Conclusie
In deze Wvggz-klachtzaak is aan de orde de vraag (i) of de zorgverantwoordelijke bij het nemen van haar beslissing tot het toepassen van dwangmedicatie een juiste afweging heeft gemaakt met betrekking tot de wilsbekwaamheid van betrokkene (art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro en art. 8:9 lid 4 Wvggz Pro), en (ii) of bij het nemen van die beslissing de uitgangspunten genoemd in art. 2:1 leden Pro 2 en 3 Wvggz (proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en veiligheid) in acht zijn genomen.
1.Feiten en procesverloop
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van zes maanden, voor vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’ (art. 3:2 lid Pro 2, onder a, Wvggz). Krachtens deze zorgmachtiging wordt aan betrokkene zorg verleend door verweerster in cassatie onder 2 (hierna:
de zorgaanbieder).
de zorgverantwoordelijke) aan betrokkene bericht dat zij heeft besloten per die datum onder meer de volgende vorm van verplichte zorg aan betrokkene te gaan verlenen: “
het toedienen van (…) medicatie (…), ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening”. De zorgverantwoordelijke heeft in de brief, die is ondertekend door verweerder in cassatie onder 1 (hierna:
de psychiater), het volgende vermeld (onderstreping toegevoegd):
Pt. heeft geen ziekte inzicht/ziektebesef. Weigert daardoor ook de orale medicatie.
Onbehandelde psychotische klachten kunnen schade geven aan de eigen lichamelijke en psychische gezondheid.
Gesprek met patiënt door [de psychiater van de afdeling] . Patiënt blijft medicatie weigeren en [de psychiater van de afdeling] bespreekt opnieuw voorgenomen beslissing tot dwangmedicatie. Afweging hierbij is dat er aanhoudende psychotische klachten zijn en patiënt vanaf opname medicatie oraal heeft geweigerd.
Er is geen ziektebesef en hij wordt wilsonbekwaam geacht terzake medicatie inname. Er wordt opnieuw [3] een 8.9 brief geschreven omtrent gedwongen medicatie en overhandigd aan patiënt. Deze brief is door verpleegkundige en telefonische tolk doorgenomen en uitgelegd. (…)
De familie van klager ondersteunt de aanvraag en beschikking van de zorgmachtiging.
Aangezien klager geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft, want hij stelt dat hij gezond is, kan alleen met antipsychotica worden bereikt, dat klager op termijn zijn autonomie en daarmee zijn maatschappelijk leven kan herwinnen. En ten slotte wordt het middel toegediend op een afdeling waar 24/7 toezicht en begeleiding aanwezig is.
de rechtbank) een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro, ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht de beslissing waartegen de klacht is gericht, “namelijk toediening van medicatie”, te schorsen op grond van art. 10:9 Wvggz Pro. Hij heeft verzocht zijn klacht gegrond te verklaren, onder toekenning van een schadevergoeding, althans tegemoetkoming, voor zover dwangmedicatie is toegediend.
Gebleken is dat verzoeker wilsbekwaam is in zijn weigering om medicatie te gebruiken. Hij is naar het oordeel van de rechtbank echter wilsonbekwaam om de belangen in zijn leven redelijk te kunnen waarderen. Daarom is (dwang)medicatie gerechtvaardigd. Zie ook rechtbank Midden-Nederland d.d. 1/7/2020, vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2020:2651. Zie voorts Hoge Raad (vindplaatsen ECLI:NL:HR:2022:300 en ECLI:NL:HR:2020:2096).
Bij een redelijke waardering van de eigen belangen van betrokkene in het licht van artikel 2:1 lid 6 onder Pro a en artikel 8:9 lid 4 aanhef Pro en onder a Wvggz gaat het niet om de vaardigheid om de wil te uiten - die is in veel gevallen ook bij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld nog intact - maar om het oordeels- en besluitvormingsvermogen van de persoon in kwestie.
In het onderhavige geval kan betrokkene zijn belangen niet redelijkerwijs dienen en is hij in zoverre niet wilsbekwaam, wat dwangmedicatie rechtvaardigt.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de klacht van verzoeker ongegrond verklaard moet worden. Dit betekent ook dat er geen reden is tot schorsing.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
uitgangspunthanteert het middel dat betrokkene op het moment dat de zorgverantwoordelijke haar beslissing tot het gaan verlenen van verplichte zorg in de vorm van toedienen van medicatie heeft genomen, wilsbekwaam was (verzoekschrift tot cassatie, blz. 7 bovenaan).
dat dwangmedicatie moet worden toegepast”. Het onderdeel stelt onder andere dat HR 18 december 2020, waarnaar de rechtbank verwijst, geen steun biedt voor het oordeel dat, nu betrokkene zijn belangen redelijkerwijs niet kan dienen en in zoverre niet wilsbekwaam moet worden geacht, dwangmedicatie is gerechtvaardigd.
indien betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de uitoefening van deze rechten en plichten in staat is:
betrokkene niet in staat acht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van zorgof de uitoefening van rechten en plichten op grond van deze wet, legt hij dat schriftelijk vast en vermeldt daarbij de datum, het tijdstip en ter zake van welke beslissingen betrokkene niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.
Indien verplichte zorganders dan strekkende tot opname in een accommodatie, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging
wordt toegepast, legt de zorgverantwoordelijke, onverminderd het bepaalde in artikel 1:5, na overleg met de vertegenwoordiger,
schriftelijk vastin het dossier, bedoeld in artikel 8:4, met vermelding van de datum en het tijdstip,
of:
betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, en
dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.”
De betrokken uitgangspunten dienen dus tevens in acht te worden genomen bij een beslissing van de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro, ter uitvoering van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting daarvan of een zorgmachtiging, tot verlening van een vorm van verplichte zorg waarvoor die maatregel of machtiging (mede) is genomen, respectievelijk verleend. [5] Bij een klacht over een beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro kan derhalve ook worden aangevoerd dat bij het nemen van die beslissing de uitgangspunten van hoofdstuk 2 niet in acht zijn genomen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, doet daaraan niet af dat hoofdstuk 2 van de wet niet wordt genoemd bij de klachtgronden van art. 10:3 Wvggz Pro, noch dat in art. 8:9 Wvggz Pro geen specifieke bepalingen uit dat hoofdstuk zijn vermeld.
zal de zorgverantwoordelijke bij elke beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro die niet strekt tot opname in een accommodatie, moeten
onderzoeken of de betrokkene, beoordeeld naar diens gezondheidstoestand op dat moment(zie art. 8:9 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvgzz),
in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de beoogde verplichte zorg,en, indien dit het geval is en de betrokkene zich verzet, of er een acuut levensgevaar dreigt voor de betrokkene, dan wel er een aanzienlijk risico voor anderen is, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is, een en ander zoals omschreven in de (in dat opzicht gelijkluidende) art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz en 8:9 lid 4, onder b, Wvggz.” [6]
Als daarmee is bedoeld dat betrokkene op dat moment in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, was slechts plaats voor verplichte toediening van depotmedicatie indien er een acuut levensgevaar dreigde voor betrokkene, dan wel een aanzienlijk risico bestond voor anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar was. [8] ”
betrokkene zal voldoende moeten begrijpen wat er in zijn geval aan de hand is (zijn toestand kennen) én voldoende in staat moeten zijn om daarover tot behoorlijke (‘redelijke’) afwegingen te komen (kunnen). Het tweede is natuurlijk niet goed mogelijk zonder het eerste; daarom is beide nodig. Een psychische stoornis staat niet zonder meer aan dit ‘kennen en kunnen’ in de weg. Betrokkene kan zijn stoornis immers ‘kennen’ en in staat zijn tot behoorlijke afwegingen over de aanpak of behandeling daarvan. Het zelfbeschikkingsrecht dat ieder mens toekomt en dat art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro beoogt te beschermen, dient dan te worden gerespecteerd, mits geen schade dreigt voor anderen of acuut levensgevaar voor betrokkene zelf. Dat is de gedachte die aan die bepaling ten grondslag ligt, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is aangehaald uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan. De stoornis kan echter ook het ‘kennen’ of ‘kunnen’ aantasten. Dan is betrokkene wilsonbekwaam.” [12]
Wilsonbekwaamheid is tijd- en beslissinggebonden. Het gaat om de actuele vermogens van betrokkene om de relevante informatie te verwerken die voor het nemen van een beslissing van belang is en om de gevolgen van die beslissing te overzien.Het gaat dus om de vaststelling of zijn geestelijke vermogens voldoende zijn in relatie tot het nemen van een bepaalde beslissing, niet om de keuze die betrokkene uiteindelijk maakt. Daarbij wordt ook meegenomen of de redenen die betrokkene aanvoert voor zijn beslissing in overeenstemming zijn met zijn persoonlijke waarden en normen. Betrokkene kan dus ten aanzien van de ene beslissing wilsbekwaam en ten aanzien van de andere beslissing wilsonbekwaam worden geacht. De zorgverantwoordelijke dient de vaststelling van wilsonbekwaamheid daarom schriftelijk vast te leggen en daarbij aan te geven voor welke beslissingen betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat wordt geacht. (…) Tegen de beslissing inzake wilsonbekwaamheid kan een klacht worden ingediend op grond van art. 10:3 Wvggz Pro.” [13]
wilsbekwaam was(verzoekschrift tot cassatie, onder 7). Naar ik begrijp steunt dit uitgangspunt op hetgeen de rechtbank in rov. 4.4 overweegt, namelijk dat is gebleken dat verzoeker wilsbekwaam is in zijn weigering om medicatie te gebruiken, maar wilsonbekwaam is om de belangen in zijn leven te kunnen waarderen (zie hiervoor, 1.6). Deze overweging berust kennelijk op de volgende uitlating van de psychiater ter zitting (blz. 2 van het proces-verbaal):
nietheeft bedoeld te zeggen dat betrokkene op het gebied van medicatie-inname inzicht heeft in zijn eigen ziekte(beeld) en ter zake afgewogen beslissingen kan nemen. Het slot van de geciteerde uitlating luidt immers dat betrokkene “
in zoverre niet bekwaam kan zijn”, want hij “
ziet niet in dat medicatie nodig is”
.Dat betrokkene dat ziekte-inzicht volgens de behandelaars niet heeft, blijkt ook uit de (door mij) onderstreepte passages in het verweerschrift in de klachtenprocedure (zie hiervoor, 1.2 en 1.3). Bovendien heeft de psychiater ter zitting vervolgens verklaard (blz. 2, van het proces-verbaal):
geensprake is van wilsbekwaam verzet tegen het toedienen van medicatie” (zie rov. 3.6, eerste zin).
om het vermogen van een persoon om ter zake van specifieke afwegingen op het terrein van de zorg te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen”. In deze context, zo verduidelijkte de Hoge Raad, “
gaat het niet om de vaardigheid om de wil te uiten – die is in veel gevallen ook bij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld nog intact – maar om het oordeels- en besluitvormingsvermogen van de persoon in kwestie”. Met het oordeel in de rov. 4.4 en 4.7 dat betrokkene wils
onbekwaam is om de belangen in zijn leven redelijk te kunnen waarderen en dat daarom (dwang)medicatie gerechtvaardigd is, heeft de rechtbank klaarblijkelijk deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf toegepast. Dit oordeel geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is”, als bedoeld in art. 8:9, lid 4, onder b, slotzin. Dit betekent dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat er ten aanzien van het toepassen van gedwongen medicatie wél sprake is van wilsbekwaam verzet van betrokkene, daaruit niet volgt dat zijn wens zonder meer diende te worden gehonoreerd, nu de uitzondering vermeld in de slotzin van art. 2:1 lid Pro, onder b, Wvggz zich klaarblijkelijk voordeed. In zoverre heeft betrokkene dus geen belang bij zijn klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene ter zake van de toediening van medicatie wilsonbekwaam is.
beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid
om de belangen van zijn leven te kunnen waarderen”.
een klachtprocedurebetreft, waarin wordt opgekomen tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot het gaan verlenen van verplichte zorg in de vorm van toedienen van medicatie. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 18 december 2020 waarnaar het onderdeel verwijst, geoordeeld dat de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 Wvggz ook in acht moeten worden genomen indien een zorgverantwoordelijke een beslissing neemt op grond van art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro. In haar beslissing van 11 maart 2022 heeft de zorgverantwoordelijke dat ook gedaan. Zij heeft expliciet vermeld (i) dat er geen mogelijkheden zijn voor zorg op basis van vrijwilligheid, (ii) dat er geen minder bezwarende (ingrijpende) alternatieven zijn die het beoogde effect gaan hebben, (iii) dat het verlenen van verplichte zorg evenredig is, gelet op het beoogde doel, en (iv) dat het redelijkerwijs is te verwachten dat de verplichte zorg effectief gaat zijn. Aldus heeft de zorgverantwoordelijke bij het nemen van haar beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro onderzocht of is voldaan aan de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 Wvggz (zie hiervoor, 1.2). Het is waar dat niet per uitgangspunt concreet is gemotiveerd waarom daar aan voldaan is. Het lijkt me echter te veel gevraagd om een zo strenge eis te stellen aan de motivering van de schriftelijke beslissing tot aanzegging van verplichte zorg indien de medische onderzoeken van de betrokken patiënt volgens de behandelend artsen uitwijzen dat deze geacht moet worden wilsonbekwaam te zijn.
zelfstandigdient te toetsen of bij een beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro de uitgangspunten van hoofdstuk 2 Wvggz in acht zijn genomen, dan meen ik dat de rechtbank dit in de onderhavige zaak genoegzaam heeft gedaan. In hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 4.8 ligt besloten het oordeel dat de zorgverantwoordelijke bij het nemen op 11 maart 2022 van haar beslissing de genoemde beginselen in acht heeft genomen. De rechtbank overweegt daar namelijk (i) dat betrokkene zonder medicatie niet kan functioneren in de samenleving, (ii) dat in zijn geval medicatie essentieel is voor zijn bestaan en zelfredzaamheid, omdat hij anders niet bij machte is zijn leven op de rails te krijgen, en (iii) dat de kans dan ook zeer reëel is dat, wanneer betrokkene medicatie blijft weigeren, hij gedurende een zeer lange periode in een instelling zal moeten verblijven, terwijl het doel van de wet is dat een opname zo kort mogelijk wordt gehouden en niet langer duurt dan noodzakelijk. Aldus mist de klacht feitelijke grondslag.