(i) Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2004 houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en heeft opgegeven te zijn [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de terechtzitting ingeschreven op een adres in [plaats] .
(ii) Tegen het veroordelend vonnis van de politierechter is namens de verdachte diezelfde dag hoger beroep ingesteld. De akte hoger beroep vermeldt dezelfde persoonsgegevens van de verdachte als het vonnis van de politierechter.
(iii) Het onder 1 genoemde arrest houdt in dat het na een behandeling van de zaak bij verstek is gewezen tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , op dat moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Een GBA-overzicht dat is aangevraagd op 30 augustus 2005 vermeldt dat van de verdachte geen GBA- adres bekend is in VIP.
(iv) Bij de stukken van het geding bevindt zich een informatiestaat SKDB-persoon ten name van [betrokkene 1] van 16 november 2018, gehecht aan twee akten van uitreiking van het ressortsparket Arnhem. Onder de historische BRP-adressen vermeldt dit document onder meer dat [betrokkene 1] een vrouw is, die vanaf 31 mei 2001 als ingezetene stond ingeschreven op een woonadres te [plaats] en vanaf 1 augustus 2008 stond ingeschreven op een ander adres te [plaats] . Vanaf 13 oktober 2015 is bekend dat zij woont in [plaats] . De ene aangehechte akte van uitreiking bevat de personalia van [betrokkene 1] en vermeldt het parketnummer in hoger beroep van de onderhavige zaak. Deze akte is niet ingevuld. De andere akte van uitreiking vermeldt geen geadresseerde, maar houdt wel in dat de ‘aan de ommezijde bedoelde gerechtelijke brief’ op 15 november 2018 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van ‘de geadresseerde’ geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
(v) Voorts bevat het dossier een e-mailbericht, met als afzender [betrokkene 1] , dat op 6 december 2019 is binnengekomen op een e-mailadres van het ressortsparket Arnhem-Leeuwarden. De auteur van het e-mailbericht schrijft op 30 november 2019 een brief te hebben ontvangen die is verzonden op 27 november 2019 en die ziet op een “incident” dat op 2 februari 2004 te [plaats] zou zijn gepleegd. De auteur van het e-mailbericht uit het vermoeden dat sprake is van een persoonsverwisseling, omdat zij in de desbetreffende periode is bevallen van haar dochter, te weten op 9 januari 2004.
(vi) Op dit e-mailbericht heeft een medewerker van het ressortsparket bij e-mail van 9 december 2019 geantwoord dat cassatieberoep kan worden ingesteld.
(vii) Mr. M.J.N. Vermeij heeft op diezelfde dag, 9 december 2019, een griffiemedewerker gemachtigd om namens zijn cliënte [betrokkene 1] tegen de uitspraak van het hof van 13 september 2005 cassatieberoep in te stellen. De volmacht vermeldt dat zijn cliënte op 30 november 2019 op de hoogte is gekomen van het tegen haar gewezen arrest door de ontvangst op die dag van een mededeling uitspraak van 21 november 2019. In de brief wordt verwezen naar een aangehechte bijlage. Deze bijlage behelst twee foto’s en is niet goed leesbaar. Wel valt daaruit op te maken dat de eerste foto een envelop is van een gerechtelijk schrijven dat is gericht aan (…) [betrokkene 1] , wonende op huisnummer 1DG. De tweede foto is een brief, waarop in de onderwerp-regel de woorden ‘Mededeling uitspraak (O.V.)’ te ontwaren zijn.
(viii) Op 9 december 2019 heeft een griffiemedewerker cassatieberoep ingesteld. De akte cassatie vermeldt dat het cassatieberoep is ingesteld namens [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] .
(ix) Mr. M.J.N. Vermeij, die namens [betrokkene 1] cassatieberoep heeft doen instellen, heeft op 2 februari 2021 een cassatieschriftuur ingediend. De schriftuur houdt in dat het een schriftuur houdende een middel van cassatie betreft inzake “ [verdachte] (…) verzoeker tot cassatie van het door het Gerechtshof te Amsterdam op 13 september 2005 (…) gewezen arrest”. Ook verklaart mr. Vermeij in deze schriftuur dat de “verzoeker” hem tot het indienen van de cassatieschriftuur bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.