Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de voorbereiding van een diefstal met geweld. Het hof had vastgesteld dat het plan was om een grote som geld (€ 374.000) in of bij het appartement van een medeverdachte weg te nemen, waarbij het gebruik van geweld of bedreiging met geweld besloten lag. Dit oordeel was gebaseerd op verklaringen, tapgesprekken, observaties en aangetroffen voorwerpen zoals bivakmutsen en handschoenen.
De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte niet betrokken was bij het plan en dat het niet aannemelijk was dat er sprake was van opzet op geweld. Het hof verwierp deze verweren en achtte de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. De verdachte werd veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het plan geweld of bedreiging met geweld inhield en dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd. Echter, de strafmotivering is ontoereikend omdat het hof bij de strafoplegging zwaar heeft meegewogen dat de verdachte ondanks een eerdere veroordeling voor gewelds- en vermogensdelicten opnieuw een strafbaar feit pleegde, terwijl die eerdere veroordeling nog niet onherroepelijk was ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing over de strafoplegging. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging.