Conclusie
1.De feiten
[verweerster]) heeft op 30 januari 2018 de dagvaarding in eerste aanleg aan [eiseres] Holding B.V. (hierna:
[eiseres]) betekend. In de dagvaarding is [eiseres] aangezegd om op de roldatum van 11 april 2018 te verschijnen.
rechtbank) aangebracht. Daarom heeft [verweerster] aan [eiseres] op 17 april 2018 een (eerste) herstelexploot ex art. 125 lid 5 Rv Pro betekend. In dit herstelexploot is [eiseres] aangezegd op de roldatum 23 mei 2018 te verschijnen. [verweerster] heeft een (niet originele) dagvaarding ingediend en [eiseres] heeft zich gesteld. De zaak is ingeschreven onder zaak-/rolnummer C/02/344960/HA ZA 18-327.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
vonnis) heeft de rechtbank de door [eiseres] ingestelde incidentele vordering strekkende tot niet-ontvankelijkheid van [verweerster] in haar vordering toegewezen en is [verweerster] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard; ook is [verweerster] veroordeeld in de kosten. [2] Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de zaak met zaak-/rolnummer C/02/344960/HA ZA 18-327 ambtshalve is doorgehaald en niet opnieuw is opgebracht, dat de rechtbank het door [eiseres] “in de onderhavige procedure” gedane beroep op niet-ontvankelijkheid zal beoordelen aan de hand van de in rov. 2.8 t/m 2.10 van het vonnis bedoelde stukken waarmee “deze procedure is ingeleid” (zie onder 1.7 t/m 1.9 hiervoor) en dat - naar ik begrijp: in de genoemde procedure, dus de zaak met zaak-/rolnummer C/02/346672 / HA ZA 18-435 - de twee door [verweerster] uitgebrachte herstelexploten van 5 en 12 juni 2018 geen rechtsgevolgen hebben, althans niet het rechtsgevolg dat de door [verweerster] ingestelde vordering aanhangig bleef. Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide exploten buiten de daarvoor op grond van art. 125 lid 5 Rv Pro geldende termijn uitgebracht. Voorts kwalificeert - aldus nog steeds de rechtbank - het exploot van 12 juni 2018 niet als herstelexploot, nu daarmee geen gebrek in de zin van art. 120 lid 2 Rv Pro dan wel een andere processuele fout of verzuim wordt hersteld. Het verweer ter zake van [verweerster] wordt door de rechtbank verworpen.
arrest) [3] heeft het hof, kort gezegd, het bestreden vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beoordeling. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
vernietigt het vonnis van 17 oktober 2018 (C/02/346672 HA ZA 18-435), waarvan beroep,
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Ingevolge art. 401a lid 2 Rv kan van een tussenarrest dat niet valt onder art. 401a lid 1 Rv (kort gezegd: het draait niet om toestaan dan wel weigeren van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv) slechts cassatieberoep worden ingesteld tegelijk met het eindarrest, tenzij het hof anders heeft bepaald (kort gezegd: verlof heeft verleend voor het instellen van tussentijds cassatieberoep van het tussenarrest) of art. 75 lid 1 Rv Pro van toepassing is (kort gezegd: het hof zich onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar een lagere rechter). Behoudens zo’n uitzondering is een cassatieberoep van een dergelijke uitspraak in deze systematiek niet-ontvankelijk.
Uit de gedingstukken met inbegrip van het arrest volgt niet dat in het onderhavige geval het hof zo’n verlof heeft verleend noch dat daartoe tijdig is verzocht (ik lees daarin ook geen daartoe strekkende stellingen van [eiseres] ), [6] terwijl duidelijk is dat het arrest niet valt onder art. 401a lid 1 Rv en art. 75 lid 1 Rv Pro niet van toepassing is ( [eiseres] stelt het tegendeel ook niet). De vraag is dan of ’s hofs arrest blijkens het arrest moet worden aangemerkt als een (zuiver) tussenarrest, meer bepaald als een arrest waarin niet door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde (dat wil zeggen: de vordering die inzet is van het geding, in conventie en eventueel reconventie) [7] een einde aan het geding wordt gemaakt, zoals het geval waarin, kort gezegd, de appelrechter bij arrest de in hoger beroep voorliggende zaak terugwijst naar de eerste rechter voor verdere afdoening na vernietiging door die appelrechter van het vonnis waarbij door die eerste rechter een niet-ontvankelijkverklaring van de eiser in diens vordering jegens de gedaagde (in de hoofdzaak) is uitgesproken. [8] Blijkens het - in het licht van, kort gezegd, het lichaam van het arrest te lezen - dictum van het arrest als aangehaald onder 2.6 hiervoor, vernietigt het hof “het vonnis” van de rechtbank (dus het door [verweerster] in hoger beroep bestreden vonnis van 17 oktober 2018 onder zaak-/rolnummer C/02/346672 / HA ZA 18-435, waarover onder 2.1 hiervoor; zie ter zake bijvoorbeeld ook rov. 1 en 3.2-3.4 van het hof) en wijst het hof “de zaak” (wat naar de aard niets anders kan zijn dan de hier voorliggende zaak van [verweerster] tegen [eiseres] waarover het hof oordeelt als appelrechter naar aanleiding van dat door [verweerster] ingestelde hoger beroep tegen genoemd vonnis in eerste aanleg, dus onder zaak-/rolnummer C/02/346672 / HA ZA 18-435) terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing [9] (dit logischerwijs met inachtneming van ’s hofs arrest), zonder daarbij door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde (kort gezegd: de vordering van [verweerster] die inzet is van het geding) [10] een einde aan het geding te maken (zich daar immers beperkend, kort gezegd, tot terugwijzing van de in hoger beroep voorliggende zaak naar de rechtbank voor verdere afdoening na vernietiging van het vonnis waarbij de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van [verweerster] in genoemde vordering uitsprak). [11] Ik kan dit niet anders verstaan dan dat het hof daarmee een (zuiver)
tussenarrest wijst.
De consequentie is dat niet-ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep van [eiseres] moet volgen. Daarbij betrek ik mede dat het in art. 401a lid 2 Rv neergelegde verbod op tussentijds cassatieberoep van een in dat lid 2 bedoeld tussenarrest (behoudens een uitzondering als bedoeld in art. 401a Rv, die hier dus ontbreekt) in verband met de prevalerende rechtszekerheid op dit punt een strakke regel behoort te zijn, zoals ook blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad ter zake. [12] Ik zie in dat licht, en gelet ook op de onder 3.2 hiervoor genoemde Hoge Raad-beschikking van 13 februari 2009, zijn vaste rechtspraak ter zake waarin die strakke regel ook zo wordt gehanteerd (dus strak), [13] alsmede het daarbij nadrukkelijk onderkende belang dat de praktische werkbaarheid van voornoemd stelsel van art. 401a Rv niet in gevaar wordt gebracht, [14] geen grond om [eiseres] hier ontvankelijk te achten in haar cassatieberoep, gericht tegen het (zuivere) tussenarrest van het hof.
Hierop stuit af hetgeen door [eiseres] is aangevoerd tegen voornoemd verweer van [verweerster] [15] (en ook bij het voorgaande is betrokken), wat geen verdere toelichting behoeft.