Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:253

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
19 februari 2019
Zaaknummer
17/01998
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 242 SrArt. 6:106 BWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiezaak medeplegen verkrachting

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte geboren in 1994 tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van verkrachting. De Procureur-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend voor de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad beoordeelde drie middelen. Het tweede en derde middel konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. Het eerste middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis zat. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, stelde de straf vast op veertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 19 februari 2019 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 17/01998
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 april 2017, nummer 23/002452-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Timmerman-Wezepoel, advocaat te Nootdorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad goeddunkt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in
art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze veertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 februari 2019.