Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, die het OM niet-ontvankelijk had verklaard wegens overschrijding van de redelijke vervolgingstermijn. De zaak betreft een verdenking van bezit van kinderpornografisch materiaal, waarbij het aanvangsmoment van de vervolgingstermijn werd vastgesteld op 31 oktober 2007, de datum van de doorzoeking van de woning van verdachte.
De rechtbank had geoordeeld dat de vervolgingstermijn van ruim zes jaar ernstig was overschreden en verklaarde het OM niet-ontvankelijk. Het hof stelde echter vast dat ondanks deze ernstige overschrijding, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, niet automatisch niet-ontvankelijkheid volgt. Het hof oordeelde dat de overschrijding niet gerechtvaardigd was door ingewikkeldheid van de zaak, invloed van de verdediging of bijzondere omstandigheden aan de zijde van justitie.
Verdachte had verklaard dat de lange duur van de procedure hem schade had berokkend, zoals verlies van werk en persoonlijke spanningen, maar het hof vond deze gevolgen onvoldoende zwaarwegend om niet-ontvankelijkheid te rechtvaardigen. Het hof vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het OM ontvankelijk, waarna het onderzoek werd heropend voor verdere behandeling van de zaak.