Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Waaromdie enkele omstandigheid ertoe zou leiden dat de consument tot een ander oordeel zou komen over de positie van Easycosmetic heeft Coty niet onderbouwd. Voor zover zij bedoelt te stellen dat
daardoor(eerder) de indruk ontstaat dat het gebruik van de ‘merken’ losstaat van een concrete aanbieding en dat om die reden (eerder) een commerciële band wordt gesuggereerd, wordt dat standpunt verworpen op grond van hetgeen hierna wordt overwogen.
productenniet genoemd of zichtbaar zijn, faalt deze stelling, nu het voor een geslaagd beroep op uitputting niet nodig is dat het merk in een reclame voor een
concreet of bepaaldproduct wordt gebruikt. Een wederverkoper mag het merk in reclame (in algemene zin) gebruiken, indien hij producten van dat merk in zijn assortiment heeft, daadwerkelijk verkoopt en daarover op het geplande moment van levering kan beschikken zonder inbreuk te maken. Het publiek zal de reclame ook aldus begrijpen. Dat door de vermelding van de andere ‘merken’ op de doos ook reclame wordt gemaakt voor producten van die ‘merken’ en voor de onderneming van Easycosmetic doet er niet aan af dat de reclame product-gerelateerd is. Daaraan doet ook niet af dat de Verzenddoos wordt ontvangen door een consument die al een aankoop heeft gedaan en dus al een aankoopbeslissing heeft genomen. Ook daarna blijft deze consument een (potentiële) klant. Easycosmetic heeft onbetwist gesteld dat het vaak voorkomt dat klanten nadat zij eerder gekochte goederen hebben ontvangen nieuwe bestellingen doen. Deze product-gerelateerde reclame richt zich dus ook tot deze consument. Dit geldt overigens ook voor anderen die de Verzenddoos mogelijk zien. De stelling van Coty dat niet meer van belang is de ontvanger van de Verzenddoos te informeren over het assortiment dat Easycosmetic verkoopt, acht het hof dan ook onjuist.
Ad a.Het hof is met het Bundesgerichtshof in voormelde uitspraak van oordeel dat om een gegronde reden als bedoeld in artikel 15, lid 2 UMV aan te kunnen nemen, het niet voldoende is dat sprake is van een in de branche van de wederverkoper niet gebruikelijke reclame. Voor het aannemen van een gegronde reden is, ook in geval van zo’n reclame, nodig dat (daardoor) afbreuk wordt gedaan aan de herkomstaanduidingsfunctie van het merk. Dat is met name het geval als sprake is van ernstige schade aan de reputatie van de Merken of de suggestie van een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder. Naar het oordeel van het hof volgt dat ook uit het hiervoor reeds aangehaalde Dior/Evora-arrest. Daarin overwoog het HvJ EG dat het feit (in die zaak) dat een wederverkoper, die normaal gesproken gelijkaardige artikelen verkoopt die evenwel niet noodzakelijkerwijs van dezelfde kwaliteit zijn, voor de merkproducten gebruik maakt van de in zijn branche gebruikelijke wijze van adverteren, ook al komt deze niet overeen met de door de merkhouder zelf of zijn erkend wederverkopers gebruikte wijze, voor de merkhouder geen gegronde reden oplevert om zich tegen deze reclame te verzetten, tenzij wordt aangetoond dat in de bijzondere omstandigheden van het geval het gebruik van het merk in de reclame van de wederverkoper de reputatie van het merk ernstig schaadt (ro. 46). Uit deze overweging kan niet a contrario worden afgeleid dat al sprake is van een gegronde reden indien een wederverkoper een merk in een reclame op een niet in zijn branche gebruikelijke wijze gebruikt. Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat door het gebruik van de Merken op de Verzenddoos niet de suggestie kan worden gewekt dat sprake is van een commerciële band tussen Easycosmetic en de merkhouders. Coty beroept zich er niet op dat door deze wijze van gebruik van de Merken sprake is van (ernstige) schade aan het onderscheidend vermogen en/of de reputatie van de Merken. Dat anderszins sprake is van afbreuk aan de herkomstaanduidingsfunctie van de Merken is niet gesteld, althans niet (voldoende) onderbouwd. Ook op deze grondslag kan het gevorderde niet worden toegewezen.
Ad b.Nog daargelaten dat het Davidoff-beeldmerk ook is gedeponeerd voor verkoopdiensten, is het hof, zoals hiervoor uiteengezet, van oordeel dat Easycosmetic de Merken wel (product-gerelateerd) gebruikt voor producten en dus voor dezelfde waren als waarvoor de Merken zijn gedeponeerd. Ook deze grondslag slaagt niet.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
2. Easycosmetics handelsnaam en logo springen eruit op aandachttrekkende wijze; de ‘merkenbrei’ wordt weergegeven als een soort pakpapier en dat is geen wijze van gebruik die een commerciële band zou kunnen suggereren (rov. 15);
3. Dezelfde kleur oranje van het woord ‘easy’ en de ‘merkenbrei’ vormt geen aanwijzing voor een economische band (rov. 16);
4. Het gebruikte lettertype van de ‘merkenbrei’ zoekt geen aansluiting bij de huisstijl van de beeldmerken, maar het is juist andersom: de ‘merkenbrei’ is aangepast aan de huisstijl van Easycosmetic (rov. 16);
5. ‘BEAUTY FOR LESS’ suggereert dat Easycosmetic een discounter is (rov. 17);
6. Dat deze wijze van adverteren een kwaliteitsuitstraling geeft aan eigen activiteiten van Easycosmetic, is op zichzelf geen reden om een commerciële band te kunnen suggereren of anderszins een gegronde reden in de zin van art. 15 lid 2 UMV Pro (rov. 18);
7. Dat deze reclamevorm afwijkt van wat in de branche gebruikelijk is, is onvoldoende reden om wel een suggestie van een commerciële band aan te nemen (rov. 19 en 27);
8. Waarom deze afwijkende reclamevorm wel een suggestie van een commerciële band suggereert bij het publiek, is door Coty niet onderbouwd (rov. 19)
9. Voor zover is bedoeld dat door deze afwijkende reclamevorm de indruk ontstaat dat het gebruik van de ‘merkenbrei’ los staat van een concrete aanbieding en om die reden een suggestie van een commerciële band wordt gewekt, omdat dit geen reclame voor producten is, maar reclame voor onlinewinkelier Easycosmetic (goodwilloverheveling), wordt dat verworpen. Het klopt dat reclame product-gerelateerd moet zijn bij het uitputtingsvraagstuk. In lijn met de BGH uitspraak oordeelt het hof dat de ‘merkenbrei’ op de verzenddozen een concrete verwijzing is naar de (uitgeputte) producten van (onder meer) de Merken vormt, omdat het publiek er door die vermelding van uit zal gaan dat Easycosmetic producten voorzien van de Merken verkoopt en dat is reclame voor die producten (rov. 19-21 en 28);
10. Voor uitputting is niet vereist dat het merk in reclame voor een concreet of bepaald product wordt gebruikt, een wederverkoper mag het merk in reclame (in algemene zin) gebruiken als hij producten van dat merk in zijn assortiment heeft, daadwerkelijk verkoopt of erover kan beschikken ten tijde van levering zonder inbreuk te maken (rov. 21);
11. Dat er ook andere merken op de doos staan en dus daarvoor ook reclame wordt gemaakt net als voor Easycosmetic zelf, doet er niet aan af dat sprake is van product-gerelateerde reclame (rov. 21);
12. Dat de consument de doos ontvangt na de aankoopbeslissing, is niet relevant, omdat deze ook daarna een (potentiële) klant blijft; klanten doen vaak nieuwe bestellingen na ontvangst van de goederen, waarmee de stelling van Coty wordt verworpen dat het niet meer van belang zou zijn om de ontvanger van de Verzenddoos te informeren, terwijl bovendien ook derden de dozen kunnen zien (rov. 21);
13. Bovendien is de groep merken op de doos te divers om aan te nemen dat met al die merkhouders tegelijkertijd een commerciële band zou bestaan (rov. 22);
14. Daar komt bij dat de verzenddoos alleen naar internet-consumenten wordt gestuurd die gekocht hebben bij Easycosmetic, een internetdiscounter die zij daardoor kennen (rov. 22);
15. Easycosmetic presenteert zich op haar website ook als internetdiscounter met teksten als BEAUTY FOR LESS, GROTE MERKEN VOOR KLEINE PRIJZEN en ‘tot 55% besparen op parfum bij easyCOSMETIC’.
16. Coty heeft onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat de verzenddoos een andere indruk zal wekken nadat de consument de website heeft bekeken; het is volgens het hof eerder omgekeerd (rov. 23).
Portakabin/Primakabinheeft het HvJ EU aanwijzingen gegeven voor het nemen van zo’n beslissing bij verkoop van tweedehands waren [27] .
dezelfde partijenbetrokken zijn en die wegens dezelfde handelingen zijn ingesteld op grond van een Uniemerk en parallelle nationale merken. Voor zover Easycosmetic het niet eens is met het oordeel van het hof in rov. 7 dat er in dit geval geen sprake is van dezelfde partijen als in de buitenlandse procedures en het hof onvoldoende heeft onderbouwd dat daar niet toch sprake van is omdat partijen gelieerd zijn, had zij tegen dat oordeel een klacht moeten richten bij incidenteel cassatieberoep, maar dat heeft zij niet gedaan. Het preliminaire punt van Easycosmetic gaat zodoende niet op.
subonderdeel 1.1in de kern dat het hof heeft miskend dat, nu Easycosmetic in appel geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Easycosmetic geen beroep kan doen op uitputting (onder verwijzing naar rov. 4.14 (slot) van het vonnis van de rechtbank), dit oordeel in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde heeft verkregen tussen partijen. Dan staat vast dat Easycosmetic geen beroep op de uitputtingsregel van art. 15 lid 1 UMVo Pro toekomt. Grief 2 van Easycosmetic, en het hofoordeel over die grief, zien slechts op het oordeel van de rechtbank dat de suggestie van een economische band tussen Easycosmetic en Coty als merkhouder kan worden gewekt en dit betreft alleen de toepassing van art. 15 lid 2 UMVo Pro. Daar wordt niet aan toegekomen, nu de voorwaarde van art. 15 lid 1 UMVo Pro voor een beroep op de uitputtingsregel niet is vervuld, zo stond in appel vast. Met andere woorden: nu Easycosmetic geen beroep toekomt op de uitputtingsregel en dus geen gebruik mag maken van de Coty-merken, was de eventuele vraag naar de aanwezigheid van gegronde redenen voor Coty om zich, ondanks uitputting, te verzetten tegen het merkgebruik, niet aan de orde.
in confessodat het hier om (in beginsel) uitgeputte waar gaat. De kwestie is alleen of sprake is van een gegronde reden voor Coty om zich te verzetten tegen het gebruik van de Merken op de Verzenddozen in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro.
in confessois dat het om (in beginsel) uitgeputte waar gaat, dus om producten die door of met toestemming van Coty in de EER in de handel zijn gebracht, is de voorwaarde van art. 15 lid 1 UMVo Pro vervuld. Het oordeel van de rechtbank dat Easycosmetic zich niet op uitputting kan beroepen in rov. 4.11-4.15, is gestoeld op het oordeel dat er in dit geval een gegronde reden in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro aanwezig wordt geacht in de vorm van een suggestie van een economische band door de wijze van adverteren van Easycosmetic. De stelling dat daarmee in appel zou vaststaan dat niet was voldaan aan de voorwaarde van art. 15 lid 1 UMVo Pro, zodat niet aan de uitzondering van lid 2 zou worden toegekomen, snijdt geen hout. Door haar tweede grief te richten tegen de aangenomen gegronde reden van verzet, heeft Easycosmetic namelijk wel een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij zich niet kan beroepen op de uitputtingsregel. Subonderdeel 1.1 stuit hierop af.
subonderdeel 1.2is dat voor zover het arrest van het hof zo zou moeten worden gelezen dat het hof heeft geoordeeld dat a) grief 2 van Easycosmetic zo moet worden begrepen dat deze grief zich ook richt tegen het rechtbankoordeel dat Easycosmetic geen beroep kan doen op de uitputtingsregel en b) het hof de op de onder a) bedoelde wijze te lezen grief vervolgens gegrond heeft geacht en heeft bedoeld te oordelen dat Easycosmetic wel een beroep op de uitputtingsregel toekomt, er sprake is van een ontoereikende motivering. Althans, zo vervolgt het subonderdeel met een rechtsklacht, heeft het hof hiermee het grievenstelsel miskend nu dit onderdeel van het geschil niet in een grief van Easycosmetic in appel is ontsloten, althans is deze lezing van grief 2 onbegrijpelijk in het licht van de tekst en de toelichting daarop.
Sebago Inc./G-B Unic [31] . Daarmee is onverenigbaar dat wel in het algemeen reclame mag worden gemaakt, waarbij gebruik wordt gemaakt van het merk. Dat geldt volgens de klacht
a fortioriin de omstandigheden van onze zaak, waar het merkgebruik ver afstaat van de gemerkte producten die Easycosmetic verhandelt. De Merken staan immers altijd op de verzenddoos, ook als zich daarin producten bevinden die niet voorzien zijn van de Merken waar Coty zich in deze zaak op beroept. Er kan geen sprake zijn van een concrete verwijzing naar de uitgeputte producten van de Merken, omdat slechts een beperkt gedeelte van de bestellingen die worden verzonden in de verzenddozen uitgeputte producten van de Merken bevatten. Daar komt nog bij dat op de verzenddozen zelfs merken staan die Easycosmetic niet meer verkoopt. Het hof heeft dit niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken, waardoor het oordeel onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
concreet of bepaaldproduct wordt gebruikt. Een wederverkoper mag het merk in reclame (in algemene zin) gebruiken, indien hij producten van dat merk in zijn assortiment heeft, daadwerkelijk verkoopt en daarover op het geplande moment van levering kan beschikken zonder inbreuk te maken.
Sebago Inc./G-B Unicten betoge dat de regel uit dit arrest onverenigbaar is met het hofoordeel dat het niet nodig is dat het merk in een reclame voor een
concreet of bepaaldproduct wordt gebruikt en een wederverkoper het merk in reclame (in algemene zin) mag gebruiken. Het
Sebago Inc./G-B Unic-arrest gaat over de vraag of sprake is van toestemming van de merkhouder voor het in de EER in de handel brengen van waren in de zin van de uitputtingsregel en het Hof heeft geoordeeld dat daarvan slechts sprake is wanneer de toestemming betrekking heeft op elk exemplaar van het product waarvoor uitputting wordt aangevoerd. [32] Hieruit volgt dat toestemming niet mag worden geconstrueerd wanneer de merkhouder heeft ingestemd met de verkoop in de EER van producten die identiek of soortgelijk zijn aan die waarvoor de uitputting wordt aangevoerd. In onze zaak is dit niet aan de orde, omdat vaststaat dat de producten die Easycosmetic verhandelt door Coty of met haar toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Anders dan Coty tot uitgangspunt neemt, kan uit dit arrest niet worden afgeleid dat voor een geslaagd beroep op uitputting sprake moet zijn van reclame voor een concreet of bepaald product. Dat toestemming van de merkhouder voor het in de EER in de handel brengen van waren in de zin van de uitputtingsregel betrekking moet hebben op elk exemplaar van het product, brengt niet met zich dat het merk in een reclame voor een
concreet of bepaaldproduct moet worden gebruikt en dat het merk in reclame niet in algemene zin mag worden gebruikt.
Dior/Evoraheeft het HvJ EG de vraag beantwoord of de wederverkoper reclame mag maken voor zijn handel, en zo ja, onder welke voorwaarden [33] . Het ging in die zaak om de verkoop door Kruidvat (onderdeel van Evora) van parallel geïmporteerde Dior-parfums en reclame daarvoor in een reclamefolder van Kruitvat. Gebruik van het merk in reclame valt aan te merken als gebruik voor waren waardoor de regeling van uitputting van toepassing is. Punt 37 leert dat indien het recht om het merk voor de
aankondigingvan de verdere verhandeling te gebruiken niet op dezelfde wijze zou worden uitgeput als het recht van wederverkoop, wederverkoop aanzienlijk moeilijker zou worden en de doelstelling van de uitputtingsregel dus in gevaar zou worden gebracht. In punt 38 staat dat een wederverkoper niet alleen uitgeputte producten mag doorverkopen, maar ook het merk mag gebruiken om de verdere verhandeling van deze producten bij het publiek aan te kondigen. In beginsel heeft degene die het recht van wederverkoop heeft dus ook het recht om reclame te maken voor die wederverkoop.
Dior/Evorageoordeeld over de vraag of de wijze waarop reclame wordt gemaakt gegronde redenen kan opleveren voor de merkhouder om zich te verzetten tegen het gebruik van het merk door de wederverkoper. Dior betoogde namelijk dat de goedkoop ogende reclame van Kruitvat het imago van haar merk aantastte. Het Hof heeft het begrip ‘gegronde redenen’ in punt 43 ruim uitgelegd, zodat het niet slechts wijziging van de waar, maar ook schade aan de reputatie van het merk kan omvatten. Ook is in punt 45 overwogen dat de wederverkoper niet deloyaal mag handelen tegenover de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder, maar moet trachten te voorkomen dat zijn reclame de waarde van het merk aantast doordat zij het prestigieuze imago van de betrokken waar schaadt. Uit punt 48 volgt dat de merkhouder geen beroep op die ‘uitzondering’ op de uitputtingsregel toekomt, wanneer een wederverkoper die gewoonlijk gelijkaardige artikelen verkoopt die evenwel niet noodzakelijkerwijs van dezelfde kwaliteit zijn als de van het merk voorziene producten, het merk
op de in zijn bedrijfssector gebruikelijke wijze gebruikt om de verdere verhandeling van deze producten bij het publiek aan te kondigen – tenzij wordt aangetoond dat in de bijzondere omstandigheden van het geval het gebruik van het merk voor dat doel de reputatie van dit merk ernstig schaadt. Een voorbeeld hiervan is volgens het Hof dat de wederverkoper het merk plaatst te midden van andere merken die ernstig afbreuk kunnen doen aan het imago van het merk. Dit aspect van reputatieschade is als gezegd in onze zaak uitdrukkelijk niet aan de orde (vgl. opnieuw rov. 27 van het bestreden arrest).
BMW/Deenikis hierop voortgebouwd en komt het wel in onze zaak spelende aspect van de suggestie van een commerciële band aan de orde [34] . Garagehouder Deenik, die geen officiële BMW-dealer was, maakte gebruik van het merk BMW voor onder meer de verkoop van tweedehands BMW-auto’s door aan te kondigen dat hij ‘specialist in BMW’ is.
Dior/Evora. De merkhouder kan zich in beginsel niet verzetten tegen gebruik van het merk in reclame, tenzij er gegronde redenen zijn voor de merkhouder om zich daartegen te verzetten. Zo’n gegronde reden kan zijn dat het merk in de reclame van de wederverkoper zo wordt gebruikt, dat de indruk kan ontstaan dat er een
commerciële bandtussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat, en met name dat de onderneming van de wederverkoper
tot het distributienet van de merkhouderbehoort, of dat
een bijzondere bandtussen de twee ondernemingen bestaat. Een dergelijk gebruik van het merk is niet nodig om het doel van de uitputtingsregel (de verdere verhandeling van de waren die door of met toestemming van de merkhouder onder het merk op de markt zijn gebracht) te verzekeren (punt 52). Bovendien druist dit in tegen de verplichting loyaal te handelen tegenover de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder en tast het de waarde van het merk aan doordat ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie ervan, hetgeen in strijd is met het specifieke voorwerp van het merkrecht. Punt 53 voegt daar aan toe dat wanneer er echter geen gevaar bestaat dat bij het publiek de indruk wordt gewekt dat er een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat, het enkele feit dat het gebruik van het merk de wederverkoper een voordeel oplevert omdat de (overigens correcte en loyale) reclame voor de verkoop van de waren onder het merk zijn eigen activiteit een kwaliteitsuitstraling geeft, geen gegronde reden is voor de merkhouder om zich tegen dergelijk merkgebruik te verzetten. Een voor informatiedoeleinden bestemd gebruik van het merk is volgens punt 54 noodzakelijk om het recht van wederverkoop te verzekeren en hierdoor wordt geen ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Om die reden heeft het Hof beslist dat BMW een derde niet kan verbieden om haar merk te gebruiken of bij het publiek aan te kondigen dat hij gespecialiseerd of specialist is in de verkoop van tweedehands BMW-auto’s.
adwords) die gelijk zijn aan of overeenstemmen met een merk [35] . Is het toegestaan dat een derde (Primakabin) het merk van een ander (Portakabin) als
adwordgebruikt in zoekmachines ten behoeve van het adverteren voor de verkoop van mobiele bouwsystemen van verschillende merken, waaronder tweedehands Portakabins? Bij de uitputtingsvraag van tweedehands goederen kan de houder van een merk een adverteerder niet verbieden middels
adwordsreclame te maken voor de wederverkoop van waren die door deze merkhouder of met zijn toestemming in de EER in de handel zijn gebracht, tenzij er sprake is van een gegronde reden, zoals een gebruik van dat teken dat de indruk wekt dat er een
economische bandbestaat tussen de wederverkoper en de merkhouder, of een gebruik dat de reputatie van het merk ernstig schaadt. Of een advertentie zo’n indruk wekt van een commerciële band, is een feitelijke vraag, die de nationale rechter op grond van de omstandigheden van elk concreet geval moet beantwoorden (punt 82). Niettemin heeft het Hof aanwijzingen gegeven voor het nemen van deze beslissing in het geval van de verkoop van tweedehands waren. Een dergelijke indruk of schade kan volgens het Hof niet worden afgeleid uit het enkele feit dat tweedehands producten worden aangeboden. Ook mag een adverteerder het merk niet gebruiken voor waren waarvan hij het merk verwijderd heeft. Ten slotte benadrukt het Hof dat het een wederverkoper die is gespecialiseerd in de verkoop van tweedehands waren van een merk niet kan worden verboden gebruik te maken van dit merk om bij het publiek te adverteren voor zijn wederverkoopactiviteiten, die behalve de verkoop van tweedehands waren van bedoeld merk ook de verkoop van andere tweedehands waren omvatten, tenzij de wederverkoop van deze andere waren, gelet op de omvang, de presentatie of de slechte kwaliteit ervan, het imago dat de houder voor zijn merk heeft weten te creëren, ernstig zou kunnen schaden (punten 83-91).
BMW-Deenikals in
Portakabin/Primakabinging het om gebruik van een merk in reclame in meer algemene zin. Garagehouder Deenik maakte immers gebruik van advertenties waarin hij aankondigde dat hij ‘specialist in BMW’ is. In deze reclame-uitingen wordt het merk niet voor een concreet of bepaald product van BWM gebruikt. Dat is toelaatbaar geacht, voor zover daarmee niet de indruk kan ontstaan dat er een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat.
daadwerkelijk te koop worden aangeboden in de tekst van deze advertentie, zoals weergegeven door de leverancier van de zoekmachineadvertentiedienst, of alleen op de website van de adverteerder waarnaar de internetgebruiker wordt geleid bij het aanklikken van de gesponsorde link, is geantwoord dat dit niet relevant is – ook niet bij de beoordeling of het gebruik van het teken dat gelijk is aan het merk als zoekwoord afbreuk kan doen aan de functies van het merk en met name aan de herkomstaanduidingsfunctie ervan. Het Hof benadrukt dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of de wijze waarop de advertentie in haar geheel is gepresenteerd, het voor de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende internetgebruiker onmogelijk of moeilijk maakt om te weten of de adverteerder een derde is ten opzichte van de merkhouder, dan wel, integendeel, economisch met hem is verbonden. Het Hof acht hierbij niet doorslaggevend of de waren of diensten waarop de advertentie betrekking heeft al dan niet daadwerkelijk te koop worden aangeboden (punten 42-44 van het besproken arrest).
concreet of bepaaldproduct wordt gebruikt en dat een wederverkoper het merk in reclame (in algemene zin) mag gebruiken, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat dit toereikend is gemotiveerd. Daar ketst subonderdeel 2.1 op af.
subonderdeel 2.2voert Coty aan dat voor zover het hof heeft bedoeld aan te sluiten bij
BMW/Deeniken
Portakabin/Primakabin, dit onjuist is, omdat die arresten zien op wederverkopers die
gespecialiseerdzijn in de betreffende waren, nu deze zijn potentiële klanten deze informatie moeilijk kan meedelen zonder van het merk gebruik te maken. Volgens de klacht bestaat geen rechtvaardiging voor het gebruik van de merken door de wederverkoper als een dergelijke specialisatie ontbreekt, althans kan die rechtvaardiging niet worden gebaseerd op genoemde arresten. Zo’n specialisatie ontbreekt in onze zaak, nu Easycosmetic parfum- en cosmeticaproducten van ruim 250 verschillende merken verkoopt. Ook overigens ontbreekt in de omstandigheden van deze zaak iedere noodzaak voor het litigieuze gebruik van de Merken door Easycosmetic, zodat ook om die reden het gebruik van de merken niet kan worden gebaseerd op genoemde arresten.
BMW/Deenikheeft het Hof ten aanzien van de wijze van reclame voor de verkoop van tweedehands BMW-auto’s het volgende overwogen:
a contrarioworden afgeleid dat wederverkopers die niet gespecialiseerd zijn die ruimte niet zouden moeten krijgen. De vraag of een advertentie de indruk wekt dat er een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat, is, zo hebben wij gezien, een feitelijke vraag die de rechter op grond van de omstandigheden van elk concreet geval moet beantwoorden [37] . De aanwijzingen hiervoor in
Portakabin/Primakabinomvatten de omstandigheid dat een wederverkoper gespecialiseerd is in de verkoop van tweedehands waren van het merk – maar dat is niet meer dan een aanwijzing. De advertentie van Primakabin met de titel ‘gebruikte portakabins’ leidde de internetgebruiker niet alleen naar het aanbod voor de doorverkoop van Portakabin-merkwaren, maar ook naar het aanbod voor de verkoop van waren van andere fabrikanten. De bedrijfsactiviteiten van Primakabin omvatten immers de verkoop en verhuur van nieuwe en tweedehands mobiele bouwsystemen, waaronder de door Primakabin zelf geproduceerde cabines en gebruikte units, van Portakabin en andere merken [38] . Om gebruik te mogen maken van een merk in reclame is dus in ieder geval niet vereist dat de wederverkoper
alleenwaren van bedoeld merk verkoopt. Vanwege de ratio die in de besproken arresten voorop wordt gesteld, zie ik niet in waarom een wederverkoper die
nietgespecialiseerd is in de verkoop van waren van een bepaald merk, en net als de
welgespecialiseerde wederverkoper, ook waren van andere merken verkoopt, geen gebruik mag maken van een merk in reclame voor de verkoop van producten voorzien van dat merk. Ik denk dat ook voor de niet gespecialiseerde wederverkoper geldt dat het gebruik van het merk in reclame geoorloofd moet zijn conform de ratio daarvoor, mits de reclame aan de loyaliteitseisen eisen voldoet en dus niet de indruk wekt dat er een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat of anderszins de reputatie van het merk ernstig schaadt [39] .
G-Star/Makro [40] . Dat er een noodzaak moet zijn voor het gebruik van een merk in reclame is niet in overeenstemming met het uitgangspunt in de jurisprudentie van het HvJ EU dat een merkhouder een adverteerder niet kan verbieden om reclame te maken voor de wederverkoop van waren die oorspronkelijk door de merkhouder of met zijn toestemming onder dit merk in de EER in de handel zijn gebracht, tenzij gegronde redenen rechtvaardigen dat de merkhouder zich hiertegen verzet [41] . Ik ben van mening dat dit nog steeds geldt.
concreet of bepaaldproduct wordt gebruikt en dat een wederverkoper het merk in reclame (in algemene zin) mag gebruiken, is evenmin om de in subonderdeel 2.2 genoemde redenen rechtens onjuist. De klacht faalt.
subonderdeel 2.3klaagt Coty dat het hof klaarblijkelijk meent te oordelen dat de merken worden gebruikt om de verhandeling van concrete gemerkte waren die zijn uitgeput aan te kondigen, terwijl uit de volgende omstandigheden juist volgt dat Easycosmetic de Merken louter gebruikt als reclame voor haar eigen bedrijf:
Portakabin/Primakabinis ook, anders dan Coty betoogt, niet relevant of Easycosmetic naast de Merken van Coty ook nog waren van andere merken verkoopt en daar reclame voor maakt. Gelet op de besproken Europese merkenrechtspraak is het enkele feit dat een wederverkoper voordeel haalt uit het gebruik van het merk van een ander doordat de, overigens correcte en loyale, reclame voor de wederverkoop van de waren van dat merk zijn eigen activiteit een kwaliteitsuitstraling geeft, geen gegronde reden voor de merkhouder om zich tegen het gebruik van het merk in reclame te verzetten [42] .
subonderdeel 3.1voert Coty in een rechtsklacht aan dat het hof in zijn beoordeling of voor Coty sprake is van gegronde redenen zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de waren heeft miskend dat het niet slechts had moeten beoordelen of de indruk wordt gewekt van een economische band tussen Coty en Easycosmetic of dat sprake is van een wijze van adverteren die in de branche niet gebruikelijk is, maar óók of Easycosmetic in strijd met de op haar rustende loyaliteitsverplichting jegens de merkhouder handelt. Een dergelijk handelen levert immers ook een gegronde reden op in de zin van art. 15 lid 2 UMVo Pro. In het kader van deze toets had het hof een afweging moeten maken tussen het belang van Easycosmetic als wederverkoper de producten te kunnen doorverkopen en het gerechtvaardigde belang van Coty als merkhouder te worden beschermd tegen wederverkopers die haar Merken voor reclamedoeleinden (voor de eigen onderneming) gebruiken op een wijze die de reputatie of andere functies van de Merken zouden kunnen schaden. Deze toets en de daarin vereiste belangenafweging is ten onrechte niet toegepast.
subonderdeel 3.2voegt Coty daar de motiveringsklacht aan toe dat voor zover het hof wel heeft bedoeld aan deze loyaliteitsverplichting te toetsen, dit ontoereikend is gemotiveerd, nu deze toets niet kenbaar is uitgevoerd. Het hof heeft in rov. 10
in fineweliswaar de loyaliteitsverplichting genoemd, maar vervolgens niet overwogen dat en waarom Easycosmetic aan deze loyaliteitsverplichting zou hebben voldaan, hetgeen wel op de weg van het hof had gelegen gezien de omstandigheden dat de meeste verzenddozen geen waren bevatten van de betreffende Merken en op de verzenddozen zelfs merken staan die Easycosmetic niet meer verkoopt.
Coty zich er niet op heeft beroependat door de wijze van gebruik van de Merken sprake is van ernstige schade aan het onderscheidend vermogen en/of de reputatie van de Merken, waardoor het hof dit niet behoefde te onderzoeken. Het hof vervolgt met de overweging dat niet is gesteld, althans niet voldoende is onderbouwd, dat anderszins sprake is van afbreuk aan de herkomstaanduidingsfunctie van de Merken. Hierin ligt besloten dat naar de feitelijke beoordeling van het hof niet is aangevoerd dat hier reputatieschade op zou treden (als gevolg van schending van de loyaliteitsverplichting). Daar ketsen deze klachten al op af.
Dior/Evoravolgt. In
G-Star/Makrois immers door de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat wordt geadverteerd op een wijze die niet overeenstemt met de in de branche van de wederverkoper gebruikelijke wijze van adverteren op zichzelf een gegronde reden vormt zich tegen wederverkoop te verzetten.
Dior/Evora. Daarin overwoog het HvJ EG dat het feit (in die zaak) dat een wederverkoper, die normaal gesproken gelijkaardige artikelen verkoopt die evenwel niet noodzakelijkerwijs van dezelfde kwaliteit zijn, voor de merkproducten gebruik maakt van de in zijn branche gebruikelijke wijze van adverteren, ook al komt deze niet overeen met de door de merkhouder zelf of door zijn erkende wederverkopers gebruikte wijze van adverteren, voor de merkhouder geen gegronde reden oplevert om zich tegen deze reclame te verzetten, tenzij wordt aangetoond dat in de bijzondere omstandigheden van het geval het gebruik van het merk in de reclame van de wederverkoper de reputatie van het merk ernstig schaadt (punt 46). Uit deze overweging kan volgens het hof niet
a contrarioworden afgeleid dat al sprake is van een gegronde reden indien een wederverkoper een merk in een reclame op een niet in zijn branche gebruikelijke wijze gebruikt.
G-Star/Makro-arrest over gegronde redenen het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd; A-G):
kunnenzijn als, zeer kort samengevat,
mogelijksprake is van gegronde redenen. Dit is duidelijk een voorzichtigere formulering dan die van A-G Verkade in zijn conclusie vóór dit arrest, waar wordt gesuggereerd dat er in de genoemde gevallen telkens sprake is van gegronde redenen [50] . Uit het
G-Star/Makro-arrest kan dus, anders dan Coty betoogt, niet worden afgeleid dat de omstandigheid dat wordt geadverteerd op een wijze die niet overeenstemt met de in de branche van de wederverkoper gebruikelijke wijze van adverteren
op zichzelftelkens een gegronde reden vormt zich tegen wederverkoop te verzetten.
Dior/Evora-arrest niet volgt dat voor het aannemen van een gegronde reden voldoende is dat sprake is van een in de branche van de wederverkoper niet gebruikelijke reclame. Het lijkt mij juist dat dit niet
a contrariokan worden afgeleid uit dat Europese arrest. Naar het oordeel van de Duitse hoogste Uniemerkenrechter, het Bundesgerichtshof (BGH) in de parallelle zaak, bij welk oordeel het hof zich blijkens rov. 27 heeft aangesloten, is er pas sprake van een gegronde reden als de concrete wijze waarop het merk wordt gebruikt in de reclame de reputatie van het merk schaadt. Uit de rechtspraak van het Luxemburgse Hof volgt volgens het BGH niet dat in het geval van een voor de branche van de wederverkoper niet gebruikelijke reclame reeds sprake is van gegronde redenen. Of hiervan sprake is kan niet alleen worden beoordeeld op basis van de gebruiken in de branche van de wederverkoper. Het is veel meer bepalend, ook in het geval van een in de branche van de wederverkoper niet gebruikelijke reclame, of de herkomst- of garantiefunctie wordt aangetast, of ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit het onderscheidend vermogen van het merken of schade wordt toegebracht aan de reputatie ervan [51] .
specifieke voorwerpvan het merkrecht vormen [52] , waaronder het recht op te komen tegen ieder gebruik dat aan de
herkomstgarantieafbreuk zou kunnen doen [53] . Het enkele feit dat sprake is van een in de branche niet gebruikelijke wijze van adverteren, is dus niet voldoende.
BMW/Deenik(punt 52) over het gebruik van het merk dat de indruk wekt dat een commerciële band tussen de wederverkoper en de merkhouder bestaat, volgt dat telkens moet worden nagegaan of een specifieke beperking van het vrij verkeer van goederen past binnen het systeem en of er sprake is van strijd met het specifieke voorwerp van het merkrecht. Leidend is of een bepaalde wijze van merkgebruik al dan niet past in de noodzakelijkheidstoets in de zin van: nodig om het doel van de uitputtingsregel (de verdere verhandeling van de waren die door of met toestemming van de merkhouder onder het merk op de markt zijn gebracht) te verzekeren. De verplichting om daarbij loyaal te handelen tegenover de gerechtvaardigde belangen van de merkhouder komt in wezen neer op recht doen aan het specifieke voorwerp van het merkenrecht en meer in het bijzonder het gewaarborgd doen zijn van de wezenlijke functies van het merkenrecht, waarbij de herkomst- of garantiefunctie met stip op één staat. In zoverre is deze benadering van het hof in het voetspoor van dezelfde benadering van het BGH bepaald aansprekend.
subonderdeel 4.2bevat een rechtsklacht, nu over het oordeel over de c-grond: de rechtbank heeft in appel onbestreden vastgesteld dat sprake is van tekens die gelijk zijn aan de Merken van Coty en dat de tekens worden gebruikt door Easycosmetic voor waren die gelijk zijn aan de goederen waarvoor de merken zijn ingeschreven en dat de Merken van Coty een zekere reputatie hebben, zodat hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of Easycosmetic door het gebruik zonder geldige reden van het teken ongerechtvaardigd voordeel haalt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van de Merken.
subonderdeel 4.3klaagt Coty dat voor zover het oordeel van het hof in rov. 28 zo moet worden gelezen dat het hof het beroep van Coty op de c-grond afwijst omdat het uitputtingsverweer van Easycosmetic slaagt, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een uitputtingsverweer kan namelijk niet opgaan in een situatie waarin aan de vereisten van de c-grond is voldaan, omdat met de vervulling van de voorwaarden ook de loyaliteitsverplichting is geschonden.
BMW-Deenik, waarin het Hof ten aanzien van een vergelijkbaar argument heeft geoordeeld dat een garagehouder die gebruik maakt van het merk om te adverteren voor zijn tweedehandsverkoop, onderhoud en reparatie als “specialist in BMW”, hiermee een activiteit verricht die onder de a-grond valt. Het gaat volgens het HvJ EG niet om reclame voor een verkoop- of reparatie/onderhoudsdienst, maar “om een gebruik van hetzelfde merk ter onderscheiding van de betrokken waren als het object van de door de adverteerder verleende diensten” [54] .