ECLI:NL:PHR:2022:143

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
20/03650
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 437 SvArt. 511h SvArt. 511i SvArt. 6:1:16 Sv
Verwijzingen
12 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie in ontnemingszaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest vastgesteld dat de betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel van €140.000,- moet betalen aan de Staat. Tevens is de maximale gijzelingstermijn vastgesteld op 540 dagen. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij één middel werd voorgesteld dat zich richtte op de schending van art. 36e, eerste lid, Sr.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert echter dat de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend, zoals vereist op grond van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv. Hierdoor kan de betrokkene niet worden ontvangen in het cassatieberoep en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast wordt toegelicht dat in ontnemingszaken niet kan worden volstaan met het aanvoeren van gebreken in het arrest van de hoofdzaak als middel van cassatie in de ontnemingszaak. Er wordt gewezen op de wettelijke mogelijkheden om het opgelegde bedrag te verminderen of kwijt te schelden via de rechter, maar dit vormt geen grond voor cassatie.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het niet naleven van de vereiste termijnen en vormvoorschriften voor het indienen van middelen van cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03650 P
Zitting15 februari 2022 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de betrokkene.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 november 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 140.000,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/03652 en 20/03783. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
In het
middelwordt geklaagd dat art. 36e, eerste lid, Sr is geschonden nu de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel berust op onjuiste gronden. De toelichting begrijp ik aldus dat indien de middelen ingediend in de strafzaak doel zouden treffen, de grondslag van het arrest in de ontnemingszaak zou komen te vervallen.
Als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. [1] Dat betekent dat in een ontnemingszaak niet kan worden aangevoerd dat eventuele gebreken in het arrest in de hoofdzaak moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. Ik wijs in dit verband op de voorschriften van art. 6:1:16, tweede lid, Sv en art. 511i Sv, en op de mogelijkheid om de rechter te verzoeken het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden (art. 6:6:26, eerste lid, Sv). [2] Het namens de betrokkene aangevoerde is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.
6. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij Uw Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst,
2.Art. 6:1:16 Sv Pro is ingevoerd bij de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen),