Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure in eerste en tweede aanleg
Dat de openlijke geweldpleging heeft plaats gehad, staat vast. Ook staat vast dat er vijf jongens bij waren; de vraag is wie van deze jongens een aandeel heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.
De kinderrechter is van oordeel dat uit het procesdossier niet duidelijk wordt dat de verdachte één van de jongens is geweest die geweld jegens het slachtoffer heeft gebruikt. [betrokkene 3]
(plv-AG: [betrokkene 3])en [betrokkene 2]
(plv-AG: [betrokkene 2])verklaren dat zij niets hebben gedaan en dat alleen de andere jongens geweld hebben gebruikt; niet valt uit te sluiten dat zij zichzelf met deze verklaring proberen vrij te pleiten. De directrice en de teamleider
(plv-AG: van de school van de verdachte)verklaren belastend over de verdachte. Dit wordt echter nadien bij de rechter-commissaris niet bevestigd; bij de rechter-commissaris wordt [betrokkene 2] hierover ondervraagd en verklaart hij dat hij niet denkt dat hij op school namen heeft genoemd. De vriendin van de aangever verklaart bij de rechter-commissaris dat zij niet weet hoeveel van de vijf jongens er gevochten hebben.
Alles overziend stelt de kinderrechter vast dat er een ernstig strafbaar feit is gepleegd met fors letsel bij het slachtoffer tot gevolg, maar dat uit het dossier onvoldoende overtuigend blijkt dat de verdachte hierin een aandeel heeft gehad.”
1. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 19 december 2018 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 19 december 2018 omstreeks 16:15 uur kregen wij, verbalisanten, opdracht om te gaan [naar] de Stationssingel te Rotterdam. Ter plaatse werden wij aangesproken door het personeel van de school. Wij hoorden hen aan ons vertellen dat er een jongen binnen zat. Zijn vriendin zat daar op school. De jongen heeft gevochten met een groepje jongens.
De jongen identificeerde zich als [aangever]. Wij zagen dat de neus van [aangever] naar rechts stond. Wij zagen veel bloed in zijn gezicht. Wij zagen dat de huid onder zijn linker oog opgezwollen was.
Ik, verbalisant, zag een meisje en hoorde haar verklaren: "Ik ben de vriendin van [aangever]. Mijn naam is [betrokkene 1]. Mijn vriend is zojuist in elkaar geslagen. Voor ik het wist doken de jongens op [aangever]. Ze begonnen met gebalde vuist op hem in te slaan. Voornamelijk in zijn gezicht, maar ook in zijn buik.
Een van de jongens die ons aanvielen herkende ik van gezicht. Ik weet dat hij [betrokkene 3] heet. Of je het zo schrijft weet ik niet precies. Hij zit achter mij bij Nederlands.”
[aangever] is mishandeld door ongeveer vijf leerlingen van onze school. Ik weet inmiddels via een aantal getuigen dat de personen die erbij waren en die mogelijk ook [aangever] hebben mishandeld, leerlingen van ons zijn. Ze heten: [betrokkene 3], [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2002 (
het hof begrijpt : [verdachte], te weten de verdachte), [medeverdachte], [betrokkene 5] en [betrokkene 2]. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben mij op 19 december 2018 verteld dat zij bij de vechtpartij aanwezig waren. Deze jongens hebben ook de namen van de andere drie jongens gegeven. Volgens hen zouden de andere drie jongens ook betrokken zijn geweest bij de vechtpartij. Op de camerabeelden van school is te zien dat de eerder genoemde jongens die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan de mishandeling voorbij een camera lopen richting de locatie waar de mishandeling heeft plaatsgevonden.
[aangever]:
Op 19 december 2018, omstreeks 15:45 haalde ik mijn vriendin op van school, het [...], gevestigd op de Stationssingel te Rotterdam. Wij liepen vanuit haar school richting het Centraal Station. Terwijl wij naar het Station liepen zag ik op straat een groep van vijf jongens. Deze jongens ken ik niet zelf, maar ik weet dat zij bij mijn vriendin op school zitten. Ik kan de jongens als volgt omschrijven:
Jongen 1: naam gelijkend op [betrokkene 5] of [betrokkene 5].
Jongen 3: naam gelijkend op [betrokkene 3].
Ik weet dat een jongen nog [verdachte] heet.
Jongen 1 en jongen 2 stonden voor mij. Uit het niets, zag ik dat jongen 2 met opzet een slaande beweging met zijn vuist maakte richting de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde dat zijn vuist met kracht mijn gezicht raakte. Op de plek waar hij mij raakte voelde ik een onmiddellijke pijn. Door de klap raakte ik uit balans. Ik zag dat ik door de jongens werd ingesloten. Ik zag dat de jongens in een soort kring om mij heen stonden. Ik voelde en zag dat ik meerdere malen werd geslagen op mijn gezicht en op mijn lichaam. Ik voelde pijn op de plekken waar zij mij raakte[n]. Ik viel op de grond. Toen ik op de grond lag kreeg ik een schop aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde dat er een warme vloeistof uit mijn neus liep. Toen ik mijn hand bij mijn neus zette, zag ik dat ik bloed aan mijn hand had.
Ik moest met spoed naar de spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam. Ik werd daar behandeld en zij constateerde[n] dat de geweldpleging mij een gebroken neus en beschadigde linker oogkas opleverde. Op 21 december 2018 word ik aan mijn neus geopereerd. Ik begrijp niet waarom zij met vijf man mij moesten mishandelen.
[betrokkene 6]:
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij er bij was. [betrokkene 2] verklaarde dat ook over [betrokkene 3]. [betrokkene 3] verklaarde dat ook over zichzelf. [betrokkene 2] heeft verteld dat [betrokkene 5] het meest heftige heeft gedaan. [betrokkene 2] heeft verteld dat die andere twee jongens, [medeverdachte] en [verdachte], ook geweld hebben gebruikt. [betrokkene 2] vertelde dat het slachtoffer vrij snel op de grond lag en dat die anderen toen door zijn gegaan.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 21 december 2018 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 21 december 2018 afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Op 19 december 2018 werd ik door mijn vriend [aangever] opgehaald op school gelegen aan de Stationssingel te Rotterdam. Ik zag vijf jongens staan. Wij liepen in de richting van het Centraal Station. Ik zag in het groepje een jongen die ik van naam ken. De naam van deze jongen is [betrokkene 3], want deze zit in mijn klas. Ik zag dat een jongen op [aangever] af liep en hem direct een vuistslag in het gezicht gaf. Ik zag dat [aangever] op de grond viel.
[betrokkene 2]:
Op 19 december 2018 kwam ik uit school. Ik liep met een groepje van ongeveer 4 à 5 jongens. Dit zijn vrienden van mij. Een van mijn vrienden zat te klieren tegen een meisje dat bij ons op school zit. Het vriendje van dit meisje was er ook opeens. We stonden op de Stationssingel. Ik zag dat het meisje en haar vriend weg liepen in de richting van het Centraal Station. Ik hoorde dat de vriend van het meisje iets tegen ons riep. Wij zijn naar het meisje en haar vriend toegelopen. Toen we bij hen kwamen begon het gevecht. Het begon nogal snel. Hij kreeg klappen en stoten. Drie vrienden uit mijn groepje hebben de vriend van het meisje geschopt en geslagen. Ik heb ook gezien dat een van mijn vrienden de vriend van het meisje tegen zijn hoofd schopte toen hij op de grond lag. Aan meneer Dreu heb ik verteld wat er was gebeurd. Ik heb dit ook aan de directrice verteld. Ik heb toen tegen beiden de waarheid verteld.
7. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachted.d. 8 januari 2019 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 8 januari 201[9] afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Op de dag van het incident liep ik met [medeverdachte], [betrokkene 5], [betrokkene 3] en [verdachte]. Ik wil geen namen noemen. Ik wil wel vertellen in de vorm van jongen 1, jongen 2, jongen 3 en jongen 4 over wie dan wat gedaan heeft. Jongen 1 en de vriend van het meisje begonnen te bekvechten met elkaar. Toen zag ik dat jongen 2, jongen 3 en jongen 4 naar de vriend toeliepen. Jongen 2 gooide zijn tas neer en liep naar de vriend van het meisje toe en gaf hem een stoot. Toen kwam jongen 1 erbij. Die gaf hem ook een stoot. Toen werd het vriendje van het meisje gevloerd. Ik denk dat jongen 1 en jongen 2 dit samen deden. Ik zag dat het vriendje van het meisje stoten kreeg. Ik zag dat jongen 1 en 2 bezig waren en ik zag dat jongen 3 een trap tegen het hoofd van het vriendje gaf.
[betrokkene 3]:
A. Er is geen sprake van een deugdelijke herkenning van [verdachte].
T.a.v. de vermeende herkenning door getuige[betrokkene 1](blz 78/79) bij de politieBlijkens dit p-v worden de
kleinefoto’s van blz 80 t/m 83 aan de getuige getoond. Zij stelt op foto 2 uit deze fotoserie de latere daders, waaronder cliënt [verdachte] te herkennen.
Allereerstzijn deze foto’s, zoals het Hof zelf kan waarnemen en beoordelen, te klein en onscherp om iemand, dus ook [verdachte] te
kunnenherkennen.
Voortsgeeft getuige [betrokkene 1] tijdens haar verhoor door de Rechter-Commissaris op 4 juni 2019, aan dat zij [destijds bij de politie] andere, (A4 formaat en grotere en losse) foto’s heeft gezien dan de foto’s die zich (blz 80 t/m 83) in het dossier bevinden.
De foto’s die wèl aan haar getoond
zoudenzijn, bevinden zich echter
nietin het dossier.
Derhalve kan de eerdere,
vermeendeherkenning bij de politie in ieder geval niet tot het bewijs meewerken omdat deze foto’s zich niet in het dossier bevinden althans niet controleerbaar is wélke foto’s dan destijds door de politie aan deze getuige zijn getoond.
nietvoor het bewijs gebruikt worden vanwege het volgende:
Tegenover de Rechter-Commissaris verklaart getuige [betrokkene 1] aanvankelijk dat zij de verdachten bij de politie op een foto (foto 2 op blz 80, volgens de verbalisanten; een andere, onbekende, foto, volgens de getuige zelf) had herkend “aan hun gezicht” (blz 5 onderaan);
kunnenherkennen (blz 6, onderaan):
“De foto’s zijn ook niet scherp, ik zie geen gezichten”
als verdachtegehoord, aangeeft cliënt [verdachte] en een aantal andere jongens te herkennen, geeft hij bij de Rechter-Commissaris, op 4 juni 2019 aan dat deze vermeende herkenning onjuist is (blz 3, halverwege).
Daarbij is het volgende van belang: Deze getuige is destijds bij de politie als verdachte gehoord en had er dus belang bij de schuld naar anderen te schuiven;
Ten tijde van het verhoor door de Rechter-Commissaris was de strafzaak tegen hem inmiddels geseponeerd en kon hij als getuige in vrijheid verklaren.
De (aanvankelijke),
vermeendeherkenning door de beide getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en door de verbalisanten van [verdachte], als één van de personen voor de school, kan niet meewerken tot het bewijs.
Maar ook al zou wèl kunnen worden gesproken van een herkenning van [verdachte]:
B. Er is geen bewijs van betrokkenheid van [verdachte] bij het incident zelf
Belangrijk hierbij is dat de beide getuigen bij de Rechter-Commissaris hun eerder bij de politie afgelegde verklaringen verduidelijken en dat, vanwege dit voortschrijdend inzicht / deze betere herinnering, het niet mogelijk/toegestaan is een keuze te maken tussen één van beide verklaringen doch dat slechts de verklaring afgelegd tegenover de Rechter-Commissaris, hun waarnemingen bevat en derhalve hun eerder afgelegde verklaringen onbruikbaar maken.
De afdrukken van de camerabeelden op basis waarvan de herkenning van de verdachte door verbalisanten zou zijn geschied zullen door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd.
Het verzoek tot het horen van de desbetreffende verbalisanten wordt daarom afgewezen, nu de noodzaak daartoe ontbreekt.”
3.Het eerste middel
Ten aanzien van [betrokkene 1]:
kunnenherkennen omdat er geen gezichten te zien zijn.
NJ2016, 141 m.nt. T.M. Schalken [13] niet zou moeten worden gezegd dat, gelet op het voorgaande, het oordeel van het hof dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige moet worden afgewezen op de grond dat deze getuige reeds in eerste aanleg bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de raadsman danwel diens waarnemer is gehoord en dat zonder nadere onderbouwing geen noodzaak wordt gezien deze getuige nogmaals te (laten) horen, niet zonder meer begrijpelijk is? Dat klemt te meer nu het hof in de bewijsmotivering enkel verwijst naar de bewijsmiddelen en geen enkele overweging heeft gewijd aan het feit dat het hof kennelijk geen belang hecht aan de verklaring die [betrokkene 2] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Daarbij zou dan in het bijzonder in aanmerking moeten worden genomen dat:
kennelijkertoe strekte zijn verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen;
4.Het tweede, derde, vierde en vijfde middel
betrokken is geweestbij de vechtpartij. Volgens bewijsmiddel 4 is aan de getuige verteld dat de verdachte ook geweld heeft gebruikt. Anders dan in het middel wordt gesteld kan zo’n verklaring wel degelijk bijdragen aan een bewezenverklaring van openlijk geweld. Daarbij gaat het er immers om of de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld. [18] Uit de totale bewijsconstructie van het hof (zie onder randnummer 3.11) komt naar mijn oordeel afdoende naar voren dat verdachte en zijn mededaders het slachtoffer hebben geschopt en geslagen. Het hof was niet gehouden hier een nadere bewijsoverweging aan te wijden.
5.Het zesde middel
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden, nu de verdachte op 12 juli 2019 hoger beroep heeft ingesteld en het dossier pas op 6 oktober 2020 bij het hof binnen is gekomen. De inzendtermijn is hiermee met bijna 9 maanden overschreden. Vervolgens doet het hof uitspraak op 1 april 2021, waarmee ook de behandeling van de zaak in hoger beroep, is overschreden met bijna 5 maanden. Het hof heeft het tijdsverloop meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de straf en volstaat daarom met de constatering van deze overschrijding.”
(…)
C. Geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een geheel voorwaardelijke straf en evenmin indien het gaat om een straf waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte minder beloopt dan: