Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
19 februari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte geboren in 1994 tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van verkrachting. De Procureur-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad beoordeelde drie middelen. Het tweede en derde middel konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. Het eerste middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, stelde de straf vast op veertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 19 februari 2019 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.