Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van rijden onder invloed. De tenlastelegging hield in dat verdachte op 8 juli 2017 te Heerenveen een motorrijtuig bestuurde met een ademalcoholgehalte boven de wettelijke limiet.
Het Hof sprak verdachte vrij omdat de opsporingsambtenaren hem niet hadden gewezen op zijn recht op tegenonderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 11, tweede lid, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Dit recht moet direct na het ademonderzoek worden medegedeeld om de betrouwbaarheid van het onderzoek te waarborgen.
De Hoge Raad bevestigt dat deze mededelingsplicht behoort tot de strikte waarborgen rond het ademonderzoek ex artikel 8, tweede en derde lid, WVW 1994. Niet-naleving hiervan leidt tot uitsluiting van het ademonderzoek als bewijs, waardoor bij gebrek aan ander bewijs vrijspraak volgt.
Het middel van het Openbaar Ministerie, dat stelde dat het hier om een vormverzuim ging dat niet automatisch tot vrijspraak moest leiden, wordt verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 359a Sv niet van toepassing is op deze situatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het Hof.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens niet-naleving van de mededelingsplicht over het recht op tegenonderzoek bij ademonderzoek.