Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Aanleiding voor de rolconclusie
[a-straat 1], [postcode] [plaats].
(bijlage). Client meent er gelet op voormelde EU-regelgeving op te hebben mogen vertrouwen dat de Nederlandse autoriteiten ervoor zorg zouden dragen dat zij bij het betekenen van een aanzegging in het buitenland en meer in het bijzonder wanneer dat land één van de lidstaten van de EU betreft, navraag zouden doen naar de actuele woonplaats van de betrokkene.
3.Het juridisch kader
Covacioverwoog het HvJ EU op 15 oktober 2015 met betrekking tot de Richtlijn 2012/13/EU dat de richtlijn geen regeling bevat voor de wijze waarop de informatie over de beschuldiging als bedoeld in art. 6 ervan Pro, aan de betrokken persoon moet worden verstrekt, maar dat deze regeling niet mag afdoen aan de doelstelling die met art. 6 wordt Pro nagestreefd namelijk verdachten of beklaagden van een strafbaar feit in staat te stellen om hun verdediging voor te bereiden en een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen. [11] In de zaak
Covaciging het om de vraag of de Duitse praktijk van betekening van een zogenaamd Strafbefehl aan de gemachtigde van de betrokkene in de gevallen waarin de vrees bestaat dat de betrokkene na de uitspraak moeilijk te bereiken zal zijn, met name indien hij in het buitenland woonachtig is, in overeenstemming is met art. 6 Richtlijn Pro 2012/13/EU. Het HvJ EU verklaarde voor recht dat art. 6 lid 1 en Pro 3 Richtlijn 2012/13/EU zo moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een tot hem gerichte strafbeschikking, mits die beklaagde daadwerkelijk gebruik kan maken van de volledige termijn om tegen deze strafbeschikking verzet in te stellen.
Staatsanwaltschaft Offenburg [12] dat art. 6 Richtlijn Pro 2012/13/EU aldus moet worden uitgelegd:
IS,die betrekking had op het recht op vertolking en vertaling (Richtlijn 2010/64/EU) over art. 8 lid 1 Richtlijn Pro 2016/343/EU overwogen:
Dworzecki) [15] in het kader van Europese aanhoudingsbevelen ingevolge het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, benadrukt dat het recht op een eerlijk proces vereist dat de verdachte in persoon of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van zijn proces. In dat verband heeft het HvJ EU geoordeeld dat een dagvaarding die in de staat van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet rechtstreeks aan de adressant is betekend, maar op diens adres is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd de dagvaarding aan de adressant te overhandigen, voor de toepassing van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen lidstaten, niet zonder meer als een persoonlijke dagvaarding of officiële kennisgeving kan worden aangemerkt. [16]
Dworzecki-arrest, waarin het HvJ EU geoordeeld had, dat een dergelijke betekening niet zonder meer als een persoonlijke dagvaarding of officiële kennisgeving kan worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde [20] dat de uitleg die het HvJ EU in zijn arrest heeft gegeven aan een tweetal autonome begrippen van het Unierecht – "persoonlijk [...] gedagvaard" en "anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld" in de zin van art. 4bis, eerste lid onder a sub i, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ – ziet op de procedures van overlevering tussen de lidstaten en geen betrekking heeft op de berechting van een (Nederlandse) strafzaak en derhalve ook niet op de betekening van dagvaardingen in strafzaken. [21]
4.Afrondende analyse
Covacien
Staatsanwaltschaft Offenburgwordt benadrukt dat dit inhoudt dat de betekening of kennisgeving op zodanige wijze dient plaats te vinden dat de verdachte ook
daadwerkelijkin de gelegenheid wordt gesteld binnen de in een dergelijke kennisgeving gemelde termijn van zijn rechten gebruik te maken. Dit impliceert naar mijn mening dat moet vast staan dat de kennisgeving de verdachte ook daadwerkelijk heeft bereikt en wat dat betreft onderschrijf ik het standpunt van het hof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 2 maart 2022.
Dworzecki-arrest, ook al heeft dat arrest betrekking op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ dat ziet op het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Het ligt mijns inziens voor de hand dat de autonome uitleg die het HvJ EU in dit arrest geeft aan de voorwaarden die gesteld worden aan de kennisneming van de verdachte van het tijdstip en de plaats van het strafproces, niet beperkt is of moet blijven tot overleveringszaken. De richtlijnen 2012/13/EU en 2016/343/EU, die vergelijkbare bepalingen bevatten als die in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zijn immers rechtstreeks van toepassing in het nationale recht van de lidstaten en dus ook op nationale strafrechtelijke procedures. In dat verband valt niet goed in te zien waarom alleen in strafzaken waarin (later) een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, op ondubbelzinnige wijze moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte in de nationale procedure de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn strafproces heeft ontvangen, maar in strafzaken waarin geen Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd zou kunnen worden volstaan met een betekening van de gerechtelijke stukken, zonder dat vast is komen te staan dat de verdachte hiervan daadwerkelijk op de hoogte is gebracht.