ECLI:NL:PHR:2022:243

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
15 maart 2022
Zaaknummer
20/03437
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 82 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest medeplegen zware mishandeling wegens onvoldoende motivering zwaar lichamelijk letsel

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling met als gevolg een gebroken oogkas en kaakholte bij het slachtoffer. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer en getuigen, medische rapporten en politieprocessen-verbaal.

De verdachte stelde cassatie in met het middel dat de bewezenverklaring van zwaar lichamelijk letsel onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het letsel als zwaar lichamelijk letsel moest worden aangemerkt, omdat niet was vastgesteld of er medisch ingrijpen nodig was geweest en wat het uitzicht op herstel was.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat fracturen niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel gelden zonder nadere vaststellingen over medisch ingrijpen en herstel. Omdat het hof hierover geen specifieke overwegingen had opgenomen, was de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en wees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekte tot vernietiging en terugwijzing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het zwaar lichamelijk letsel en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03437
Zitting22 maart 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens primair “medeplegen van zware mishandeling”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet behoorlijke verrichting te vervangen door 120 dagen hechtenis.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het door het hof bewezenverklaarde ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij, op 02 november 2016 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas (doorlopend naar de voorzijde van de schedel) en een breuk van de kaakholte, heeft toegebracht door die [aangever] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht te schoppen/trappen”.
2.3.
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van politie, eenheid-Rotterdam, nummer PL1700-2016357784-1 (pagina's 3 t/m 7 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700-2016357784), inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
Ik ben op 2 november 2016 mishandeld door [verdachte] . Hij kwam met de auto achter mij aan.
Zijn vriendin was erbij. [verdachte] haalde mij in. We kwamen elkaar op de [a-straat] tegen. Hij stapte uit de auto en sloeg mij in elkaar.
2. Een geschrift, bevattende medische informatie/letselbeschrijving betreffende [aangever] van 28 december 2016, opgemaakt door de arts [betrokkene 1] (pagina 10 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700-2016357784), inhoudende:
Letselbeschrijving en conclusie
S= vermelde gegevens, O= objectieve bevindingen, E= bijkomende gegevens, P= geschatte genezingsduur
Anamnese en onderzoek:
Datum SOEP Omschrijving
(cijfer onleesbaar door perforatie)8-12-2016 S Informatie ontvangen van neuroloog [betrokkene 2] ziekenhuis over behandeling aldaar op de spoedeisende hulp op 02-11-2016.
O Er was een grote bloeduitstorting rondom het rechter oog en op het voorhoofd naar rechts onder. Geen hersenvocht uit de oren. CT-scan van het hoofd toonde een bloeding onder de schedel links aan de voor- en zijkant. Tevens een breuk van de oogkas doorlopend naar de voorzijde van de schedel. Er was ook een breuk van de kaakholte rechts.
E Opname op afdeling neurologie. Betrokkene kon op 04-11-2016 ontslagen worden en kreeg een controle afspraak. Is niet op controle verschenen.
P Tenminste 6 weken.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2016357784-3 (pagina's 43 t/m 45 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700-2016357784), inhoudende als relaas van de verbalisanten:
Op 2 november 2016 kregen wij het verzoek te gaan naar de [a-straat] te Dordrecht. Wij zagen ter plaatse de voor ons bekende [aangever] op de grond liggen.
Bij het incident op de [a-straat] Boven zag ik vier mensen staan. Ik hoorde deze mensen zeggen dat zij getuigen zijn geweest van de mishandeling. Hierop hebben wij ieder 2 getuigen apart genomen en hun verhaal aangehoord.
Ik hoorde het verhaal aan van een man die op gaf te zijn [betrokkene 3] . Ik hoorde hem zeggen dat hij in zijn auto reed over de [a-straat] Beneden. Toen hij bij het viaduct van de [brug] brug reed zag hij aan de linkerzijde op de dijk, [a-straat] Boven, een auto stoppen en dat er 2 personen uit de auto stapten. Ik hoorde [betrokkene 3] zeggen dat deze 2 personen een andere man op een fiets aanvielen. Dat aanvallen bestond uit slaan en schoppen tegen een andere persoon.
Ik hoorde een vrouw die opgaf te zijn [betrokkene 4] . Zij zag dat er een manspersoon werd aangevallen door 2 andere personen welke uit een auto kwamen. Deze auto stond op de [a-straat] Boven.
Ik hoorde getuige zeggen dat de 2 personen als beesten op de andere man insloegen en schopten. Ook verklaarde zij dat de man die belaagd werd meerdere malen tegen zijn hoofd geschopt is.
4. Het proces-verbaal van politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2016357784-2 (pagina’s 11 t/m 12 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700-2016357784), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Ik stapte op 2 november 2016 de voordeur van mijn woning aan de [a-straat] uit. Ik had gezien dat de mij bekende (zwerver) man (en u zegt dat hij [aangever] heet) op de [a-straat] fietste. Ik zag een zwarte Ford oprijden, achter de u genoemde [aangever] aan.
5. Het proces-verbaal van politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700-2016357784-16 (pagina's 13 t/m 21 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700- 201 6357784), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :
Op 2 november 2016 was ik in mijn woning op de [b-straat 1] te Dordrecht. Ik was daar met [verdachte] .
Op het moment dat we in de auto, een zwarte Ford Focus, waren gestapt en weg wilde rijden, verscheen [aangever] voor onze auto. Op dat moment gooide [aangever] zijn fiets op de motorkap van de auto van [verdachte] . [aangever] is op een gegeven moment keihard weg gefietst.
[verdachte] wilde verhaal gaan halen. [verdachte] is achter [aangever] aangereden. Op de [a-straat] , onder aan de brug kwamen we [aangever] tegen. [verdachte] zette toen zijn auto aan de kant, stapte uit en vroeg aan [aangever] waarom hij dit allemaal deed. Ik ben ook uitgestapt om te kijken wat er aan de hand was. Er ontstond een worsteling. Het was duwen en trekken. Wel werd er geschopt.
6. Het proces-verbaal van bevindingen van politie, eenheid Rotterdam, nummer PL 1700-2016357784-14 (pagina’s 55 t/m 56 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier PL1700-2016357784), inhoudende als relaas van de verbalisant:
Op 24 november 2016 kreeg ik verdachte [verdachte] aan de telefoon. Ik hoorde hem zeggen dat [aangever] bij hem aan de deur was geweest en dat hij zich raar gedroeg.
[verdachte] wilde hem niet binnen laten. Toen hij [aangever] de deur gewezen had, draaide [aangever] helemaal door. [aangever] begon met zijn fiets tegen de auto van zijn oom te slaan en te schoppen. Hij is achter [aangever] aangereden met de auto tot onder de brug. Zijn vriendin [getuige 2] was daarbij. Toen [aangever] op de grond lag zijn ze weggereden.”
2.4.
Het hof heeft in het bestreden arrest geen specifieke bewijsoverwegingen opgenomen met betrekking tot het zwaar lichamelijk letsel. Wel heeft het hof onder het kopje “Strafmotivering” het volgende overwogen over het letsel van het slachtoffer:
“De verdachte is in zijn auto achter het slachtoffer aangereden, nadat zij kort daarvoor onenigheid met elkaar hadden gehad. Hij heeft samen met iemand anders de confrontatie met het slachtoffer gezocht en daarbij grof fysiek geweld gebruikt, waarbij het slachtoffer, naast een grote bloeduitstorting rondom zijn rechter oog en op het voorhoofd, een gebroken oogkas, met een breuk doorlopend naar de voorzijde van de schedel, en een gebroken kaak heeft opgelopen. Uit de CT-scan van het hoofd bleek ook dat zich een bloeding onder de schedel bevond. Het slachtoffer is na deze enorme uitbarsting van geweld hulpeloos op straat achtergelaten. Door dit geweld is een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft ernstige verwondingen opgelopen, waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden behandeld.”
2.5.
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in art. 302 lid 1 Sr Pro. Dit artikel luidt:
“1. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.6.
De beantwoording van de vraag wat onder ‘zwaar lichamelijk letsel’ is te verstaan, wordt in beginsel overgelaten aan de rechtspraktijk. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie van zwaar lichamelijk letsel, maar art. 82 Sr Pro bevat wel een niet-limitatieve opsomming van gevallen die in elk geval als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Daaronder worden in ieder geval begrepen: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw” en “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”.
2.7.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 december 2020 [1] het volgende overwogen over de beantwoording van de vraag of buiten de gevallen die genoemd worden in art. 82 Sr Pro sprake kan zijn van zwaar lichamelijk letsel:
“2.3. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Een veelvoorkomende categorie letsel betreft (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Indien uit de bewijsvoering niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie. (Vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.)”
2.8.
Verder heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 3 juli 2018 over zwaar lichamelijk letsel [2] onder meer het volgende overwogen:
“2.3. In lijn met de wetsgeschiedenis is in de rechtspraak van de Hoge Raad vooropgesteld dat art. 82 Sr Pro de rechter de vrijheid laat om ook buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan bezwaarlijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt. (…).
2.7. Een ander mogelijk gezichtspunt betreft het uitzicht op herstel. Daarbij geldt – ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Daarom is bijvoorbeeld de enkele vaststelling dat sprake is van een (al dan niet zware) hersenschudding, niet toereikend voor de kwalificatie "zwaar lichamelijk letsel"; daarvoor zijn nadere vaststellingen noodzakelijk (vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:89).
In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.
2.8. De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is buiten de hiervoor onder 2.2 aangeduide gevallen in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.”
2.9.
Uit de bovenstaande overwegingen blijkt dat de feitenrechter, buiten de in de wet genoemde gevallen, de mogelijkheid heeft om een letsel als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren als dat letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bovendien kan het oordeel van de feitenrechter dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel slechts in beperkte mate worden getoetst. De cassatierechter zal slechts ingrijpen als uit de bestreden beslissing onvoldoende blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
2.10.
Het hof heeft in onderhavige zaak vastgesteld dat het slachtoffer ten gevolge van het meermalen met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht schoppen/trappen een breuk in de oogkas (doorlopend naar de voorzijde van de schedel) en een breuk in de kaakholte heeft bekomen. Dergelijke fracturen leveren, in het licht van de hiervoor aangehaalde arresten, niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel op. Ter vergelijking kan gewezen worden op Hoge Raad 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3454 en Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969. In het eerste arrest ging het om een breuk van het rechterjukbeen, een breuk in het bovenbot van de neus en drie afgebroken tanden alsmede een operatie. Cassatie volgde omdat de gebezigde bewijsmiddelen niets inhielden omtrent de aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In het tweede arrest was sprake van botbreuken in het neusbeen en een botbreuk in een oogkas en een hechting van een wenkbrauw. Ook hier casseerde de Hoge Raad omdat ten aanzien van zowel de botbreuken in het neusbeen als de botbreuk in de oogkas nadere vaststellingen over de noodzaak en de aard van medisch, al dan niet operatief ingrijpen en het uitzicht op herstel ontbraken.
2.11.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in onderhavige zaak kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van medisch (operatief of anderszins) ingrijpen. Uit de bewijsmiddelen volgt evenmin dat het slachtoffer restschade heeft. De geschatte genezingsduur van “tenminste zes weken” zegt onvoldoende over de mogelijkheid en de mate van (volledig) herstel. [3] Verder blijkt uit de bewijsmiddelen niet wat de werkelijke herstelperiode is geweest en in hoeverre tijdens die periode sprake is geweest van pijn en/of fysieke beperkingen.
Al met al is het oordeel van het hof dat zwaar lichamelijk letsel is toegebracht ontoereikend gemotiveerd en de bewezenverklaring daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.12.
Het middel slaagt.

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Gravenhage, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1969, rov. 2.3,
2.Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051,
3.Uit de de feitenrechtspraak kan worden opgemaakt dat zwaar lichamelijk letsel niet zonder meer wordt aangenomen bij botbreuken waarvoor medisch ingrijpen al dan niet noodzakelijk is geweest en waarbij de (geschatte) herstelperiode (om en nabij) zes weken is geweest. Zie bijvoorbeeld rechtbank Haarlem 26 september 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY0799, rechtbank Midden-Nederland 2 april 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ6781, rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:185, rechtbank Rotterdam 10 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11499 en gerechtshof Den Bosch 16 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2459.