Conclusie
Het middel en de bespreking daarvan
Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat ingevolge artikel 6 EVRM Pro en de jurisprudentie van het EHRM, de rechtspleging zo ingericht dient te worden dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld. In dit geval duurt de procedure in hoger beroep en bezien als geheel dusdanig lang dat sprake is van een dermate forse overschrijding van de redelijke termijn die heeft geleid tot dusdanige onrechtmatige gevolgen voor de verdachte dat niet volstaan kan worden met het compenseren van de verdachte enkel door strafvermindering, maar alleen de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie een passende sanctie is.
A-G: ik begrijp 29 september 2011) hoger beroep ingesteld.
In hoger beroep vonden de volgende zittingen plaats:
- 8 november 2012 (regie): Het hof heeft verzoeken van de verdediging tot het horen van de medeverdachten als getuigen toegewezen en daarnaast nog het horen van 4 getuigen. De zaak is daartoe verwezen naar de raadsheer-commissaris.
(a) de ingewikkeldheid van de zaak;
(b) de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en;
(c) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Als aanvangsmoment van de vervolgingstermijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro heeft te gelden het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend - en in redelijkheid ook heeft kunnen ontlenen - dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.
op dat momentgeen aanleiding ziet voor aanpassing van de in het arrest van 17 juni 2008 verfijnde en aangescherpte vuistregels betreffende overschrijding van de redelijke termijn. [3]
NJ2008/358, m.nt. Mevis geformuleerde uitgangspunten en regels houden alleen verband met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en gelden dus niet voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten. [7]
NJ2017/51, m.nt. Kooijmans onderscheidt de Hoge Raad drie situaties waarin de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging in het vizier komt, namelijk: (i) in wettelijk geregelde gevallen, (ii) in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en (iii) daarbuiten in uitzonderlijke gevallen bij een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro.
NJ2021/169, m.nt. Jörg (rov. 2.5.1), het arrest waarin de Hoge Raad enkele maatstaven omtrent de toepassing van art. 359a Sv nuanceerde en bijstelde. [8] De overwegingen van de Hoge Raad luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
Niet-ontvankelijkverklaring
NJ2017/51, m.nt. Kooijmans met betrekking tot een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt (hierboven in randnummer 8 met iii aangeduid). De Hoge Raad overweegt met betrekking tot déze situatie dat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking komt, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. In dat geval geldt eveneens de eis dat het moet gaan om een onherstelbare inbreuk die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. En ook hier verlangt de Hoge Raad dat “die inbreuk het verstrekkende oordeel [moet] kunnen dragen – in de bewoordingen van het EHRM – dat ‘the proceedings
as a wholewere not fair’”. [9] Voorts zegt de Hoge Raad in dit arrest van 13 september 2016:
NJ2017/51, m.nt. Kooijmans, en met name van de slotzin van rechtsoverweging 2.3.4 (“Dat is niet anders indien het tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en de waardering van het bewijsmateriaal.”), denk ik dat in een geval als het onderhavige, waarin de vergaring of waardering van het bewijsmateriaal niet meer in volle omvang mogelijk is vanwege het grote tijdsverloop en waardoor het niet (meer) mogelijk is noodzakelijk geachte feiten vast te stellen, een ander rechtsgevolg meer voor de hand ligt dan een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, te weten (integrale) vrijspraak.
Slotsom