Conclusie
NJ2017/400, m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad aangaande de vraag of en wanneer de rechter bij de strafoplegging mag acht slaan op een niet tenlastegelegd feit het volgende beoordelingskader vastgesteld:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder diefstal in vereniging met braak en medeplegen van brandstichting, tot een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek van voorarrest. Tevens werd een bestelauto verbeurd verklaard en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De verdachte stelde twee cassatiemiddelen voor. Het eerste middel betrof een motiveringsklacht over het vermeende strafverzwarende meewegen door het hof van een niet tenlastegelegd feit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze omstandigheid niet strafverzwarend heeft meegewogen, maar slechts als onderdeel van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft betrokken.
Het tweede middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, doordat de stukken te laat bij de Hoge Raad werden ingediend. Dit leidde tot de vernietiging van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en vernietigde uitsluitend de duur van de gevangenisstraf. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van de uitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de gevangenisstraf van tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn en vermindert de straf.