Conclusie
Nummer21/02081
Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsmotivering
1. Het proces-verbaal van bevindingen (…), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisanten:
Bij een onderzoek
dat hij niet in staat moet worden geachthet voertuig
naar behorente besturen. Een verdachte kan dus slechts veroordeeld worden als de rechter de overtuiging heeft dat die verdachte op het moment dat het strafbaar feit werd gepleegd inderdaad niet in staat was zijn voertuig naar behoren te besturen. Of de verdachte hiertoe in staat was hangt echter van vele individuele en incidentele factoren af, o.a.:
bloedproef.
NJ1977, 557. Men moet in deze voorstelling de bepaling derhalve aldus lezen: Het rijden met drank op is afgezien van art. 26, lid 1, WVW nog niet strafbaar (uiteraard wel maatschappelijk ongewenst enz.). Blijkt nadien (‘bij een onderzoek’) echter, dat de bestuurder een te hoog promillage in zijn bloed had, dan wordt het rijden alsnog strafbaar. Op het moment, dat de verdachte rijdt en op 't ogenblik dat van hem medewerking aan het bloedonderzoek wordt gevorderd is er derhalve nog geen strafbaar feit. Ook kan er in dat stadium nog geen verdenking bestaan enz. Het komt mij gelet op deze anomalieën voor, dat het beter is de bepaling aldus te lezen: Het is verboden te rijden met een alcoholpromillage hoger dan 0,5.
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat een tenlastelegging die de bestanddelen uit de delictsomschrijving van artikel 8, tweede lid, onder b, WVW 1994 omvat, zonder bloedonderzoek niet bewezen kan worden verklaard. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden was met betrekking tot het vaststellen van het alcoholgehalte in het bloed van verdachte en dat het hof derhalve niet tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde had kunnen komen. Ik bespreek beide middelen gezamenlijk.
derdemiddel klaagt dat het hof door het tenlastegelegde bewezen te verklaren heeft miskend dat het voorschrift van artikel 13, eerste lid, onder d, BADG een strikte waarborg is waarmee het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, WVW 1994 is omringd.