het gelijkwaardigheidsbeginsel is in casu voldaan: art. 8:119 Awb Pro maakt ter zake van de rechterlijke herzieningsbevoegdheid geen enkel onderscheid tussen zaken over EU-rechtsaanspraken en andere rechtsaanspraken. Of aan het doeltreffendheidsbeginsel is voldaan, beoordeel ik in onderdeel 9 hieronder.
Commissie/Spanjestamt van ná HR
BNB2021/150 en (ii) posterieure rechtspraak – of, algemener: een posterieure rechtsopvatting of -ontwikkeling - kan niet gelden als “feiten of omstandigheden” in de zin van de regelingen voor herziening van rechterlijke uitspraken. [44]
BNB2021/150 dus evenmin mogelijk als destijds herziening van HR
BNB2003/193 mogelijk was en naar nationaal recht moet belanghebbendes verzoek worden afgewezen. Dan rijst net als in HR
BNB2011/245 de vraag of het (beginsel van effectiviteit van) EU-recht dat anders maakt.
BNB2011/245 dat ook het Unierecht niet meebrengt dat een hoogste nationale rechter een onherroepelijke beslissing moet heroverwegen vanwege een later HvJ-arrest op grond van een nieuwe uitleg van een rechtsnorm die niet bekend was ten tijde van het nemen van die beslissing. De vraag is of het EU-recht nu, elf jaar na HR
BNB2011/245, anders is dan ten tijde van HR
BNB2011/245. Ik meen van niet.
Kapferer [46] al een
acte éclairéhad opgeleverd. Het HvJ oordeelde in
Kapfererdat het EU-recht een (hoogste) nationale rechter niet verplicht om nationale procedureregels die een beslissing kracht van gewijsde geven buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een schending door die beslissing van het EU-recht niet kunnen worden opgeheven (punt 21). Het HvJ EU heeft de lijn van
Kapfererin vaste rechtspraak gehandhaafd in onder meer de zaken
Impresa Pizzarotti, [47] Târșia [48] en
Telecom Italia SpA (II) [49] en het door de Staatssecretaris genoemde arrest
XC, YB & ZA. [50]
Telecom Italia Spa (II), beslist in 2020. Die zaak betrof een op omzet gebaseerde heffing ad € 385 miljoen die Telecom Italia over 1998 aan de Italiaanse Staat moest betalen voor een algemene telecommunicatie-machtiging. Telecom Italia stelde daartegen beroep in bij de Italiaanse bestuursrechter, die het HvJ prejudiciële vragen stelde over EU-telecomrichtlijn 97/13. Het antwoord van het HvJ (
Telecom Italia I) [51] liet twee mogelijkheden open, afhankelijk van de vraag of de heffing nog in verband stond met het exclusieve recht tot telecommunicatiediensten dat Telecom Italia vóór de inwerkingtreding van de richtlijn had. De verwijzende rechter concludeerde tot de voor Telecom Italia ongunstige mogelijkheid en verwierp haar beroep. Die uitspraak werd in 2009 in hoger beroep bevestigd door de Italiaanse Raad van State. Telecom Italia stelde daarop de Italiaanse Staat civielrechtelijk aansprakelijk voor onjuiste uitleg van het Unierecht door de Raad van State. Op 31 januari 2012 constateerde de
Corte d’appelo di Romainderdaad een kennelijke schending van het Unierecht door de Raad van State. Met die veroordeling gewapend, adieerde Telecom Italia opnieuw de bestuursrechter, thans met het verzoek te verklaren dat de heffing 1998 niet verschuldigd was en dat het arrest van de Raad van State van 1 december 2009 geen gezag van gewijsde had. Deze bestuursrechter verwees opnieuw twee prejudiciële vragen, één over de verschuldigdheid van de heffing en één over wat te doen met de kracht van gewijsde van de uitspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter. Het HvJ liet de vraag
ofdie uitspraak naar Italiaans recht na de uitspraak van de burgerlijke rechter nog kracht van gewijsde had over aan de Italiaans bestuursrechter (want het HvJ gaat niet over de uitleg van nationaal recht), maar
alsdie uitspraak kracht van gewijsde heeft, dan herinnert het HvJ EU aan:
Köbler-rechtspraak van het HvJ geldt, inhoudende dat de Staat aansprakelijk kan zijn voor de schade van belanghebbenden veroorzaakt door manifest het EU-recht schendende rechterlijke uitspraken, hoezeer die ook onherroepelijk zijn. Van een manifeste schending van EU-recht door uw arrest HR BNB 2021/150 in belanghebbendes zaak kan echter geen sprake zijn, zoals boven al bleek.
BNB2011/245. Een in het licht van posterieure EU-jurisprudentie mogelijk onjuiste uitspraak van een (hoogste) rechter hoeft niet op grond van EU-recht te worden herzien als bij het (niet)herzieningsbeleid van de rechter de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit worden geëerbiedigd. [52] De belanghebbende heeft niet gesteld en het is evenmin gebleken of aannemelijk dat die beginselen in zijn zaak zouden zijn geschonden.
10.Ambtshalve vermindering ex art. 65 AWR Pro en HvJ Kühne & Heitz
Kühne & Heitz [53] daartoe zou nopen.
Kühne & Heitz, verwijs ik naar de onderdelen 10.1 t/m 10.9 van de conclusie voor het al vele malen genoemde precedent HR
BNB2011/245.