Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
sale & lease back-constructie kapitaal vrij te maken. De eigen winkelpanden van De Bijenkorf (en die van Hema en V&D) werden in de
sale & lease backbetrokken. Dit project, met de naam ‘Berlage’, vond plaats in 2005.
due dilligenceontvingen de bieders onder meer een ‘template’/model van de huurovereenkomsten. In november 2005, dus nadat de huurovereenkomsten per 1 november 2005 in werking waren getreden, heeft IEF Capital de modelhuurovereenkomst voorgelegd aan haar advocaat CMS Derks Star Busmann (hierna: CMS). Dit heeft geleid tot een memo van 7 november 2005 (hierna: het CMS-memo) waarin omtrent het geformuleerde voorkeursrecht het volgende staat:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
watpartijen hebben beoogd met het in lid 2 van artikel 17 vermelde Pro criterium, en niet slechts of daarmee ook expliciet is beoogd een aandelenoverdracht eronder te laten vallen. Het middel klaagt dat door de te beperkte opvatting van de desbetreffende grief van De Bijenkorf de beslissing van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Ook zou het hof ten onrechte voorbij zijn gegaan aan de vraag welke soort transacties dan wél onder lid 2 van artikel 17 zouden Pro kunnen vallen.
niet beslissendis – in ieder geval op zichzelf niet – of partijen (expliciet) beoogd hadden een aandelenoverdracht onder artikel 17 te Pro laten vallen. Ook lijkt het mij juist dat het erom gaat wat partijen met het criterium van het tweede lid van artikel 17 hebben Pro beoogd, waaruit vervolgens volgt hoe de vraag of ook een aandelenoverdracht daaronder valt, dient te worden beantwoord. Ik voegde zojuist toe (met betrekking tot het niet beslissend zijn of partijen het door De Bijenkorf ingeroepen rechtsgevolg expliciet hebben beoogd): ‘in ieder geval op zichzelf niet’. In verband met bijkomende omstandigheden zal het gegeven dat partijen niet expliciet beoogd hebben een bepaalde situatie onder een contractsbepaling te laten vallen, wel degelijk zwaar kunnen wegen. Dit geldt in het bijzonder indien die situatie binnen het voorstellingsvermogen van partijen moet hebben gelegen (al dan niet in verband met door hen genoten deskundige bijstand), terwijl zij met hun contract beoogden de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen.
verkoopvan
het gehuurde(verkoop van stenen) door
de verhuurder.Daar zijn partijen het overigens ook over eens. In lid 2 volgt een verruiming die inhoudt dat
“met verkoop in dit verband steeds tevens wordt bedoeld iedere andere rechtshandeling met een zakenrechtelijk en/of obligatoir karakter die materieel tot een vergelijkbaar gevolg leidt”.Gelet op de samenhang met lid 1 en bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, ligt het dan voor de hand dat het daarbij gaat om andere rechtshandelingen
van de verhuurder.Als het in 2005 werkelijk de bedoeling van De Bijenkorf was om ook een
overdracht van aandelen,in dit geval in 2017
de overdracht van de aandelen in de (moeders van de) verhuurder(s) door de (groot)moeder van de verhuurder(s)eronder te laten vallen, dan had het op haar weg gelegen om dit op te schrijven, op een zodanige manier dat het niet alleen voor de toen betrokken partijen maar ook voor toekomstige partijen die met het voorkeursrecht te maken zouden krijgen redelijkerwijs duidelijk zou moeten zijn. Dat is niet gebeurd. Integendeel, het feit dat vervolgens in lid 3 staat dat in geval van voorgenomen verkoop als bedoeld in artikel 17, de
verhuurderverplicht is
het gehuurdeonvoorwaardelijk aan te bieden, bevestigt de hierboven gevolgde uitleg, te weten dat de verruiming in lid 2 alleen ziet op rechtshandelingen
van de verhuurder zelf,het is immers volgens lid 3 ook de
verhuurderdie
het gehuurde(en dus niet de aandelen) dient aan te bieden.’
voorlopigte geven uitlegoordeel, [9] maar dit leidt niet tot een verschuiving van de bewijslast in de zin van het bewijsrisico. Dit ligt reeds besloten in de formulering ‘voorlopig’ (of ‘voorshands’). Een voorlopig uitlegoordeel leidt niet tot een omkering van de bewijslast (in de zin van het bewijsrisico, zomin als een voorlopig bewijsoordeel dit doet. Heeft de partij die volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de bewijslast draagt (dit is dus de partij die zich voor een bepaald rechtsgevolg op een zekere uitleg van het overeengekomene beroept) het voorlopige uitlegoordeel van de rechter ‘mee’, dan volstaat daartegenover dus tegenbewijs in de zin van ontzenuwen. [10] Daarom ook zegt het bekende
Lundiform/Mexx-arrest dat de rechter die een voorshands uitlegoordeel geeft, dient te onderzoeken ‘of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs
dan wel tegenbewijste worden toegelaten’ (cursivering toegevoegd). [11]
uit de aard der zaakniet de verplichting van de verhuurder in het leven kan roepen om het gehuurde te koop aan te bieden. Het hof behoefde dit niet met zoveel woorden in zijn motivering tot uitdrukking te brengen. Op welke gronden het hof in lid 2 van artikel 17 van Pro de huurovereenkomsten niet een zodanige aanbiedingsplicht naar aanleiding van een door een derde verrichte rechtshandeling leest, is voldoende duidelijk uit hetgeen het hof wél heeft overwogen.
“identiek moet zijn aan de voorwaarden waarop verhuurder het gehuurde aan een derde wil verkopen”.Niet goed valt in te zien hoe de overdracht van de aandelen in de moeders van de Verhuurders kan worden “vertaald” in een
identiek aanbodtot verkoop van de panden door de Verhuurders zelf. Als een dergelijke vertaalslag al was beoogd door De Bijenkorf had minstgenomen van haar mogen worden verwacht dat zij contractueel zou (laten) vastleggen aan de hand van welke criteria/maatstaven die vertaalslag zou moeten plaatsvinden. Ook een dergelijke vastlegging ontbreekt.’
formeelvergelijkbaar gevolg en niet of sprake was van een
materieelvergelijkbaar gevolg.
mogelijkheidgeboden om, indien aan alle voorwaarden was voldaan, weer eigenaar te worden van de panden, maar dat betekent nog niet dat sprake was van een tijdelijke situatie. Hoe dan ook geldt dat als De Bijenkorf werkelijk voor ogen had dat het voorkeursrecht van toepassing zou zijn in
alle gevallen van indirecte wijziging van zeggenschap en belangdoor de
overdracht van in aandelen op enig niveau in het concern van haar verhuurder,zij ervoor had moeten zorgdragen dat dit in de tekst tot uitdrukking kwam. Niet overtuigend is dan ook het argument van de Bijenkorf dat een andere uitleg van artikel 17 dan Pro de hare erop neer komt dat het voorkeursrecht kan worden omzeild. Daargelaten dat van een opzet bij IEF Capital tot omzeilen van het voorkeursrecht niet is gebleken (De Bijenkorf stelt dat overigens ook niet), had De Bijenkorf in 2005 redelijkerwijs kunnen voorzien dat in de toekomst mogelijk een aandelentransactie als de onderhavige zóu kunnen plaatsvinden. Als zij ook in zo’n geval een beroep op het voorkeursrecht zou hebben willen kunnen doen, had zij erop moeten aandringen dat daarin werd voorzien. Het hof herhaalt dat het hier gaat om professionele partijen, voorzien van deskundige bijstand.’
“identiek aanbod”van artikel 17 lid 3 inhoudt Pro dat de verhuurder in zo’n geval verplicht is beide panden apart aan de huurder(s) aan te bieden, zodat huurder ‘de krenten uit de pap’ kan kiezen. Dit blijkt niet uit de tekst en de Bijenkorf heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het door haar voorgestane gevolg leiden. Bij een voorkeursrecht ligt het initiatief geheel bij de verhuurder. Als deze al zijn panden ineens wenst te verkopen, kan hij door de huurder in een geval als dit niet worden gedwongen om de panden toch afzonderlijk aan te bieden, overigens nog los van de wijze van waardebepaling van zo’n afzonderlijk pand, waaromtrent artikel 17 niets Pro regelt. Uit lid 3 van artikel 17 volgt Pro dat bij verkoop van het gehuurde als onderdeel van een groter geheel de aanbieding van de verhuurder aan de Bijenkorf in het kader van het voorkeursrecht
“identiek moet zijn aan de voorwaarden waaronder de verhuurder aan een derde wil verkopen”(zie hierboven onder 4.6.). In het hiervoor beschreven voorbeeld wil de verhuurder slechts aan een derde verkopen als deze ook het mindere pand koopt. Koop van beide panden vormt dan dus de voorwaarde waaronder verhuurder wil verkopen. Ook daaruit blijkt dat de redenering van de Bijenkorf niet juist is.’
bij de formulering van artikel 17 van Pro de huurovereenkomsten.Het gelukt mij echter niet om te begrijpen hoe de (vermeende) aansluiting van de door De Bijenkorf voorgestane uitleg met de formulering van artikel 17 een Pro aanwijzing zou kunnen zijn dat partijen bij enige wettelijke regeling aansluiting hebben willen zoeken. Ik moet het er daarom op houden dat ook deze klacht vergeefs is opgeworpen.