Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen.
[verdachte] (geb, [geboortedatum ] 1990)in welke zaak de Politierechter d.d. 18 april 2018 vonnis heeft gewezen en tegen welk vonnis namens cliënt hoger beroep werd ingesteld d.d. 26 april 2018, worden de navolgende grieven tegen het vonnis aangevoerd.
BFK: ik begrijp de advocaat-generaal) deelt, gevraagd naar haar standpunt, mede:
- het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] wordt
toegewezen, nu het horen van deze getuige, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, in het belang van de verdediging wordt geacht;
afgewezen, gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan dit verzoek ten grondslag is gelegd en hetgeen de verdachte vandaag heeft verklaard. De verdachte wordt hierdoor niet in het verdedigingsbelang geschaad, omdat het horen van deze getuige redelijkerwijs niet van belang zal zijn voor enige in deze strafzaak door bet hof op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing;
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum ] 1992 en wonende aan de [a-straat 1] [plaats] (Italië);
geschorst voor onbepaalde tijd, met bevel tot oproeping van de verdachte – met uitdrukkelijke instemming van de raadsman mede op diens kantooradres –, de raadsman en een
tolkin de
Mandarijnse taaltegen de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzitting.’
- een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam in deze zaak van 13 september 2019;
NJ2013/143 m.nt. Reijntjes (onder
NJ2013/144) voorlag, was pas in de aanvulling op een voorwaardelijk getuigenverzoek beslist. Uw Raad overwoog dat een klacht ‘die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat deze beslissing ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling is opgenomen, hoewel op zichzelf gegrond’, niet tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. De verdachte heeft daarbij onvoldoende in rechte te respecteren belang nu hij ‘de juistheid en begrijpelijkheid van de beslissing op het voorwaardelijk getuigenverzoek in volle omvang’ aan Uw Raad kan voorleggen. [4] Aan de omstandigheid dat de aanvulling slechts door één van de rechters is ondertekend (art. 365b Sv) heeft Uw Raad daarbij kennelijk geen bijzondere betekenis gehecht.
tweedemiddel behelst de klacht dat de raadsman op de terechtzitting van 30 oktober 2020 naast het primaire verweer leidend tot vrijspraak een subsidiair verweer inhoudende afwezigheid van verwijtbaarheid (schuld) heeft gevoerd dat volgens de raadsman diende te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Op dat verweer zou het hof niet hebben gerespondeerd.