Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
[de werkgever]).
offerte) [2] voor een pensioenverzekering. De offerte vermeldt als pensioengrondslag het jaarsalaris minus de “AOW-franchise” [3] en een opbouwpercentage van 1,75% per dienstjaar. Onder het kopje “Verzekeringsconstructie” staat: “- Volledige verzekering van de pensioenen” en “- C-polis conform artikel 2, lid 4 sub C van de PSW”. In de offerte staat ook het “Beoogde jaarlijkse ouderdomspensioen” en een bedrag van ƒ 28.371,-. Onder het kopje “Te verzekeren bedragen” staat dat het gaat om een gemengde verzekering en een bedrag van ƒ 184.989,-. [eiser] heeft de offerte op 2 mei 1991 geaccepteerd.
polisof
verzekeringsovereenkomst) [4] . Daarbij horen de “Verzekeringsvoorwaarden spaarpolis” (hierna:
polisvoorwaarden). In de polis is het pensioenplan van [eiser] uiteengezet. Er staat dat het pensioenplan een kapitaal omvat, dat betaalbaar is op [pensioendatum] 2021 (als [eiser] de 65-jarige leeftijd heeft bereikt). Verder staat in de polis onder meer:
pensioenovereenkomst). [5] Daarin staat onder meer het volgende:
Artikel 1
3.Procesverloop
hof). [eiser] heeft incidenteel appel ingesteld en zijn eis gewijzigd. Zijn eerste vordering kwam te luiden:
4.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1bestrijdt het oordeel dat [eiser] geen eindloonregeling is toegezegd.
Onderdeel 2valt het oordeel aan dat [eiser] voldoende zou zijn voorgelicht over de inhoud van de pensioentoezegging.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht. De premievrijstellingen wegens arbeidsongeschiktheid, de ingangsdata van die premievrijstellingen en de affinanciering van de pensioenaanspraken zijn in cassatie niet meer aan de orde.
defined benefit-regelingen genoemd): bij dit type regelingen wordt een pensioen
uitkeringvan een bepaalde hoogte toegezegd. Deze toezegging is gegarandeerd, mits de premie tot de pensioendatum is betaald. De hoogte van het pensioen is in de regel afhankelijk van salaris, diensttijd en de gehanteerde grondslag (eindloon, middelloon, of variaties daarop).
defined contribution-regelingen genoemd): bij dit type regelingen zegt de werkgever uitsluitend de betaling van premie van een bepaalde hoogte toe. De hoogte van de premiebetaling kan op verschillende manieren worden vastgesteld. Vaak wordt gebruik gemaakt van een kapitaal dat werd gebaseerd op een bepaald salaris en/of diensttijd.
gestreefdnaar pensioenuitkeringen van een bepaalde hoogte (bijvoorbeeld pensioenuitkeringen op eindloonniveau). Dat streefdoel wordt vertaald naar een benodigd kapitaal en/of een benodigde premie. De hoogte van dat kapitaal is veelal gegarandeerd, doorgaans op basis van een kapitaalverzekering. De daadwerkelijke hoogte van de pensioenuitkeringen die met dat kapitaal kunnen worden ingekocht, is afhankelijk van, onder meer, de op het moment van inkoop geldende rentestand, het lijfrentetarief, en de levensverwachting. Het risico dat het streefdoel niet wordt gehaald (bijvoorbeeld omdat de rente is gedaald) ligt bij de werknemer/verzekerde. [16]
defined benefit-regelingen, onder de premieovereenkomst de
defined contribution-regelingen en onder de kapitaalovereenkomst (hybride) regelingen waarbij de toezegging van een pensioenkapitaal centraal staat. [19]
Regelen) van toepassing. De Regelingen bevatten dwingende civielrechtelijke voorschriften.
Anders dan in de door [eiser] overgelegde opinie, waarin slechts de pensioenovereenkomst is beoordeeld, zal het hof al deze stukken dan ook in onderlinge samenhang beoordelen.
maar daaronder staat dat het gaat om een C-polis, terwijl bij de pensioenbedragen staat dat het gaat om
beoogdejaarlijkse pensioenen.
In de polis is dit tot uitdrukking gebracht door middel van het voorbehoud dat de in de vervolgpolis vermelde pensioenen kunnen worden gerealiseerd met de kapitalen als vermeld in die vervolgpolis, indien de tarieven voor lijfrentekoopsommen die werden gebruikt voor de vaststelling van de kapitalen ongewijzigd van kracht zijn. Deze tarieven voor lijfrentekoopsommen zijn gebaseerd op onder meer de zogenaamde rekenrente en de levensverwachting die in 1991 tot uitgangspunt werden genomen voor de berekening van het kapitaal dat nodig zou zijn om daarvan op de pensioendatum de benodigde pensioenuitkeringen te kunnen inkopen.
maar daaronder staat dat het gaat om een C-polis”. Het middel leidt hieruit af dat het hof zich bij zijn oordeel dat géén sprake is van een gegarandeerde eindloonregeling mede heeft laten leiden door het feit dat het om een C-polis gaat. In de
eerste plaatsklaagt het middel dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het enkele feit dat sprake is van een C-polis niets zegt over de inhoud van de pensioentoezegging. In de
tweede plaatsklaagt het middel dat is genoemd oordeel innerlijk tegenstrijdig is. Het hof stelt namelijk in rov. 4.2 vast dat de verwijzing in de pensioenovereenkomst naar art. 2 lid Pro 4, onder c, PSW inhoudt dat de polis de afspraken uit de pensioenovereenkomst weergeeft, maar oordeelt tegelijkertijd dat die overeenkomst zo moet worden begrepen dat zij een gegarandeerde eindloonregeling bevat. In de
derde plaatsacht het middel het oordeel onjuist, dan wel onbegrijpelijk, in het licht van art. 2 lid 1 PSW Pro en art. 23 PW Pro. Daaruit vloeit namelijk voort dat de verzekeraar moet waarborgen dat uitvoering van de pensioenovereenkomst
volledigis. [26]
eerste motiveringsklachtmist feitelijke grondslag. De geciteerde zinsnede moet bezien worden in het licht van rov. 4.2 en 4.3 (door het middel onbestreden), waarin het hof de toepasselijke beoordelingsmaatstaf uiteenzet en aankondigt dat het de aan [eiser] toegekende pensioentoezegging zal uitleggen aan de hand van de pensioendocumenten in onderlinge samenhang bezien. [27] In het bijzonder hecht het hof daarbij belang aan de polis omdat daarin de pensioentoezegging aan [eiser] is vervat.
erop lijkt te duiden” dat een gegarandeerde eindloonregeling zou zijn toegezegd. Kennelijk ziet het hof ook in de verwijzing naar het opbouwpercentage van 1,75% per jaar in de offerte daarvoor een mogelijke aanwijzing. In een andere richting wijst volgens het hof de vermelding in de offerte dat het gaat om “
beoogde” jaarlijkse pensioenen. In het bijzonder acht het hof van belang hoe dit ‘beoogde’ element in de polis tot uitdrukking is gebracht. In de polis staat namelijk het voorbehoud dat de ‘beoogde’ pensioenen kunnen worden gerealiseerd met de kapitalen
indiende tarieven voor lijfrentekoopsommen die werden gebruikt voor de vaststelling van de kapitalen, ongewijzigd van kracht zijn (hierna:
het voorbehoud). Die tarieven zijn gebaseerd op de rekenrente en de levensverwachting die in 1991 tot uitgangspunt werden genomen voor de berekening van het benodigde kapitaal. Het voorbehoud is doorslaggevend, zo lees ik de bestreden rov. 4.4, om te komen tot de uitleg dat hier een regeling is overeengekomen waarbij een kapitaal is gegarandeerd met een daarbij behorende vaste premie, en niet een gegarandeerde eindloonregeling.
tweede motiveringsklacht. Kennelijk heeft het hof met de verwijzing naar art. 2 lid Pro 4, sub c, PSW in rov. 4.2 slechts tot uitdrukking willen brengen dat bij de uitleg van de pensioentoezegging gewicht toekomt aan het bepaalde in de polis, daarmee preluderend op zijn oordeel dat hetgeen de polis over het voorbehoud bepaalt van belang is voor zijn oordeel dat van een gegarandeerde eindloonregeling geen sprake is. Dat kan ook verklaren waarom het hof enkel overweegt dat art. 1 van Pro de pensioenovereenkomst erop
lijktte duiden dat van een gegarandeerde eindloonregeling sprake is, maar niet
datart. 1 van Pro de pensioenovereenkomst een gegarandeerde eindloonregeling bevat. Ik zie dan ook niet dat het gegeven oordeel innerlijk tegenstrijdig zou zijn.
gemengde klachtover art. 2 lid 1 PSW Pro en art. 23 PW Pro. Het middel betoogt in essentie dat als geen sprake is van een gegarandeerde eindloonregeling, de pensioenovereenkomst onvolledig wordt uitgevoerd omdat daarin wél een gegarandeerde eindloonregeling is toegezegd. Nu echter aan [eiser] geen gegarandeerde eindloonregeling is toegezegd, kan in zoverre van een onvolledige uitvoering van zo’n regeling, en een schending van art. 2 lid 1 PSW Pro, geen sprake zijn. Daarom mist de klacht feitelijke grondslag. Ik wijs er nogmaals op (zie hiervoor, nr. 4.2) dat art. 23 PW Pro op grond van het overgangsrecht niet van toepassing is op de pensioentoezegging aan [eiser] .
volledigmoet zijn: de pensioenovereenkomst en de verzekeringsovereenkomst die ter uitvoering daarvan wordt gesloten, moeten naadloos op elkaar aansluiten, door [eiser] in feitelijke aanleg aangeduid als ‘de eis van synchroniciteit’. [28] Dit zou volgen uit art. 2 lid 1 PSW Pro. Anderzijds betoogt het middel dat de volledigheid van die uitvoering eigenlijk niet ter zake doet: ook als pensioenovereenkomst en verzekeringsovereenkomst niet naadloos op elkaar aansluiten, zou de werknemer namelijk nog steeds op grond van art. 2 lid 1 PSW Pro voor de gehele pensioentoezegging kunnen aankloppen bij de pensioenverzekeraar.
de werkgevermoet doen om ervoor te zorgen dat een pensioentoezegging wordt uitgevoerd. Een pensioentoezegging is een arbeidsvoorwaarde. [29] Het laten uitvoeren daarvan door een derde leidt ertoe dat de werknemer tegenover de werkgever geen aanspraak meer heeft op de uitkering van de toegezegde pensioenen. De keerzijde daarvan is dat bij een onvolledige uitvoering de werkgever
nietalle verplichtingen onder de pensioentoezegging heeft overgedragen en nog steeds op nakoming daarvan kan worden aangesproken. Het is om deze reden dat de uitvoering volledig moet zijn en de pensioenovereenkomst en verzekeringsovereenkomst op elkaar aan moeten sluiten. Daarom spreekt art. 2 lid 1 PSW Pro ook enkel over verplichtingen voor de
werkgeverom de pensioentoezegging uit te laten voeren door een derde. Zelfs als de uitvoering geschiedt aan de hand van een C-polis die door de werknemer wordt gesloten, is de werkgever nog steeds gehouden erop toe te zien dat de werknemer die C-polis ook daadwerkelijk afsluit, en dient hij de werknemer daartoe in staat te stellen. Doet de werkgever dat niet, dan heeft hij niet aan al zijn verplichting tot uitvoering van de pensioentoezegging voldaan. [30]
inhoudvan de pensioentoezegging wél van belang is, voorbij is gegaan.
beoogde’pensioenen op eindloonniveau. Als de beoogde pensioenen volledig verzekerd zouden zijn in die zin dat een gegarandeerde eindloonregeling is toegekend, dan is er niets meer dat (slechts) wordt ‘beoogd’. Dat de term “volledige verzekering” duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar is kan zo zijn, maar dit staat los van de vraag wát dan volledig is verzekerd of wanneer een verzekering volledig is. Ook de kapitaaltoezegging onder een streefregeling kan “volledig verzekerd” zijn, zoals hier.
eerste plaatsis het oordeel onbegrijpelijk omdat [eiser] niet over die kennis beschikte. In de
tweede plaatsis het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door dergelijke kennis wel tot uitgangspunt te nemen. Mede in het licht van het aangevoerde bij onderdeel 1A klaagt het onderdeel in de
derde plaatsdat onjuist, dan wel onbegrijpelijk, is dat het in de polis opgenomen voorbehoud voor het hof de doorslag heeft gegeven bij de uitleg van de pensioenregeling. [34]
omdathij over specialistische kennis zou beschikken. De eerste twee klachten falen aldus reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
wijziging van de polis in 2009. De strekking van die stellingen is overigens dat het hebben van specialistische kennis
nietrelevant is voor de vraag of [eiser] geacht kon worden akkoord te zijn gegaan met de wijziging. [36]
zestal motiveringsklachten, die ik gemakshalve van een nummer voorzie. 1) Om te beginnen is het hierboven onderstreepte oordeel dat Achmea zou hebben aangevoerd dat [eiser] door assurantietussenpersoon Rabobank voldoende is voorgelicht, onbegrijpelijk omdat dit niet uit de stellingen van Achmea kan worden afgeleid. 2) Achmea heeft ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] niet “
zijn pensioenovereenkomst flankerende uitdrukkelijke informatie” heeft ontvangen. 3) Voorts bevat rov. 4.6 geen begrijpelijke motivering van het oordeel dat de omstandigheid dat [eiser] niet is voorgelicht, niet relevant is voor de uitleg van de pensioenaanspraken van [eiser] . 4) In het verlengde hiervan klaagt het middel dat de overweging aan het slot van rov. 4.6 dat van onvoldoende nader toegelichte stellingen geen sprake is, niet in stand kan blijven. 5) Tevens is onbegrijpelijk de overweging dat het er in 1991 op leek dat voor [eiser] een goede pensioenregeling was getroffen (aangezien 7% op dat moment een prudente rente was) en dat dit in lijn was met wat [eiser] heeft verklaard. 6) Daarnaast klaagt het middel dat de vraag of 7% een prudente rente was niet van belang is voor de vraag of [eiser] voldoende is voorgelicht. Tot slot bevat het onderdeel een voortbouwklacht.
klachten 1) - 4)over de voorlichting aan [eiser] . Uit de gedingstukken kan ik niet afleiden wat de betekenis zou zijn van de gestelde gebrekkige voorlichting voor de vorderingen van [eiser] . In nrs. 56-57 van de memorie van antwoord, waarop het hof in rov. 4.6 lijkt te responderen, voert [eiser] aan dat hij niet akkoord is gegaan met een fixatie van de rekenrente van 7% en dat hij aanvullende informatie had moeten krijgen over de gevolgen voor zijn pensioen van het accepteren van een gefixeerde rekenrente. [37] Ik stel echter vast dat [eiser] niet heeft getracht, in verband met de (gestelde) gebrekkige voorlichting, de rechtsgeldigheid van de in 1991 gemaakte pensioenafspraken aan te tasten, maar slechts de wijziging daarvan in 2009. Voorts heeft hij Rabobank niet wegens gebrekkige voorlichting aansprakelijk gesteld. Evenmin tracht [eiser] een tekortkoming in de voorlichting door Rabobank toe te rekenen aan Achmea.
omdatRabobank zou hebben nagelaten hem in te lichten over het voorbehoud en de fixatie van de rekenrente, en de gevolgen daarvan. Bovendien is de stelling van [eiser] enkel dat hij over het voorbehoud niet of onvoldoende is ingelicht; hij stelt niet dat Rabobank hem heeft verteld dat hij een gegarandeerde eindloonregeling zou krijgen. Het belang van [eiser] bij zijn klachten over de voorlichting ontgaat mij dan ook.
klachten 5) - 6)falen evenzeer. De vijfde klacht faalt omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof overweegt dat [eiser] tijdens de zitting heeft gezegd dat hij dacht een goede regeling te hebben. Vervolgens overweegt het hof dat “[a]angezien 7% op dat moment een prudente rente was, leek het er toen ook op dat er een goede pensioenregeling voor [eiser] was getroffen, hetgeen in overeenstemming is met wat [eiser] heeft verklaard”. Deze overweging moet zo begrepen worden dat het hof daarin refereert aan het feit dat [eiser] heeft verklaard dat hij dacht een goede regeling te hebben, en niet dat hij zou hebben verklaard dat dat 7% een prudente rente was of dat hij meende dat hij een goede regeling had
omdatde rente 7% was. Dat [eiser] zou hebben gemeend dat hij een goede regeling had omdat hij ervan uitging dat hij een gegarandeerde eindloonregeling had, valt niet op te maken uit het proces-verbaal. Daarin verklaart hij enkel dat hij dacht een goede regeling te hebben zonder verder toe te lichten warrom.