Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen. De klacht richtte zich onder meer tegen de vervanging van een bewijsoverweging in de aanvulling op het verkorte arrest, hetgeen volgens de Hoge Raad geen reden tot vernietiging oplevert omdat de verdachte de beoordeling van het hof in volle omvang aan de Hoge Raad kan voorleggen.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat betrekking had op de vervanging van de bewijsoverweging niet tot cassatie kon leiden. Daarnaast werd geoordeeld dat het beroep geen rechtsvragen bevatte die beantwoording in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden door het te laat aanleveren van stukken door het hof. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 51 naar 48 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 februari 2014.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 51 naar 48 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.