Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het verweer inhoudende dat de aanschafwaarde van de in beslag genomen en vernietigde verdovende middelen en de overige in beslag genomen goederen die aan een productie van drugs zijn gerelateerd op de betalingsverplichting in mindering had dienen te brengen heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
Aanschafwaarde drugs
bijlage 1bij deze pleitnota overgelegde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 november 2018 waarin ook is bepaald dat de aanschafwaarde op de betalingsverplichting in mindering wordt gebracht.
Conclusie
Schatting van het voordeel
€ 87.418,-(afgerond) stelt het hof vast als door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
NJ1998/841 m.nt. Schalken overwoog Uw Raad:
total lossis geraakt, of de vakantie is doorgegaan, en of de drugs inmiddels verbruikt zijn. Wel kan de bestemming of besteding van belang zijn omdat een opgelegde betalingsverplichting onder omstandigheden (deels) op het aangeschafte voorwerp (de auto) kan worden verhaald. Maar voor de berekening van het voordeel en de oplegging van de betalingsverplichting is dat niet van belang. [5] ’s Hofs overweging, inhoudend ‘dat de betrokkene door de aankoop van die goederen het risico heeft genomen dat deze tijdens een strafrechtelijk onderzoek in beslag zouden worden genomen en daarna vernietigd’ en ’s hofs oordeel dat het ‘hierin geen reden (ziet) de omvang van de betalingsverplichting te matigen’ sluiten daarbij aan.
NJ2016/283 m.nt. Reijntjes heeft Uw Raad uit de memorie van toelichting bij de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming afgeleid dat ‘ook door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.’ Mede tegen die achtergrond heeft Uw Raad overwogen dat ’s hofs oordeel dat het onder de betrokkene inbeslaggenomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag niet in mindering moest worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting ‘in zijn algemeenheid onjuist’ was.
NJ1998/841 naar voren komt. Uit
NJ2016/283 volgt dat het in mindering brengen van het inbeslaggenomen geldbedrag niet zijn grondslag vindt in de verbeurdverklaring als zodanig, maar in de omstandigheid dat het geldbedrag ‘door middel van of uit de baten van het strafbare feit’ is verkregen en op die grond verbeurd is verklaard. [6] Inbeslaggenomen drugs zullen gewoonlijk worden verbeurdverklaard (of onttrokken aan het verkeer) omdat het om voorwerpen gaat met betrekking tot welk een (in de Opiumwet strafbaar gesteld) feit is begaan.
NJ2016/283 is niet, dat vermogensbestanddelen die aan de veroordeelde toebehoren en wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigen reeds aan hem zijn ontnomen. De gedachte is dat deze reeds als ‘door middel van of uit de baten van een strafbaar feit’ (en daarmee ‘wederrechtelijk’) verkregen voordeel zijn ontnomen. Situaties waarin de overheid de betreffende vermogensbestanddelen op andere grondslag aan de betrokkene ontneemt staan, wat de toepassing van de ontnemingsmaatregel betreft, gelijk aan situaties waarin de betrokkene die vermogensbestanddelen verliest door een ripdeal, brand, ongeluk of verbruik.