CONCLUSIE
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 11 februari 2021 door het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2020 waarbij de verdachte ter zake van ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd’ is ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarnaast heeft de rechtbank de vorderingen van drie benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. T. de Heer, advocaat te Almere, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelkomt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep. Het bevat de klacht dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de grieven die in ‘het initiële appelschrift’ zouden zijn opgenomen en die tevens een dag voor de rolzitting per e-mail zouden zijn herhaald.
4. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoort de ‘Akte instellen hoger beroep’ van 3 november 2020. Bij die akte is een e-mailbericht gevoegd van 3 november 2020, 16.22 uur van mr. T. de Heer gericht aan de Rechtbank Amsterdam met als bijlage ‘Instellen HB Straf.pdf’. Het e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
‘Bijgaand u gelieve aan te treffen het hoger beroepschrift tegen de uitspraak in de zaak met het parketnummer 13-236971-20.’
5. Bij de akte bevindt zich voorts een document, kennelijk de genoemde bijlage, dat – voor zover van belang – het volgende inhoudt:
‘Hierbij doe ik u toekomen een appelschrift tegen de uitspraak van uw rechtbank van 20 oktober 2020.
In de zaak van appellant, [verdachte], te dezer zake domicilie kiezende te Almere aan de Spoordreef 24f (1315 GP) bij Rijkhoff de Heer Advocaten, mr. T. de Heer, met bovengenoemd parketnummer verleen ik u bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep.
- Ik door appellant gevolmachtigd ben tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechter van 20 oktober 2020 (13-236971-20) en cliënt instemt met mijn volmacht aan u;
- Appellant instemt met het door u in ontvangst nemen van de oproeping voor de zitting in hoger beroep;
1. de rechter te Amsterdam op 20 oktober 2020 vonnis heeft gewezen in boven gemelde zaak en daarbij is cliënt ontslagen van alle rechtsvervolging zonder oplegging van straf of maatregel,
echter met toewijzing van de vordering benadeelde partij.
2. Appellant kan zich niet vinden in de toewijzing van de vordering benadeelde partij. Het hoger beroep ziet dan ook
uitsluitendop de toewijzing van de vordering benadeelde partij
Grief 1:Appellant meent dat bij een ontslag van alle rechtsvervolging zonder oplegging van straf of maatregel, geen ruimte is om de vordering benadeelde partij toe te kennen.
Appellant heeft derhalve een rechtens te respecteren belang bij de behandeling van het hoger beroep.’
6. Voorts bevindt zich bij de stukken een brief van de griffier van het Gerechtshof Amsterdam, S. van Arenthals, gericht aan de griffier van de strafkamer van de Hoge Raad van 16 maart 2021. Deze brief houdt het volgende in:
‘Op 11 februari 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest (aantekening mondeling arrest) gewezen (VERSTEK) in de zaak van de verdachte [verdachte] (parketnummer:23-002473-20).
Blijkens de akte rechtsmiddel heeft de raadsman van verdachte, namens de verdachte voornoemd op 24 februari 2021 verklaard beroep in cassatie in te stellen tegen voormeld arrest van 11 februari 2021.
De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard door het gerechtshof Amsterdam, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Na de zitting is het het hof gebleken dat de verdediging wel degelijk een appelschriftuur had ingediend, zodat het hof de verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.’
7. Het hof heeft hierbij een afschrift gevoegd van een e-mailbericht van S. van Arenthals van 11 februari 2021,16.21 uur, gericht aan (onder meer) de raadsheren van de meervoudige kamer die het bestreden arrest hebben gewezen, waarin het daaronder opgenomen e-mailbericht is doorgestuurd. Het betreft een e-mailbericht van 9 februari 2021, 16:41 uur van mr. T. de Heer, gericht aan het Gerechtshof Amsterdam. Dit e-mailbericht houdt in, voor zover van belang:
In de zaak met het parketnummer 23-002473-20, zijn cliënt en ondergetekende uitgenodigd voor een rolzitting op donderdag 11 februari 2021. Echter bij het instellen van het hoger beroep zijn al grieven gegeven. Zie de bijlage bij deze e-mail.
Kortgezegd is het standpunt van de verdediging dat ingevolge artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de benadeelde partij alleen ontvankelijk in de vordering is indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd dan wel in geval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Nu daarvan geen sprake is, had de politierechter in deze de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten verklaren. Cliënt is immers ontslagen van alle rechtsvervolging zonder oplegging van straf of maatregel. (vergelijk hiervoor ECLI:NL:RBNHO:2019:8480) Graag verneem ik van u of cliënt / ondergetekende ter zitting moeten verschijnen?’
8. Onder dit e-mailbericht is een bericht van 3 november 2020, 16.21 uur van mr. De Heer gericht aan de Rechtbank Amsterdam opgenomen, inhoudende: ‘Bijgaand u gelieve aan te treffen het hoger beroepschrift tegen de uitspraak in de zaak met het parketnummer 13-236971-20’. Tevens bevindt zich bij de brief aan de griffier van de strafkamer van de Hoge Raad het document met de ‘bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep’ dat hiervoor reeds (onder 5) is weergegeven.
9. Het document met de ‘bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep’ alsmede de e-mail van mr. De Heer van 9 februari 2021, 16:41 uur en daaronder de e-mail van mr. De Heer van 3 november 2020, 16:21 uur, zijn door de steller van het middel als bijlagen bij de cassatieschriftuur gevoegd. Een derde bijlage betreft een afschrift van een e-mailbericht van 12 februari 2021, 11.18 uur van de strafgriffie van het Gerechtshof Amsterdam gericht aan mr. De Heer. Dit bericht houdt in:
De stukken blijken wel ontvangen te zijn, maar daar beschikte de zittingscombinatie niet over ter zitting. Daardoor ging het hof, ten onrechte, er van uit dat er geen grieven waren ingediend en is de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring gevolgd.
De beslissing kunnen wij niet terugdraaien. U wordt geadviseerd cassatie in te stellen.
10. Onder dit e-mailbericht is een bericht van 12 februari 2021, 10:00 uur van mr. De Heer aan de strafgriffie opgenomen. Dat bericht houdt in:
Dank voor uw bericht. Ik begrijp uw bericht echter niet. Heeft u zowel het initiële appelschrift
met de grievenals de e-mail van 10 februari 2021
met grievenniet ontvangen? En is daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk?
Dit lijkt mij niet, nu het hoger beroep is aangevangen met het initiële appelschrift
met grievenen u een reactie geeft op mijn e-mail van 10 februari 2021
met grieven.
Graag verneem ik van u.
Met vriendelijke groet,
11. Daaronder zit een e-mailbericht van de strafgriffie aan mr. De Heer van 12 februari 2021, 09:36 uur. Dat bericht houdt in:
Wij hebben de stukken van u niet ontvangen en wij hebben uw cliënt, aangezien wij niets vernomen hadden omtrent de reden van het hoger beroep, niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep, gelet op artikel 416 lid 2 Sv?
12. Daar weer onder zit de tekst van het e-mailbericht van 9 februari 2021, 16:41 uur van mr. De Heer gericht aan het Gerechtshof Amsterdam en het e-mailbericht van mr. De Heer gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank Amsterdam van 3 november 2020, 16:21 uur, die beide hiervoor reeds zijn weergegeven.
13. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
‘De verdachte, gedagvaard als
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als twee dagen voor de zitting van heden en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (SKDB) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.
De voorzitter stelt vast dat de betekening van de dagvaarding correct en op juiste wijze heeft plaatsgevonden.
De voorzitter verleent namens het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal voert het woord en leest haar vordering voor. Zij vordert de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Deze vordering wordt aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd.
Na kort beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt de uitspraak direct mede.
De voorzitter spreekt het arrest uit.’
14. Het bestreden arrest van 11 februari 2021 houdt in:
‘
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
15. Uit de stukken van het geding volgt dat namens de verdachte tijdig, namelijk tegelijk met het aanwenden van het hoger beroep, een appelschriftuur is ingediend.Daarnaast heeft de raadsman op 9 februari 2021 een e-mail verzonden waarin hij het centrale bezwaar nog eens weergeeft. Ook deze e-mail kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven die aan toepassing van art. 416, tweede lid, Sv in de weg staat.Dat deze stukken daadwerkelijk zijn ontvangen, kan worden afgeleid uit de brief van de griffier van het hof aan de griffier van de strafkamer van de Hoge Raad. Een en ander brengt mee dat het ernstige vermoeden rijst dat het hof – achteraf bezien – ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv.
17. Opmerking verdient nog dat uit de formulering van de ‘bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep’ kan worden afgeleid dat het hoger beroep uitsluitend op de toewijzing van de vordering benadeelde partij ziet. Het hoger beroep is in de ‘Akte instellen hoger beroep’ evenwel niet beperkt. En ook als dat anders zou zijn, meen ik dat niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in verband met het bepaalde in art. 407 Sv op een rolzitting niet mogelijk is als de verdachte en zijn raadsman daar niet op bedacht behoeven te zijn.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden