Conclusie
1.De feiten
hof): [1]
HHI) is de moedervennootschap van een groep waartoe Welsec Schilders- en Classificeerbedrijf B.V. (hierna:
Welsec) en Nieuwbouw- en Reparatiebedrijf Welgelegen B.V. (hierna:
Welgelegen) behoren (hierna gezamenlijk, in vrouwelijk enkelvoud:
HHI c.s.). HHI houdt alle aandelen in deze dochtervennootschappen.
Industriehaven). Zij hielden zich onder meer bezig met het uitvoeren van onderhouds-, straal-, conserverings- en reparatiewerkzaamheden aan schepen.
Staat) Welsec en Welgelegen aansprakelijk gesteld voor de kosten van sanering van de Industriehaven. Namens de Staat is de aansprakelijkstelling herhaald en is de verjaring van de vordering tot vergoeding van de kosten van sanering gestuit.
verontreinigingsprocedure).
Deloitte) heeft in opdracht van HHI en Welsec de jaarrekeningen van Welsec over de jaren 2000 t/m 2009 gecontroleerd.
5. Welgelegen & Welsec/ Staat
Welgelegen/Staat
(...)
Welgelegen en Welsec/Staat
curator) als curator aangesteld.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
Hieraan heeft de curator ten grondslag gelegd dat Deloitte jegens de schuldeisers van Welsec onrechtmatig heeft gehandeld door in de toelichting op de jaarrekeningen van Welsec vanaf 2005 in strijd met art. 2:384 lid 3 BW Pro niet te vermelden dat de juistheid van de continuïteitsveronderstelling waarop die jaarrekeningen gebaseerd zijn aan gerede twijfel onderhevig was en door ten onrechte geen mededelingen te doen van de invloed hiervan op het vermogen en resultaat van Welsec. Voorts verwijt de curator Deloitte dat geen controlemaatregelen zijn genomen of waarschuwingen zijn gegeven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar konden worden gevergd. Zulks ter voorkoming van het gevaar dat Welsec acuut in continuïteitsproblemen zou komen te verkeren, zodra de Staat het vonnis van de rechtbank ten uitvoer zou leggen.
vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van de curator tegen Deloitte afgewezen. Zij heeft de curator in de proces- en nakosten van Deloitte veroordeeld, te vermeerderen met wettelijke rente, en haar vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
arrest) bekrachtigt het hof het vonnis, voor zover gewezen tussen de curator en Deloitte, en veroordeelt het hof de curator in de proceskosten in hoger beroep met inbegrip van de nakosten, beide te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en wijst het meer of anders gevorderde af.
Aan deze beslissingen liggen, onder meer, de volgende overwegingen ten grondslag: (rov. 3.2-3.18 van het arrest)
Inleiding
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Het onderdeel klaagt ten eerste erover dat ’s hofs oordelen zoals weergegeven in de eerste alinea van het onderdeel onjuist zijn, omdat: op grond van art. 2:374 BW Pro - waarin IAS 37 door de wetgever overeenkomstig de moderniseringsrichtlijn is geïmplementeerd - moet worden beoordeeld of sprake is van een verplichting die op de balansdatum vaststaand of waarschijnlijk is, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zal ontstaan; “[o]vereenkomstig, althans in aanmerking nemend”, de criteria voor het opnemen van een voorziening in IAS 37 beoordeeld dient te worden of het meer waarschijnlijk is dan niet, oftewel of de kans groter is dan 50% dat de (in het vonnis bevestigde) verplichting van Welsec jegens de Staat bestaat en dat de afwikkeling ervan een uitstroom van middelen van Welsec vereist, [8] en of het bedrag van de verplichting op een voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat; [9] en het hof ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, deze maatstaven aanlegt. [10] Het onderdeel voegt hieraan toe, ten tweede, de klacht dat het hof bij zijn oordeel dat Deloitte de inschatting van het bestuur juist mocht achten bovendien niet (kenbaar) beoordeelt of het bestuur van Welsec en Deloitte deze maatstaven hebben aangelegd en op basis daarvan tot het oordeel konden komen dat geen voorziening hoefde te worden opgenomen. [11]
Startpunt is de vaststelling dat de onderhavige jaarrekeningen van Welsec zijn opgemaakt overeenkomstig het ‘gemene’ jaarrekeningenrecht van Titel 9 van Boek 2 BW, daar Welsec niet beursgenoteerd was en ook niet, gebruikmakend van de mogelijkheid die art. 2:362 lid 8 BW Pro biedt, vrijwillig heeft gekozen voor de toepassing van de zogenoemde EU IFRS (kort gezegd: de standaarden zoals vastgesteld door de International Accounting Standards Board (hierna ook de
IASB) en zoals goedgekeurd door de Europese Commissie). [12] Voorts stel ik centraal het jaarrekeningenrecht zoals dat gold voor de in deze zaak relevante boekjaren 2005 t/m 2009, [13] al wijkt het huidige recht daarvan inhoudelijk niet veel af.
De ‘grondnorm’ van Titel 9 van Boek 2 BW is te vinden in art. 2:362 lid 1 BW Pro, luidende:
RJ-richtlijnen) uitvaardigt en die, zoals de Hoge Raad in 2006 heeft beslist, van belang zijn bij de vaststelling van wat in voornoemde zin maatschappelijk aanvaardbaar is en die in het concrete geval “een belangrijk oriëntatiepunt en gezaghebbende kenbron” vormen. [16] De RJ-richtlijnen kunnen (het bestuur van) de rechtspersoon rugdekking bieden, in de zin dat als die richtlijnen worden gevolgd, dit een “belangrijke aanwijzing is dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid aan de rechtspersoon moet worden gelaten (…) niet is overschreden.” [17] Het aldus neergezette bouwwerk gaat uit, zo valt hier voorop te stellen, van een benadering die meer als ‘principle based’ dan als ‘rule based’ is aan te merken. [18] Uiteindelijk gaat het om toepassing van de grondnorm, om de vraag of het vereiste inzicht is verschaft volgens de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, zoals bedoeld in art. 2:362 lid 1 BW Pro. De RJ-richtlijnen hebben gezag, maar strekken niet tot dwingende wet. [19] Zelfs de wettelijke inrichtingsvoorschriften van Titel 9 van Boek 2 BW zijn niet absoluut, gelet op art. 2:362 lid 4 BW Pro dat de rechtspersoon gebiedt om meer gegevens op te nemen dan volgens die voorschriften is vereist dan wel om van die voorschriften af te wijken, indien het met de jaarrekening te geven inzicht dit vereist respectievelijk daartoe noodzaakt. Verder wordt (het bestuur van) de rechtspersoon dus in redelijkheid ruimte gelaten bij de in verband met de inrichting van de jaarrekening te maken keuzes, zoals uit het Hoge Raad-arrest van 2006 volgt, [20] welke ruimte er blijkens een Hoge Raad-arrest uit 2000 ook is bij het al dan niet opnemen van een voorziening. [21] Ter zake komt (het bestuur van) de rechtspersoon aldus, in de woorden van A-G Timmerman, “een zekere vrijheid” toe. [22] Een en ander heeft zijn weerslag op de rechter, die zich in gepaste verhouding hiermee terughoudend opstelt en er rekening mee houdt dat verschillende visies op de inrichting van de jaarrekening mogelijk zijn. [23] Ook de regels omtrent het al dan niet opnemen van voorzieningen, zoals nu uiteen te zetten, moeten worden bezien in dit licht.
Art. 2:374 lid 1 BW Pro regelt wanneer een voorziening moet worden opgenomen. De huidige tekst van de bepaling geldt voor jaarrekeningen over boekjaren die zijn aangevangen op of na 1 januari 2005 en dus voor alle jaarrekeningen in de onderhavige zaak: [24]
IAS), [28] ook wat betreft het opnemen van voorzieningen zoals blijkt uit de toelichting van de Europese Commissie op de door haar voorgestelde moderniseringsrichtlijn: [29]
Dit artikel [art. 2:374 BW Pro, A-G] regelt ter uitvoering van artikel 20 lid 1 vierde Pro richtlijn de gevallen waarin voorzieningen op de balans mogen worden opgenomen. Artikel 1 lid Pro 7 moderniseringsrichtlijn wijzigt artikel 20 vierde Pro richtlijn naar aanleiding van de striktere definitie van IAS 37. Onder IAS 37 mag slechts een voorziening worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande verplichtingen die onvermijdbaar zullen leiden tot een uitstroom van middelen en waarvan de omvang op betrouwbare wijze kan worden geschat. Voorgesteld wordt artikel 2:374 BW Pro conform artikel 1 lid 7 van Pro de moderniseringsrichtlijn te wijzigen. De mogelijkheid om voorzieningen op te nemen tegen op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs valt te schatten (het huidige onderdeel b van lid 1), komt te vervallen. De term «risico’s» is een onvoldoende afgebakende term die niet als onderscheidend criterium kan dienen omdat hij een breder gebied bestrijkt dan IAS 37.
In de onderhavige zaak noemt het hof, blijkens rov. 3.8(-3.9), in het bijzonder, naast art. 2:374 lid 1 BW Pro (ingevolge deze bepaling “worden op de balans voorzieningen opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan”), alsmede de passages in rov. 3.5 [38] en 3.12, “RJ 252.201” van de RJ-richtlijnen. Daarin is geregeld “de verplichting van het bestuur van een vennootschap om bij het opstellen van een jaarrekening (voor de controlerend accountant: bij het controleren van de jaarrekening) een voorziening in de jaarrekening op te nemen”, wat alleen geldt onder de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
Bij de voorwaarde onder (ii) (althans (b)) hiervoor wordt aangenomen dat “waarschijnlijk”, evenals in IAS 37 (IAS 37.23), betekent een kans groter dan 50%. [44] Het hof wijst kenbaar op het niet voldaan zijn aan deze voorwaarde in rov. 3.13, tweede alinea (“Toen het bestuur de jaarrekening 2005 opstelde”, etc.), waar het tot uitdrukking brengt dat Deloitte wat betreft de jaarrekening over 2005 mocht volgen de overtuiging van (het bestuur van) Welsec dat het vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof geen stand zou houden (omdat zij in dat vonnis ten onrechte als aansprakelijke partij werd aangewezen, zie rov. 3.9), voor welk standpunt (het bestuur van) Welsec bevestiging vond in het rapport van haar deskundige (zie ook rov. 3.9), reden waarom zij hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis, waarmee het hof dus ook kenbaar rekent met een (voor Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (want uitgaande van de te volgen overtuiging van (het bestuur van) Welsec van het in hoger beroep door vernietiging van het vonnis wegvallen van haar aansprakelijkheid jegens de Staat, waarbij van zo’n voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec naar de aard geen sprake zou zijn). Daarbij betrekt het hof, mede gelet op rov. 3.9, dat waar ten tijde van het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte bijna een jaar verstreken was sinds het vonnis was gewezen, en de Staat op dat moment nog steeds geen executiemaatregelen had getroffen maar kennelijk het oordeel van het gerechtshof in het inmiddels door Welsec ingestelde hoger beroep afwachtte, dat oordeel van het gerechtshof, waarop die overtuiging van (het bestuur van) Welsec dus zag, een doorslaggevende omstandigheid werd. Hieraan doet logischerwijs niet af dat het hof in rov. 3.13, eerste alinea, in de bredere context van die passage, kortweg overweegt dat met het vonnis niet gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is, wat overigens niet onjuist is. Het hof trekt deze lijn door in rov. 3.13, derde alinea (“Toen de jaarrekening 2006 moest worden gecontroleerd”, etc.), waar het vaststelt dat toen de jaarrekening over 2006 moest worden gecontroleerd de in rov. 3.13, tweede alinea bedoelde situatie “ongewijzigd” was, met dien verstande dat in een lawyer’s letter (geciteerd in rov. 2.13), naar ’s hofs verkorte weergave, werd opgemerkt dat de uitkomst van het hoger beroep niet gemakkelijk was te voorspellen, maar dat de verwachting was dat een eventuele veroordeling lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen. Dit komt erop neer dat het hof ook hier rekent met een (door Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (al lag die wellicht wat hoger dan in het jaar ervoor, gelet op de lawyer’s letter waarin een veroordeling van Welsec ook weer niet werd uitgesloten, en waaruit wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid voor Welsec bij een veroordeling, zo daarvan al sprake zou zijn, niet meer sprak dan dat deze lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen).
De voorwaarde onder (iii) (althans (c)) hiervoor komt ook terug in IAS 37. [45] Het hof wijst kenbaar op het niet voldaan zijn aan deze voorwaarde in rov. 3.13, vierde alinea (“Op 21 november 2007 werd een tussenarrest gewezen”, etc.) en rov. 3.13, vijfde alinea (“In 2008 vond het deskundigenonderzoek plaats”, etc.), waar het tot uitdrukking brengt met betrekking tot de jaarrekening over 2007 dat weliswaar met het tussenarrest van het gerechtshof van 21 november 2007 duidelijk was - dat het vonnis op basis van de toen beschikbare informatie geen stand zou houden, alsmede - dat Welsec nog steeds aansprakelijk werd gehouden voor (een deel van) de schade, wat insluit dat niet langer gezegd kon worden dat van een noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec ter zake als bedoeld onder (ii) (althans (b)) hiervoor geen sprake zou zijn, maar ook dat de omvang van die aansprakelijkheid echter onduidelijk was. Daarbij betrekt het hof, mede gelet op rov. 2.14, dat het gerechtshof een deskundigenonderzoek naar de bronnen van de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven en de bijdrage van de activiteiten van Welgelegen en Welsec aan de verontreiniging noodzakelijk achtte, nu er weliswaar voorshands van uit diende te worden gegaan dat de aangetroffen verontreiniging van de bodem van de Industriehaven in de directe omgeving van de scheepswerf in elk geval voor een gedeelte door Welgelegen en Welsec was veroorzaakt, maar nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven. Dit laat zich niet anders verstaan dan dat in dit specifieke geval, waarin zich blijkens dat tussenarrest zonder zo’n deskundigenonderzoek (ook bij benadering) niet liet bepalen welk deel van de met die verontreiniging verband houdende schade voor rekening van Welsec diende te komen, nu nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven, Deloitte in navolging van (het bestuur van) Welsec kon aannemen dat ten tijde van de controle van de jaarrekening over 2007 (nog) geen betrouwbare schatting te maken viel van de omvang van Welsecs gehoudenheid tot schadevergoeding, oftewel aansprakelijkheid jegens de Staat (en daarmee evenmin van de voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec). [46] Hieraan doet logischerwijs niet af dat het hof in rov. 3.13, eerste alinea, in de bredere context van die passage, kortweg overweegt dat met het vonnis niet gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is, wat overigens niet onjuist is.
Uit dit een en ander volgt dat, ook indien wordt aangenomen dat in de onderhavige zaak door het hof overeenkomstig althans in aanmerking nemend de maatstaven (criteria) voor het opnemen van een voorziening in IAS 37 beoordeeld moest worden of, kort gezegd, in de gegeven omstandigheden Deloitte aan (het bestuur van) Welsec had moeten adviseren op de voet van art. 2:374 lid 1 BW Pro een voorziening op te nemen in haar jaarrekening(en) over 2005, 2006 en/of 2007 vanwege de vordering van de Staat op Welsec, alsmede dat het hof zich bij beantwoording van die vraag in rov. 3.13 niet specifiek (ook) heeft gericht op die maatstaven in IAS naast genoemde wetsbepaling en de in rov. 3.8 genoemde voorwaarden zoals bedoeld in RJ 252.201, de relevantie en (daarmee) het belang daarvan niet valt in te zien, nu het hof met de in rov. 3.13 gevolgde benadering, waarin het zich dus toespitst op de vereisten onder (ii) en (iii) (althans (b) en (c)) hiervoor, en met inachtneming van het partijdebat, naar de kern genomen ook blijft binnen de parameters (bandbreedte) van de daarop betrekking hebbende maatstaven in IAS 37 waarop het onderdeel doelt en die aldus in wezen ook aanlegt, wat tevens laat zien dat de uitkomst van ’s hofs beoordeling, te weten negatieve beantwoording van genoemde vraag, niet anders was geweest als het wel (primair) deze maatstaven had aangehouden. Voor zover het onderdeel bij de eerste klacht uitgaat van een andere lezing van het arrest, [47] loopt het vast op een gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het onderdeel bij de eerste klacht wel feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande. Voor zover de tweede klacht in het onderdeel nog zelfstandige betekenis heeft na het vastlopen van de eerste klacht, geldt dat de tweede klacht hoe dan ook faalt, gelijk de eerste klacht. Zelfs als zou worden aangenomen dat het door de curator aan Deloitte gemaakte verwijt zoals weergegeven in rov. 3.6 (waarop het hof respondeert in rov. 3.13(-3.16), met inachtneming ook van het ter zake door Deloitte gevoerde verweer, waarover rov. 3.8-3.9) het hof aanleiding gaf in rov. 3.13 ook te betrekken of (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd op basis van de door hen aangelegde maatstaven tot het oordeel konden komen dat geen voorziening hoefde te worden opgenomen in de desbetreffende jaarrekeningen van Welsec (dus over 2005 t/m 2007), [48] geldt dat het hof, mede gelet op rov. 3.8-3.9 en 3.14, in rov. 3.13 (ook) ervan uitgaat dat (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd naast art. 2:374 lid 1 BW Pro de in rov. 3.8 genoemde voorwaarden zoals bedoeld in RJ 252.201 hebben gehanteerd en op basis daarvan (redelijkerwijs) tot het oordeel konden komen dat geen voorziening hoefde te worden opgenomen in die jaarrekeningen, waarover dus ook hiervoor. [49] Gelet ook op de behandeling van de eerste klacht, waarnaar ik kortheidshalve verwijs, valt niet in te zien wat de relevantie en (daarmee) het belang ervan zouden zijn dat het hof daarbij niet (ook) beoordeelt of (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd de relevante maatstaven in IAS 37 hebben aangelegd, dit nog daargelaten dat, zoals gezegd, partijen in hun debat ter zake die maatstaven niet (ook) hebben betrokken. [50] Op dit punt aangekomen, behoeven de eerste twee klachten geen verdere behandeling.
Hierop stuiten de eerste twee klachten af.
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof in rov. 3.13 (eerste alinea) van het arrest overweegt dat wat betreft de vorming van een voorziening sprake is van een “keuzevrijheid”, met voorbijzien aan het gegeven dat het bestuur steeds dient te beoordelen, en de accountant steeds dient te toetsen, of aan de criteria voor de vorming van een voorziening is voldaan, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Wat het hof daar overweegt, komt erop neer dat bij het in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin bedoelde geval uiteraard door het bestuur beoordeeld moet worden, en door de accountant getoetst moet worden, of aan de criteria voor de vorming van een voorziening ter zake is voldaan, met dien verstande dat met zo’n (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis nog niet gegeven is dát een voorziening ter zake gevormd moet worden (waarbij het hof niet uit het oog verliest dat aan deze beoordeling, en daarmee ook aan deze toetsing, een zekere, contextuele redelijkheidsmarge eigen is: zie onder 3.3 hiervoor). Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat in zo’n geval (in beginsel) wel gegeven is dat een voorziening ter zake gevormd moet worden, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu dat bezien moet worden binnen het relevante normatieve kader en aan de hand van de omstandigheden van het geval naar het moment van beoordeling/toetsing, met inbegrip van ontwikkelingen die zich na het vonnis hebben voorgedaan, met welke volwaardige multi-factor waardering de door het subonderdeel voorgestane (al te rigide) benadering (waaruit overigens ook niet duidelijk blijkt waarom dat dan zo zou zijn, anders dan die blote stelling ter zake) zich m.i. niet althans onvoldoende verhoudt. Het hof miskent dit niet, mede gelet op rov. 3.13(-3.16). Dat in zo’n geval temeer reden voor de accountant bestaat de inschatting van het bestuur niet (zonder meer) juist te achten, zoals het subonderdeel nog (bloot) stelt, valt noch in zijn algemeenheid vol te houden, nu de toetsing daarvan door de accountant in de concrete situatie telkens mede zal (mogen) afhangen van de onderbouwing van die inschatting door het bestuur, noch in de onderhavige zaak, nu de toetsing daarin door Deloitte van de inschatting van (het bestuur van) Welsec wat betreft haar jaarrekeningen over 2005 t/m 2007 blijkens rov. 3.13 als geheel bezien in verbinding met rov. 3.8-3.10 goed navolgbaar is en te verantwoorden valt (dat en waarom dit anders zou zijn, meldt het subonderdeel ook niet, ook niet indirect), waarbij zij aangetekend dat, naar in cassatie onbestreden, blijkens rov. 3.12 Deloitte als extern accountant in het kader van (de uitvoering van) haar controletaak ter zake in beginsel mocht afgaan op de informatie verkregen in de daar bedoelde besprekingen met (het bestuur van) Welsec en lawyer’s letters van de advocaat van Welsec. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.b t/m 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof noemt in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest de door het subonderdeel bedoelde omstandigheid niet als (een door art. 2:374 BW Pro toegelaten) reden om van de vorming van een voorziening in de jaarrekening af te zien, maar brengt daarmee ‘slechts’ - en overigens niet ten onrechte - tot uitdrukking, in de bredere context van rov. 3.13, eerste alinea, dat de vorming van een voorziening in de jaarrekening naar de aard zekere consequenties heeft, [51] wat onderstreept dat telkens goed bezien moet worden of aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening in de jaarrekening is voldaan (waarbij het bestuur (en de controlerend accountant) ter zake een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, zie ook onder 3.3 en 3.5 hiervoor). Zoals blijkt uit het vervolg van rov. 3.13, waarover nader onder 3.3 hiervoor, heeft naar ’s hofs oordeel in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie, Deloitte de inschatting van (het bestuur van) Welsec om geen voorziening op te nemen in de jaarrekeningen van Welsec over de jaren 2005 t/m 2007, juist mogen achten. Naar blijkt uit het voorgaande, heeft het hof daarbij niet (ook) het oog op bepaalde gevolgen van de vorming van een voorziening in de jaarrekening die in dit geval tegen de vorming van een voorziening in de jaarrekening van Welsec pleitten. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a en 1.c t/m 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.
Hierop stuit het subonderdeel af.
gegeven isdat de veroordeling
daadwerkelijktot schade zal leiden”, nu het erom gaat of het
waarschijnlijkis (in de zin van een kans van meer dan 50%) dat de veroordeling (in het vonnis van de rechtbank, bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin) tot een uitstroom van middelen zal leiden.
Het hof overweegt in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest dat de vorming van een voorziening in een geval als bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin uiteraard dient te worden overwogen, maar niet zonder meer in de rede ligt, omdat “[h]et immers niet zonder gevolgen [is], en met de uitspraak niet gegeven [is] dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is”, nu de vraag of dat aan de orde is, moet worden beoordeeld op het moment van de controle van de jaarrekening, met inachtneming van de ontwikkelingen zoals die zich sinds de uitspraak hebben voorgedaan. Tot die beoordeling gaat het hof vervolgens over vanaf rov. 3.13, tweede alinea uitmondend in rov. 3.13, slotalinea, te lezen in verbinding ook met rov. 3.8-3.10, mede handelend over het normatieve kader van art. 2:374 lid 1 BW Pro en de RJ-richtlijnen (in het bijzonder RJ 252.201). Zoals uiteengezet onder 3.3 hiervoor, gaat het hof daarbij wat betreft de voorwaarde onder (ii) (althans (b)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8) waar betrokken door het hof ervan uit dat aan de vereiste waarschijnlijkheid niet was voldaan, daarbij kenbaar rekenend met een (voor Deloitte aan te houden) kans op het tot een uitstroom van middelen voor Welsec leiden van de veroordeling die niet groter maar kleiner was dan 50%. Naar blijkt uit het voorgaande, stelt het hof in werkelijkheid niet een hogere eis aan die kans dan voorgestaan door het subonderdeel. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a t/m 1.b en 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Met zijn overweging in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest dat de bedoelde schade “voldoende kwantificeerbaar” moet zijn, doelt het hof op de voorwaarde onder (iii) (althans (c)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), waaraan inherent is de mogelijkheid van een betrouwbare schatting ter zake (waarnaar het hof ook verwijst bij de weergave van het verweer van Deloitte in rov. 3.9, wat betreft het op betrouwbare wijze kunnen begroten van de daar bedoelde uitstroom van middelen). Zoals mede blijkt uit rov. 3.13, vierde alinea, waarover ook onder 3.3 hiervoor, ziet het hof evenmin eraan voorbij dat die mogelijkheid er veelal zal zijn, maar oordeelt het dat in dit specifieke geval zich de spreekwoordelijke ‘uitzondering op de regel’ voordoet. Naar blijkt uit het voorgaande, redeneert het hof in werkelijkheid niet vanuit een onjuiste rechtsopvatting omtrent de mogelijkheid van een betrouwbare schatting ter zake, zoals ten grondslag ligt aan het subonderdeel. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a t/m 1.c, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.
Hierop stuit het subonderdeel af.
De hoofdklacht voert aan dat, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer valt in te zien dat Deloitte de inschatting van het bestuur van Welsec juist mocht achten dat, ondanks het vonnis van 9 november 2005 waarbij Welsec was veroordeeld tot betaling aan de Staat van € 1,3 miljoen, het bestaan van een verplichting en enige uitstroom van middelen niet waarschijnlijk was of de omvang daarvan onvoldoende betrouwbaar kon worden geschat. Hiertoe voert het onderdeel aan dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt: (i) dat de kans dat een verplichting van Welsec jegens de Staat bestaat 50% of minder is; (ii) dat de kans dat voor de afwikkeling daarvan enige uitstroom van middelen zal plaatsvinden 50% of minder is; en/of (iii) dat de omvang van de verplichting niet op voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat.
Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat de hoofdklacht uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist deze daarmee feitelijke grondslag, waar deze veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het in de klacht onder (i) bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13 op het in de klacht onder (ii) en (iii) bedoelde) en dat uit de overwegingen van het hof in rov. 3.13 niet blijkt, kort gezegd, dat het in de klacht onder (ii) en (iii) bedoelde hier volgens het hof aan de orde is (dat blijkt wel uit die overwegingen, waaraan logischerwijs niet afdoet dat het hof daar niet (ook) met zoveel woorden overweegt dat de kans dat voor de onder (ii) bedoelde afwikkeling enige uitstroom van middelen van Welsec zal plaatsvinden 50% of minder is en/of dat de onder (iii) bedoelde omvang niet op voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat). Voor zover nodig naar aanleiding van de subonderdelen 2.a t/m 2.g bevat de behandeling van die subonderdelen nog een aanvulling op het voorgaande, waarmee hier ook rekening is gehouden.
Hierop stuit de hoofdklacht af.
Voor zover het subonderdeel betoogt dat de veroordeling van Welsec in eerste aanleg zoals bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin van het arrest op zichzelf verplichtte tot het opnemen van een voorziening in de jaarrekening(en) van Welsec over 2005, 2006 en/of 2007, miskent dit dat de op de voet van art. 2:374 lid 1 BW Pro te verrichten beoordeling intrinsiek contextafhankelijk is, zoals het hof in rov. 3.13, eerste alinea (en verder) ook benadrukt (zie bijvoorbeeld ook rov. 3.5, tweede zin en slotzin). Met zo’n veroordeling is nog niet gezegd, althans niet zonder inachtneming ook van de omstandigheden het geval, dat op de balansdatum is voldaan aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening in de jaarrekening. Zie ook onder 3.3 en 3.5 hiervoor. In zoverre redeneert het subonderdeel vanuit een onjuiste rechtsopvatting, waarvan het hof dus niet hoefde uit te gaan noch is uitgegaan, en brengt het daarin aangevoerde niet mee dat ’s hofs overwegingen in rov. 3.13 ontoereikend zijn gemotiveerd. Waar het subonderdeel aanvoert dat genoemd veroordelend vonnis een sterke aanwijzing vormde dat aan de criteria voor het opnemen van een voorziening is voldaan, en in het verlengde daarvan dat deze omstandigheid ook een sterke aanwijzing vormde dat de inschatting van (het bestuur van) Welsec niet juist kon worden geacht, strandt het subonderdeel eveneens. Voor zover het subonderdeel daarmee betoogt dat voor het hier moeten opnemen van een voorziening in de jaarrekening(en) van Welsec over 2005, 2006 en/of 2007 volstond dat dit vonnis zo’n sterke aanwijzing vormde, miskent het evenzeer dat dit niet strookt met die op de voet van art. 2:374 lid 1 BW Pro te verrichten, intrinsiek contextafhankelijk beoordeling, van welke onjuiste rechtsopvatting het hof evenmin hoefde uit te gaan noch is uitgegaan. Voor zover het subonderdeel daarmee betoogt dat het hof zijn oordeel in rov. 3.13 nader had dienen te motiveren, geldt dat, ook als dit vonnis zo’n gekwalificeerde aanwijzing zou opleveren, het hof, mede gelet op de vooropstellingen in rov. 3.13, eerste alinea, kenbaar en afdoende het nodige gewicht toekent aan dit vonnis in verband met de in rov. 3.13 voorliggende vraag met betrekking tot de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007, maar uiteindelijk en goed navolgbaar oordeelt dat, niettemin, in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie (waarover ook rov. 3.12), Deloitte de inschatting van (het bestuur van) Welsec om in de jaren 2005, 2006 en 2007 geen voorziening op te nemen, juist mocht achten. Dit oordeel is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk te noemen. Zie ook weer onder 3.3 en 3.5 hiervoor. Het subonderdeel legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist het daarmee feitelijke grondslag, waar het veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het onder 3.17 hiervoor onder (i) bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13, kort gezegd, op het onder 3.17 hiervoor onder (ii) en (iii) bedoelde) en dat ’s hofs in het subonderdeel bedoelde, kenbaar omstandighedenafhankelijke oordeel alleen steunt op rov. 3.13, tweede alinea (nu dat oordeel onder meer ook steunt op rov. 3.13, derde t/m vijfde alinea, in het verlengde van rov. 3.13, eerste en tweede alinea). Daarbij zij aangetekend, mede onder verwijzing naar 3.3 hiervoor:
Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist het daarmee feitelijke grondslag, waar het veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het onder 3.19 hiervoor onder (i) bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13, kort gezegd, op het onder 3.19 hiervoor onder (ii) en (iii) bedoelde) en dat ’s hofs in het subonderdeel bedoelde, kenbaar omstandighedenafhankelijke oordeel alleen steunt op rov. 3.13, tweede alinea (nu dat oordeel onder meer ook steunt op rov. 3.13, derde t/m vijfde alinea, in het verlengde van rov. 3.13, eerste en tweede alinea). Daarbij zij aangetekend, mede onder verwijzing naar 3.3 hiervoor:
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande subonderdelen, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Ook overigens loopt het subonderdeel vast. Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Onderdeel daarvan is dat het hof in rov. 3.13, derde alinea, eveneens in het kader van voorwaarde (ii) (althans (b)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), ingaat op het tijdvak waarin de jaarrekening van Welsec over 2006 door Deloitte werd gecontroleerd, waarbij het hof de in rov. 3.13, tweede alinea gevolgde lijn doortrekt waar het vaststelt dat toen die jaarrekening moest worden gecontroleerd de in rov. 3.13, tweede alinea bedoelde situatie “ongewijzigd” was, met dien verstande dat in een lawyer’s letter (geciteerd in rov. 2.13), naar ’s hofs verkorte weergave, werd opgemerkt dat de uitkomst van het hoger beroep niet gemakkelijk was te voorspellen, maar dat de verwachting was dat een eventuele veroordeling lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen. Zoals gezegd, komt dit erop neer dat het hof ook hier rekent met een (door Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (al lag die wellicht wat hoger dan in het jaar ervoor, gelet op de lawyer’s letter waarin een veroordeling van Welsec ook weer niet werd uitgesloten, en waaruit wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid voor Welsec bij een veroordeling, zo daarvan al sprake zou zijn, niet meer sprak dan dat deze lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen). In de lawyer’s letter over 2006, zoals geciteerd in rov. 2.13, staat het volgende over de procedure van Welsec tegen de Staat:
5. Welgelegen & Welsec/StaatProcedure betreffende bodemvervuiling industriehaven te Harlingen. In eerste aanleg is de vordering van de Staat toegewezen. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Er is zeer recent gepleit en het Hof heeft de Staat aangegeven dat deze er verstandig aan doet om met Welgelegen & Welsec tot een regeling te komen. De indruk is, dat mocht het Hof arrest gaan wijzen, het vonnis van de rechtbank vernietigd zal worden.
Door de Rechtbank was € 1.292.215,61 met wettelijke rente toegewezen. Wat er uiteindelijk uit gaat komen valt niet zo gemakkelijk te voorspellen, maar naar inschatting in ieder geval minder dan de rechtbank heeft toegewezen.”
Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Ook overigens loopt het subonderdeel vast. Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Onderdeel daarvan is dat het hof in rov. 3.13, vierde en vijfde alinea, in het kader van voorwaarde (iii) (althans (c)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), tot uitdrukking brengt met betrekking tot de jaarrekening van Welsec over 2007 dat weliswaar met het tussenarrest van het gerechtshof van 21 november 2007 in de zaak tussen de Staat en Welsec duidelijk was - dat het vonnis op basis van de toen beschikbaar informatie geen stand zou houden, alsmede - dat Welsec nog steeds aansprakelijk werd gehouden voor (een deel van) de schade, wat insluit dat niet langer gezegd kon worden dat van een noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec ter zake zoals genoemd onder (ii) (althans (b)) onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8) geen sprake zou zijn, maar ook dat de omvang van die aansprakelijkheid echter onduidelijk was. [65] Daarmee oordeelt het hof, mede gelet op rov. 2.14 en kort gezegd, dat in dit specifieke geval, waarin zich blijkens dat tussenarrest zonder zo’n deskundigenonderzoek (ook bij benadering) niet liet bepalen welk deel van de met die verontreiniging verband houdende schade voor rekening van Welsec diende te komen, nu nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven, Deloitte in navolging van (het bestuur van) Welsec kon aannemen dat ten tijde van de controle van de jaarrekening over 2007 (nog) geen betrouwbare schatting te maken viel van de omvang van Welsecs gehoudenheid tot schadevergoeding, oftewel aansprakelijkheid jegens de Staat (en daarmee evenmin van de voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec). [66] Het hof betrekt daarbij in rov. 3.13, vierde alinea, tweede zin ook dat in de daar bedoelde lawyer’s letter over 2007, zoals geciteerd in rov. 2.15 en hierna voor zover relevant weergegeven, het door het hof in rov. 3.13, vierde alinea, eerste zin samengevatte oordeel van het gerechtshof in genoemd tussenarrest van 21 november 2007 eveneens aan Deloitte werd medegedeeld (alsook dat, blijkens rov. 3.13, vierde alinea, derde zin, een afschrift van genoemd tussenarrest aan Deloitte werd verstrekt), waarmee het hof geen onbegrijpelijke verbinding legt tussen dat oordeel van het gerechtshof in genoemd tussenarrest van 21 november 2007 en de lawyer’s letter over 2007:
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Voor het overige loopt het subonderdeel erop vast dat de daarin bedoelde overwegingen van het hof in rov. 3.13, zesde alinea van het arrest niet los gezien kunnen worden van de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof in rov. 3.13, die dus zonder vrucht zijn bestreden met de voorgaande klachten en ’s hofs oordeel in rov. 3.13, zesde alinea, eerste zin afdoende schragen, nog daargelaten ’s hofs overwegingen in rov. 3.12 (waaruit mede volgt, in cassatie onbestreden, dat Deloitte als externe controlerend accountant in beginsel mocht afgaan op de met de daar bedoelde jaarlijkse besprekingen (met (het bestuur van) Welsec) en lawyer’s letters (van de advocaat van Welsec) verkregen informatie (waarop rov. 3.13-3.16 weer voortbouwen), waarin besloten ligt dat Deloitte in het kader van haar controletaak ter zake in beginsel niet zelf onderzoek hoefde te doen naar aanleiding van die verkregen informatie (op een of meer onderdelen, zoals de kans van slagen van het hoger beroep of de beweegredenen van de Staat om het vonnis (nog) niet te executeren) en/of los daarvan, welke lijn het hof (ook) in rov. 3.13, zesde alinea doortrekt). Bij deze stand van zaken kan, anders dan het subonderdeel veronderstelt, niet worden gezegd dat het Deloitte ontbrak aan gegevens die de inschatting van (het bestuur van) Welsec om geen voorziening op te nemen in de jaarrekening(en) over 2005, 2006 en/of 2007 konden rechtvaardigen (zodat zij vanwege het ontbreken van zulke gegevens die inschatting zonder zelf onderzoek te doen niet (zonder meer) juist kon achten), waaruit volgt dat evenmin sprake is van de door het subonderdeel aangevoerde onjuiste rechtsopvatting van, althans ontoereikende motivering door, het hof.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Voor het overige loopt het subonderdeel erop vast:
In rov. 3.14 oordeelt het hof dat het voorlopige rapport van 14 februari 2009 en het definitieve rapport van 4 juli 2009 van de door het gerechtshof in de procedure van Welsec tegen de Staat benoemde deskundigen, waarin Welsec werd aangewezen als de veroorzaker van de vervuiling, niet betekenen dat Deloitte haar goedkeurende verklaring aan de jaarrekeningen over 2008 en 2009 had moeten onthouden vanwege het ontbreken van een voorziening. Volgens het hof zijn deze rapporten namelijk aan Deloitte onthouden (rov. 3.14, eerste alinea). Daarbij baseert het hof zich op het verslag van de bespreking van 28 april 2010 (ten behoeve van de afronding van de controle over 2009) en de lawyer’s letter van 29 januari 2010 over het boekjaar 2009. Omdat er voor het overige geen aanwijzingen voor zijn dat Deloitte van de deskundigenrapporten op de hoogte was of had moeten zijn, moet het volgens het hof ervoor worden gehouden dat Deloitte niet juist en niet volledig is voorgelicht door het bestuur en de advocaat van Welsec. Deloitte treft daarom geen verwijt ervan dat zij het deskundigenrapport niet heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of een voorziening moest worden gevormd en kan ook niet worden verweten dat zij het bestuur niet heeft geadviseerd een voorziening te vormen dan wel haar goedkeurende verklaring te onthouden aan deze jaarrekeningen, aldus het hof in rov. 3.15. Deze oordelen zijn onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Uit rov. 3.12 van het arrest volgt, in cassatie onbestreden, dat Deloitte als externe controlerend accountant in beginsel mocht afgaan op de met de daar bedoelde jaarlijkse besprekingen (met (het bestuur van) Welsec) en lawyer’s letters (van de advocaat van Welsec) verkregen informatie (waarop rov. 3.13-3.16 inzake de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2009 weer voortbouwen), waarin besloten ligt dat Deloitte in het kader van haar controletaak ter zake in beginsel niet zelf onderzoek hoefde te doen naar aanleiding van die verkregen informatie (op een of meer onderdelen) en/of los daarvan. Uit rov. 3.12, alsook uit rov. 3.13-3.15 (meer feitelijk uitgewerkt), volgt (tevens en) kort gezegd:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het vertrekpunt van het subonderdeel is dat ’s hofs verwijzingen naar het verslag van de bespreking van 28 april 2010 (betreffende de controle over 2009) en naar de lawyer’s letter van 29 januari 2010 (betreffende het boekjaar 2009) niet in de weg staan aan het slagen van subonderdeel 3.a, dat dus wordt verondersteld. Zoals volgt uit 3.32 hiervoor is die veronderstelling onjuist: subonderdeel 3.a faalt. Dat wordt niet anders door hetgeen het onderhavige subonderdeel aanvoert, noch klaagt het subonderdeel daarmee op zichzelf met vrucht over rov. 3.14-3.15 van het arrest. Het hof oordeelt in rov. 3.14-3.15 niet (ook) dat genoemde documenten de controle van de jaarrekening van Welsec over 2008 hebben beïnvloed. Wel gaat het hof daar mede ervan uit, gelet ook op die documenten (naast bijvoorbeeld de in rov. 3.14 weergegeven verklaringen ter zitting in hoger beroep van [betrokkene 1] ) en in verbinding met rov. 3.12-3.13, dat aan Deloitte ook bij de controle van de jaarrekening van Welsec over 2008 (net als bij de controle van de jaarrekening van Welsec over 2009) de in rov. 3.14, zevende zin bedoelde informatie is “onthouden”, [81] dit niettegenstaande Deloitte’s mede onder 3.32 hiervoor uiteengezette betrokkenheid als extern controlerend accountant en contacten in dat verband met (het bestuur van) Welsec en de advocaat van Welsec, waaronder dus de desbetreffende jaarlijkse bespreking tussen (de accountants van) Deloitte en (het bestuur van) Welsec ten behoeve van de accountantscontrole van de jaarrekening van Welsec over 2008, waarbij de vordering van de Staat en de procedure bij het gerechtshof wederom aan de orde kwamen, en gegeven het reeds gewezen en tevens bij Deloitte reeds bekende tussenarrest van 21 november 2007 dus ook het door het gerechtshof gelaste deskundigenonderzoek, als onderdeel van die procedure. Het hof kon daarbij oordelen in rov. 3.14-3.15, zoals het naar de kern genomen doet:
Hierop stuit het subonderdeel af.
Onderdeel 5
Slotsom