Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
de geldlening). In deze overeenkomst heeft [verweerder] verklaard een bedrag van € 100.000,- ter leen te hebben ontvangen van [eiseres] en is bepaald dat [verweerder] over het geleende bedrag een rente van 4% per jaar is verschuldigd.
“dat de geldlening thans opeisbaar is”.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
“Opposant erkent overigens het bestaan van de geldlening conform overeenkomst zoals overgelegd bij productie 2 van geopposeerde, evenals dat hij erkent dat van de oorspronkelijke hoofdsom van die lening, destijds € 100.000,00, door tussentijdse aflossing van € 18.000,00, thans nog € 82.000,00 resteert.”Daarmee heeft [verweerder] de restantvordering inderdaad uitdrukkelijk erkend in de zin van art. 154 lid 1 Rv Pro.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] / […] [11] bevestigd dat van een gerechtelijke erkentenis onder invloed van dwaling als bedoeld in art. 154 lid 2 Rv Pro sprake is wanneer men door een misverstand tot een erkentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben. In dat arrest heeft de Hoge Raad tevens beslist dat herroeping van
bewustonjuiste verklaringen op grond van dwaling is uitgesloten. Dit geldt ook als een advocaat de betreffende verklaring buiten medeweten en tegen de zin van zijn cliënt heeft afgelegd. [12]
onderdeel 1mijns inziens faalt.
subonderdeel 2.1heeft het hof miskend dat een aanwijzing in de zin van art. 6:43 lid 1 BW Pro op grond van art. 3:37 lid 1 BW Pro in beginsel in iedere vorm kan geschieden en dus ook in gedragingen van de schuldenaar besloten kan liggen. Gewezen wordt op de opmerking in de wetsgeschiedenis van art. 6:43 BW Pro dat niet is uitgesloten dat de imputatieverklaring van de schuldenaar stilzwijgend geschiedt, bijvoorbeeld doordat hij niet protesteert tegen een kwitantie waarin de schuldeiser vermeldt welke van de schulden is gekweten. [16] In de rechtspraak [17] en de literatuur [18] staat, zo vervolgt het subonderdeel, ook niet ter discussie dat een aanwijzing in de zin van art. 6:43 lid 1 BW Pro kan worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. Volgens het subonderdeel hadden de omstandigheden van dit geval, die worden vermeld in subonderdelen 2.2 en 2.3, het hof tot het oordeel moeten brengen dat [verweerder] er stilzwijgend mee instemde dat het bedrag van € 56.482,75 niet in mindering werd gebracht op de geldleningsovereenkomst, maar (onder meer) op de schuld uit de rekening-courant.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 180, eerste alinea) staat onder meer het volgende:
schuldenaareen van art. 6:44 lid 2 BW Pro [bedoeld zal zijn art. 6:43 lid 2 BW Pro, A-G] afwijkende imputatie aangeeft welke de schuldeiser niet afwijst, of dat de
schuldeiserin zijn kwitantie verklaart dat de betaling wordt toegerekend op een andere schuld dan door art. 6:43 lid 2 BW Pro aangewezen, en de schuldenaar daartegen niet protesteert.”
Nakoming(Mon. BW nr. B32a) 2016/24 (blz. 72):
sub-subonderdeel 2.2.1heeft [eiseres] gesteld dat [verweerder] niet heeft geprotesteerd tegen brieven van na 24 augustus 2010 waaruit blijkt dat de schuld uit de geldleningsovereenkomst nog steeds € 100.000,- is (augustus 2010 t/m januari 2014), althans ongeveer € 90.000,- is (augustus/september 2014). [21] Deze stelling zou zijn onderbouwd met een verwijzing naar brieven van 30 augustus 2010, [22] 27 januari 2012, [23] 17 januari 2014, [24] 13 augustus 2014 [25] en 19 september 2014. [26] Volgens het sub-subonderdeel is de stelling niet anders te verstaan dan dat [eiseres] in de periode van 2010 t/m 2014 erop mocht vertrouwen dat [verweerder] ermee instemde dat het bedrag van € 56.482,75 niet in mindering werd gebracht op de schuld uit de geldleningsovereenkomst, maar op (onder meer) de schuld uit de rekening-courant.
producties 9, 11, 12 en 14 bij akte d.d. 9 oktober 2018) en heeft zij nog enkele keren via derden zowel schriftelijk als mondeling [verweerder] gesommeerd tot betaling over te gaan, te weten op 27 januari 2012, 17 januari 2014, op 13 augustus 2014, 19 september 2014 en op 12 mei 2017 (
producties 13, 15, 16 en 17 bij akte d.d. 9 oktober 2018 en productie 4 bij dagvaarding).”
“om de door u verschuldigd gebleven hoofdsom ad € 82.000”binnen drie weken te betalen. [29] In dat kader wordt erop gewezen dat [verweerder] bij brief van 27 augustus 2017 wel de tijdige ontvangst van de brief van 12 mei 2017 betwist, maar niet bestrijdt dat de schuld uit de overeenkomst van geldlening nog € 82.000,- bedroeg. [30] Volgens het sub-subonderdeel laten de brief van 12 mei 2017 en [verweerder] daarop volgende gerechtelijke erkentenis [31] zich niet anders verstaan dan dat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat [verweerder] ermee had ingestemd dat het bedrag van € 56.482,75 niet in mindering werd gebracht op de schuld uit de geldleningsovereenkomst, maar op (onder meer) de schuld uit de rekening-courant. Dat de gerechtelijke erkentenis later is herroepen, zou onverlet laten dat deze erkentenis [eiseres] vertrouwen rechtvaardigde.
“aangezien eiseres die overeenkomst van geldlening bij aangetekend schrijven van 12 mei 2017 aan gedaagde heeft doen opzeggen (vide prod. 4);”Voor wat betreft de brief van 27 augustus 2017 wordt slechts verwezen naar een paragraaf uit de Verzetdagvaarding van [verweerder] . Er is dus geen feitelijke grondslag in de gedingstukken voor het standpunt dat [eiseres] vertrouwen zou kunnen ontlenen aan de brieven van 12 mei 2017 en 27 augustus 2017. Voor het betoog dat [eiseres] vertrouwen kon ontlenen aan de gerechtelijke erkentenis wordt in het geheel niet verwezen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties. [eiseres] kon ook niet zonder meer gerechtvaardigd vertrouwen aan die gerechtelijke erkentenis ontlenen nu [verweerder] de erkentenis heeft herroepen en naar het oordeel van het hof aannemelijk is dat de erkentenis door een dwaling is afgelegd (rov. 4.5).
aanvulling op het cassatieberoepbevat nog een toevoeging op de sub-subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 (aanvullend middel van cassatie, randnummer 3 onder a). Deze aanvullende klacht refereert aan de volgende opmerking van de advocaat van [eiseres] die is opgenomen in het P-V van de (pleit)zitting van 24 maart 2021:
“nadat de betalingen zijn gedaan wordt er alsnog gesproken over de vorderingen die staan in productie 13 tot en met 17.” [32] Volgens de aanvullende klacht betreffen deze vorderingen de in de (als producties 13-17 overgelegde) brieven vermelde schuld uit de geldlening van € 100.000,- (augustus 2010 t/m januari 2014), althans ongeveer € 90.000,- (augustus/september 2014), zodat deze brieven, waartegen [verweerder] (dus) niet heeft geprotesteerd, geen andere conclusie toelaten, dan dat het bedrag van € 56.482,75 niet in mindering was gebracht op de schuld uit de geldleningsovereenkomst.
aanvulling op het cassatieberoepbevat nog een toevoeging op sub-subonderdeel 2.3.1 (aanvullend middel van cassatie, randnummer 3 onder b). De aanvullende klacht wijst erop dat uit het P-V van de (pleit)zitting in hoger beroep het volgende blijkt. De advocaat van [eiseres] heeft aan het hof gevraagd om [verweerder] jaarrapport van 2016 erbij te pakken, omdat op blz. 7 en 10 is vermeld dat [verweerder] aan [eiseres] uit hoofde van een lening een schuld heeft van € 82.000,- en dat [verweerder] in 2016 geen aflossingen heeft gedaan op deze schuld. [34] Op basis van dit jaarrapport heeft de advocaat van [eiseres] opgemerkt:
“ [verweerder] was dus ook van mening dat die € 58.000 niet in mindering is gebracht op die € 100.000.” [35] Op een verklaring van [verweerder] dat uit de stukken van de deurwaarder zou blijken dat er is afgelost, [36] heeft de advocaat van [eiseres] geantwoord dat deze verklaring ongeloofwaardig is omdat [verweerder] de schuld uit de geldleningsovereenkomst in 2016 nog had opgenomen in zijn jaarrapport. [37]
aanvulling op het cassatieberoepvoegt nog het volgende aan sub-subonderdeel 2.3.2 toe (aanvullend middel van cassatie, randnummer 3 onder c). Uit het P-V van de (pleit)zitting in hoger beroep blijkt dat de voorzitter wat betreft de rentebetalingen van [verweerder] het volgende heeft geconstateerd:
“het is lastig om te begrijpen dat u 9 jaar lang rente hebt betaald.” [40] Volgens de aanvullende klacht heeft de voorzitter daarmee tot uitdrukking gebracht dat de stelling van [verweerder] dat hij zijn schuld uit de geldleningsovereenkomst met de betaling van € 56.482,75 volledig heeft afgelost, zich moeilijk laat rijmen met het feit dat [verweerder] na 2010 nog negen jaar lang rente is blijven betalen over de schuld uit de geldleningsovereenkomst. Verder wijst de aanvullende klacht op de constatering van de advocaat van [eiseres] dat ook in het als productie 6 bij MvA door [verweerder] overgelegde rekeningafschrift steeds wordt uitgegaan van
“rente over 82.000”. [41] Bovendien is volgens de aanvulling op het cassatiemiddel (randnummer 4) veelzeggend dat [verweerder] op de door raadsheer Melissen gestelde vraag
“Wat dacht u af te lossen in 2010?”niet heeft geantwoord dat hij dacht de schuld uit de geldleningsovereenkomst zou aflossen, maar in plaats daarvan heeft volstaan met het antwoord:
“het was voor mij moeilijk leesbaar en ik moest dat betalen en toen heb ik dat maar betaald.” [42]
onderdeel 2en de
aanvulling op het cassatieberoepmijns inziens geen doel.
onderdeel 3vergeefs is voorgesteld.
“Overzicht rekening-courant betalingen”waaruit blijkt dat deze betalingen volgens [verweerder] in mindering zijn gebracht op de schuld uit de rekening-courant. [53] Als het hof de stellingen van [verweerder] anders heeft uitgelegd, bijvoorbeeld met zijn oordeel in de eerste zin van rov. 4.9, dan is die uitleg onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
vide productie 5).
vide productie 6).
vide productie 7).”
Subonderdeel 4.1faalt.
“ [verweerder] heeft betoogd dat op 10 februari 2010 nog een bedrag van € 60.773,- van de geldlening openstond. Hij verwijst daartoe naar een brief van 10 februari 2010 van het administratiekantoor van [eiseres] en de op 19 februari 2010 aan hem betekende in executoriale vorm uitgegeven grosse van de hypotheekakte van 27 november 2009.”Het hof heeft deze stelling echter – in het licht van door [eiseres] overgelegde producties en het ontbreken van een verdere toelichting over de gestelde aflossing van (bijna) € 40.000,- door [verweerder] – niet gevolgd (rov. 4.7). Deze waardering is voorbehouden aan het hof als feitenrechter.
rov. 3.4onvolledig is. Dit zou zowel gelden voor de vaststelling dat [de gerechtsdeurwaarder] in opdracht van [eiseres] de grosse van de hypotheekakte van 27 november 2009 aan [verweerder] heeft betekend als voor de vaststelling dat [verweerder] € 62.950,66 aan de deurwaarder heeft voldaan. Aangevoerd wordt dat de deurwaarder tevens bevel heeft gedaan aan [verweerder] om voor de door de deurwaarder vastgestelde hoofdsom inzake de geldlening € 60.773,- onder vermelding van dossiernummer [001] te betalen (Productie 4 bij MvA, p. 2). Verder wordt betoogd dat uit het door [verweerder] overgelegde bankafschrift (Productie 5 bij MvA) blijkt dat [verweerder] dit bedrag op 29 juli 2010 heeft betaald onder verwijzing naar het door de deurwaarder gehanteerde dossiernummer [001] . Hieruit zou volgen dat [verweerder] het door de deurwaarder vastgestelde restant van de geldlening heeft willen voldoen en dat [verweerder] een aanwijzing in de zin van art. 6:43 BW Pro heeft gegeven.
randnummers 1.5-1.9zijn onjuist of onbegrijpelijk de vaststellingen van het hof:
rov. 4.6:
“ [verweerder] heeft betoogd dat op 10 februari 2010 nog een bedrag van € 60.773,- van de geldlening openstond. Hij verwijst daartoe naar een brief van 10 februari 2010 van het administratiekantoor van [eiseres] en de op 19 februari 2010 aan hem betekende in executoriale vorm uitgegeven grosse van de hypotheekakte van 27 november 2009.”Deze vaststelling zou onvolledig zijn. Daartoe herhaalt [verweerder] uitsluitend de hiervoor in 4.64 vermelde stellingen. Deze randnummers bevatten, als ik het goed zie, geen nadere klachten of argumenten met zelfstandige betekenis.
rov. 4.7. Het hof zou ten onrechte hebben gemeend dat de bewijslast met betrekking tot de aflossing van € 40.000,- op [verweerder] rustte en/of dat op [verweerder] de processuele plicht rustte om inzichtelijk te maken op welk moment hij welke bedragen voor februari 2010 had afgelost. Daartoe wordt aangevoerd dat de door [eiseres] ingeschakelde deurwaarder in een exploot heeft vastgelegd dat het restant van de geldlening op 19 februari 2010 € 60.773,- bedroeg en dat dit exploot op grond van art. 151, 156 en 157 Rv dwingend bewijs oplevert van het restant van het verschuldigde. Volgens [verweerder] had het hof van de juistheid van deze constatering van de deurwaarder moeten uitgaan.
rov. 4.9. Aangevoerd wordt dat het hof er niet vanuit had mogen gaan dat [verweerder] op 1 januari 2010 uit hoofde van de geldlening € 100.000,- verschuldigd was en dat het hof niet had mogen oordelen dat [verweerder] per 1 januari 2020 uit hoofde van de geldlening nog € 3.708,- verschuldigd was. [verweerder] wijst erop dat hij met betrekking tot de betalingen in de periode van 1 augustus 2010 tot 31 december 2019 (in totaal een bedrag van € 50.866,67) in paragraaf 18 van de Memorie van Antwoord naar voren heeft gebracht:
rov. 4.10en de daarop gebaseerde beslissing in het
dictum onder 4op grond van het vorenstaande niet in stand kunnen blijven. Dit randnummer heeft uitsluitend een voortbouwend karakter en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.