ECLI:NL:PHR:2021:614
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding aan politieagenten na aanrijding tijdens wilde achtervolging
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, gepleegd tijdens een wilde achtervolging waarbij hij met hoge snelheid en gevaarlijk rijgedrag meerdere politieauto's aanreed. Twee politieagenten, de benadeelde partijen, vorderden immateriële schadevergoeding wegens de psychische impact van het incident.
De rechtbank wees de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van een aantasting van de persoon, zoals vereist onder art. 6:106 BW Pro. Het hof stelde echter vast dat de ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor de agenten zodanig waren dat een immateriële schadevergoeding van €600 per agent toewijsbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn motivering onvoldoende had uitgewerkt, maar dat de ernst van de normschending en de gevolgen voor de benadeelden zodanig evident waren dat de toekenning verdedigbaar was.
Het cassatieberoep werd verworpen. De Hoge Raad benadrukte de noodzaak van een concrete onderbouwing bij immateriële schadevorderingen, maar erkende dat in uitzonderlijke gevallen, zoals deze, de aard en ernst van het feit en de gevolgen voor de slachtoffers zodanig duidelijk zijn dat een toekenning zonder uitgebreide motivering kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de immateriële schadevergoeding van €600 aan de politieagenten wordt bevestigd.